Dit had ik niet kunnen bedenken.
Op 6 mei 2005 ontving ik een mailbericht met het verzoek deel te willen nemen aan een landelijke actiedag voor schonere lucht in de binnenstad. Mijn activiteit, evenals die van de andere deelnemers, bestond uit het uitdelen van flyers (een brief) met informatie over de luchtkwaliteit in de Lutherse Burgwal
Dat heb ik gedaan, staande op de hoek van de Grote Markt en de Lutherse Burgwal voor de lampenwinkel gedurende een half uur van 13.00 uur tot 13.30 uur. Toen waren de brieven op. Alleen met hun toestemming ontvingen zowel voetgangers als fietsers, die wachtten voor het rode verkeerslicht, van mij een brief.
Daarna ben ik om de hoek in de Lutherse Burgwal gaan kijken hoe de stand van zaken daar was. Even na half twee heb ik de directeur van het HMC horen zeggen dat de actie beëindigd zou worden, omdat het uit te delen materiaal op was. Terwijl wij er nog stonden, zag ik aan de overkant van de Lutherse Burgwal op ongeveer 25 meter van de hoek met de Grote Marktstraat een politiebusje stoppen op de fietsstrook. Mijn eerste gedachte was: je parkeert als politie toch niet op een fietsstrook. Ik zag 5 á 6 politieagenten uitstappen, gekleed in een uniform dat mij onbekend was. Zij liepen langzaam in de richting van de Grote Markt. Ik keek in de richting van de Grote Markt om te zien of daar iets gaande was, waar de politie bij nodig was. Bij de hoek aangekomen staken de agenten langzaam het zebrapad over. Toen pas drong tot mij door dat zij mogelijk voor ons kwamen. Ik was mij van geen kwaad bewust en bleef dan ook rustig staan. In het algemeen vroeg een van de agenten: wie is de woordvoerder? Er kwam geen antwoord. Ik wist ook niet wie de woordvoerder was en of we die wel hadden. De agenten stonden min of meer langs de rand van het trottoir.
Ik hoorde een van de agenten zeggen dat het om een verboden demonstratie ging, want er was geen vergunning aangevraagd. De demonstratie was, zo zei hij, te herkennen aan een bord. Waarschijnlijk doelde de agent op het `verkeersbord' op ware grootte, dat een gevaar aanduidt en waarop een gezicht met een zuurstofmasker zichtbaar was en waaronder stond: vuile lucht. Het bord was bevestigd op een steel en het geheel zag ik staan tegen een lantaarn- of verkeerspaal.
Onverwacht, want ik heb het niet zien aankomen, stond het politiebusje voor ons langs het trottoir geparkeerd met de neus richting Paviljoensgracht. Met de rug naar mij toe vroeg een van de agenten iets aan de blauwgejaste heer F. Willems. Deze antwoordde iets in de trant van: waarom moet ik mij identificeren, wat heb ik verkeerd gedaan en kunt u mij vertellen wie u bent. Daarop werd de heer Willems onverwacht en hardhandig met de rug tegen het busje geduwd. Hij moest zich omdraaien en het busje ingaan, begreep ik. Dat zinde hem niet, maar hij zei niets. Wel liet hij fysiek weten deze handelwijze niet redelijk te vinden. Een paar agenten hebben hem op een hardhandige wijze het busje ingekregen.
Een paar seconden eerder werd mijn aandacht getrokken naar de achterkant van het busje, waar de heer Wijsmuller in gesprek was met een paar agenten. De heer Wijsmuller was uit belangstelling komen kijken naar het uitdelen van de flyers. Ik heb hem niet zelf iets zien uitdelen. Ik heb nog een gesprek met hem gehad tijdens het uitdelen. Het ging over een voorstel op een heel ander gebied dat hij wil doen in de raad. Het initiatief tot het gesprek ging van hem uit. Er was nog een raadslid komen kijken. De heer Wijsmuller stelde zich keurig voor en vroeg waarom de agenten hier waren. Ik hoorde hem zeggen dat voor een actie in deze vorm geen vergunning nodig was, dat had hij van de burgemeester zo begrepen.
Een van de agenten zei of vroeg iets aan hem, wat ik niet kon verstaan. Hij stond met de rug naar mij toe. De heer Wijsmuller liet weten bereid te zijn mee te gaan naar het bureau.
Waarom weet ik niet, maar plotseling grepen twee agenten de heer Wijsmuller beet om hem het busje in te duwen. Net als bij de heer Willems was zijn reactie er een van verzet. Hij stond op het instapgedeelte van het busje en stak met zijn hoofd boven het busje uit. Hij probeerde met zijn linkerhand houvast te vinden op het dak van het busje. De agenten rukten aan hem. Hij reageerde door te zeggen: laat mij los, dan ga ik vrijwillig mee. Maar een van de agenten greep hem bij de haren en probeerde hem op die manier het busje in te krijgen. Dat was pijnlijk en zijn reactie luidde dan ook: klootzak! Dat heb ik hem één keer horen zeggen.
Een van de omstanders riep: laat hem los, hij heeft toch gezegd vrijwillig mee te zullen gaan. De agenten reageerden daar niet op. Uiteindelijk hebben drie agenten hem met geweld in het busje gekregen. Kort daarop stapte de heer Van der Steen rustig in het busje.
Ik riep de heer Van der Steen na om hem te vragen mij zijn fietssleuteltje te geven. Hij kon mij niet verstaan. Ik mocht dat niet doen van een agent. Ik vertelde de agent dat de splinternieuwe en dure fiets van de heer Van der Steen - hij had mij de week ervoor trots zijn nieuwe fiets laten zien - weliswaar op slot stond aan een paal, maar verder onbeheerd op deze plek niet lang daar zou blijven staan. Dat moet een politieagent toch weten. Ik moest maar naar het bureau Jan Hendrikstraat gaan om het sleuteltje te vragen, daar zouden de heren na een kwartier weer op straat staan, volgens de agent. Ik heb aldaar het sleuteltje opgevraagd en na enige tijd gekregen. De fiets is gered. De heren hebben uren op het bureau doorgebracht.


Daan Goedhart
20-05-2005