Hoge Raad der Nederlanden
Lange Voorhout 34
Postbus 20303
2500 EH Den Haag


Uw kenmerk: S 07/10419

Den Haag, 16 april 2008


Edelhoogachtbare,


De brief van 2 april 2008 heb ik in goede staat ontvangen.


Uw constatering dat er geen schriftuur met middelen van cassatie is ingediend door een advocaat is juist. Ik heb geen advocaat ingeschakeld.
Nadat ik in aanraking was gekomen met de politie heeft een Officier van Justitie in eerste instantie wel zijn aanklacht naar meester Schuckink Kool gezonden maar de reden daarvan is nooit duidelijk gemaakt.
U deelt mij mede dat ik bij gebrek aan bijstand niet kan worden ontvangen in het cassatieberoep.
Aan uw verzoek om binnen twee weken commentaar op deze constatering te leveren wil ik voldoen.

Daarvoor zal ik eerst de voorgeschiedenis schetsen.

Op 30 november 2004 bezocht ik de publieke tribune van de Tweede Kamer vanwege een debat met Minister van Justitie Donner over zijn weigering het onderzoeksrapport over de moord op de Indonesische mensenrechtenactivist Munir Said Thalib door te sturen naar autoriteiten in Indonesia. Op die tribune werd ik lastig gevallen door beveiligingspersoneel onder het slechte voorwendsel dat ik illegaal geluids-opnamen maakte van de openbare vergadering. Uiteindelijk ben ik aangehouden, meegenomen, gefouilleerd en opgesloten door politieagenten die zich niet legitimeerden en zonder opgave van redenen. Ik heb overigens inderdaad geluidsopnamen gemaakt van de openbare vergadering maar dat is uiteraard niet tegen de regels en zeker geen reden tot aanhouding. Na twee uur gevangenhouding ben ik zonder verklaring het politieburo uitgezet. Ik kreeg niet de gelegenheid om aangifte te doen van het onrechtmatig handelen. Ik kon slechts een klacht indienen en dat heb ik gedaan. In het kader van de afhandeling van de klacht kon ik alsnog aangifte doen die vervolgens zonder motivering door het Openbaar Ministerie werd geseponeerd. Daartegen heb ik bezwaar gemaakt. Het Hof heeft mijn bezwaar, dat is toegelicht door meester Schuckink Kool, eveneens zonder motivatie afgewezen.

Mijn ervaring dat men in Nederland zelfs tijdens een bezoek aan de publieke tribune van de Tweede kamer niet veilig is voor onrechtmatige en willekeurige gevangenneming heeft een rol gespeeld bij de volgende zaak.

Terwijl deze kwestie nog speelde, zoiets duurt lange tijd, werd ik op de Lutherse Burgwal te 's-Gravenhage overvallen door het zogenaamde parate peleton van de politie Haaglanden. Ik was daar aanwezig na een demonstratie tegen de ernstige luchtverontreiniging in de buurt. Ik werd samen met twee anderen als arrestant afgevoerd en urenlang opgesloten. Er werd aangifte tegen ons gedaan op basis van meinedige verklaringen. Ook deze keer kreeg ik niet de kans om aangifte te doen van het onrechtmatige politie-optreden.

Overigens heeft dat zogenaamde parate peleton daarna nog enkele malen de publiciteit gehaald, onder andere met een misdadig optreden in Pijnacker.

Het Openbaar Ministerie maakte werk van de aangifte en niet alleen tegen mij maar ook tegen de twee andere arrestanten. De stukken inzake de aanklacht tegen mij werden door het Openbaar Ministerie naar meester Schuckink Kool gestuurd. Hij stuurde het naar mij door.

De andere arrestanten waren overigens het gemeenteraadslid Wijsmuller, die in hoger beroep is vrijgesproken, en de directeur Haags Milieucentrum Van der Steen, die gemakshalve een pro-forma veroordeling door de politierechter heeft aanvaard.

Daags na het voorval verklaarde de leider van de haagse PvdA, H. Kool, in het openbaar dat onze aanhouding terecht was. Toen ik hem om deze opmerking in een correspondentie op een PvdA-website een teringfascist noemde deed de man aangifte van belediging van een ambtenaar in functie.

De zaken van het parate peleton en van de beledigde PvdA-ambtenaar zijn samengevoegd en in deze samengevoegde zaak zal de Hoge Raad der Nederlanden mij bij gebrek aan cassatiemiddelen niet kunnen ontvangen.

Ik heb geen advocaat ingeschakeld omdat ik mij niet wil verdedigen tegen de meinedige verklaringen waarmee men het onrechtmatig politieoptreden wil verdoezelen.

Ik heb van de onrechtmatigheden zelf wel aangifte willen doen maar het gebrek aan medewerking bij de politie betekende voor mij het einde aan de juridische zaak; maar niet een einde aan de correspondentie.

Het incident in de Tweede Kamer heeft duidelijk gemaakt dat het indienen van een klacht vanwege het politieoptreden weinig zin heeft. Daarom heb ik ook daarvan afgezien.

Tegen de aanklacht van de PvdA-ambtenaar Kool kan ik mij niet verdedigen. De ambtenaar gaat de discussie met mij uit de weg, zowel op de PvdA-website als op Radio West. Bovendien heb ik al bekend. Ik ben inderdaad en steeds meer van mening dat de man een tering-fascistische politieke lijn volgt. Kool staat daarin, als u dat weten wilt, naar mijn mening niet alleen maar maakt deel uit van een verontrustend dominante tendens binnen het nederlands openbaar bestuur.

Mijn denken over het fenomeen teringfascisme blijft zich overigens ontwikkelen. Ik kan mijn definitie nu korter formuleren: politieke repressie gebaseerd op meineed is teringfascisme. En een Hoge Raad die daartegen niets onderneemt is vanzelf ook besmet.

Dat de strafadministratie van de Hoge Raad mijn correspondentie met de stalkende en teringfascistische tendens binnen de overheid gaat bezegelen zal ik dan ook beschouwen als een teringfascistische kroon op uw werk.

Ik neem aan dat ik hiermee in voldoende kommentaar heb voorzien.




Hoogachtend,


F. Willems