DE WAARHEID PLUS 52ste week 1988
Toen ging het tegen 't kolonialisme, nu tegen de apartheid

Annie Averink

communisten geven hun strijd ervaringen door

Half december 1948 startte de Nederlandse regering onder premier Drees een nieuwe koloniale oorlog tegen de jonge republiek Indonesië, die verontschuldigend als tweede politionele actie de Nederlandse geschiedenis is ingegaan. Middels felle terreur tegen de Indonesische bevolking probeerde men de Nederlandse positie tegenover de republiek te versterken. Christenen, zoals dominee Buskes, en talrijke sociaal-democraten waren scherp tegen de militaire acties van Nederland gekant. De enige partij echter die als één geheel tegen de koloniale oorlog optrad en als partij de praktische solidariteit met het Indonesische volk organiseerde, was de CPN. Eén van de mensen die intensief bij de activiteiten waren betrokken, is Annie Averink.

Door HANS GROENEWEGEN

Op 17 augustus 1945 werd de republiek Indonesië uitgeroepen. Vanuit de politieke ontwikkelingen die zich in Nederland gedurende de bezettingstijd hadden voorgedaan, was het helemaal niet vanzelfsprekend dat er zo hard tegen de jonge republiek zou worden opgetreden. Belangrijke groepen van de bevolking waren voor een of andere vorm van onafhankelijkheid voor het Indonesische volk. Ook koningin Wilhelmina had in 1942 in een weliswaar wat vage rede het recht op eigen zeggenschap moeten erkennen. ,,Maar toen puntje bij paaltje kwam," zegt Annie Averink, wilde men eerst helemaal niet met Soekarno onderhandelen." Voor de CPN was de strijd voor de erkenning van het volledig zelfbeschikkingsrecht van het Indonesische volk een belangrijk politiek strijdpunt. Ook voor de oorlog zette zij zich al in voor de volledige onafhankelijkheid van het toenmalig Nederlands Indië. De concrete activiteiten die vanuit de CPN werden ondernomen waren ingebed in dat principiële uitgangspunt.

Japans fascisme
Annie Averink constateert een grote overeenkomst in de manier waarop de Nederlandse vooroorlogse regeringen omgingen met de fascistische dreiging in Europa en de Japanse fascistische dreiging in Azië. Het fascisme werd niet alleen onderschat. Ze wilden ook het volk niet weerbaar maken tegen de Japanse dreiging, uit angst Indonesië te verliezen. De demagogische leuze van Japan "Azië voor de Aziaten" werd in het begin door een deel van de nationalisten tamelijk goed ontvangen. Die leuze maakte grote indruk op de gekoloniseerde volkeren in het Verre Oosten. Later veranderde dat, omdat duidelijk werd dat het voor Japan betekende "Azië voor de Japanners". Maar de invulling van de leus in de zin van Indonesië voor de Indonesiërs werd natuurlijk steeds belangrijker.
  In 1937 had het lid van de Volksraad, Sutardjo, een programma ingediend tot het weerbaar maken van Indonesië tegen de Japanse dreiging. Daarin werd onder andere verzocht om het oprichten van volksmilities en om een conferentie tussen gelijkberechtigde vertegenwoordigers van Indonesië en Nederland over de vergroting van de Indonesische zelfstandigheid. Weerbaarheid tegen fascistische agressie en de zelfstandigheid van een volk gaan natuurlijk samen. De Nederlandse regering wees dit af. De CPN trad in Nederland op om deze eisen te verwezenlijken. De SDAP was eveneens voorstander van de petitie-Sutardjo.
  De Nederlandse regering deed alles om de mensen van de strijd tegen het fascisme af te houden. Ook de NSB, die in het toenmalige Nederlands-Indië een grote aanhang had, werd geen strobreed in de weg gelegd. Mussert werd bij een bezoek zelfs ontvangen door gouverneur-generaal De Jonge."
  De solidariteit met de strijd van de gekoloniseerde volken is, zo zegt Annie Averink, een rode draad in de hele geschiedenis van de CPN. "Indië los van Holland" was onze centrale leus. En daar lag ook het grote verschil met de sociaal-democratie. Ook zij veroordeelde het koloniale systeem en de uitbuiting. Maar haar uitgangspunt daarbij was dat de gekoloniseerde volkeren eerst rijp gemaakt moesten worden voor de onafhankelijkheid. Binnen het koloniale systeem is die "rijping" absoluut niet mogelijk. Kijk maar naar de onderwijspolitiek van de kolonisator en de manier waarop de gezondheidszorg werd georganiseerd. De grote massa's waren daarvan uitgesloten."

Opstand
Er waren in Nederlands Indië voor de oorlog allerlei ontwikkelingen die tot gevolg hadden dat de solidariteitsacties met steeds meer vindingrijkeid moesten worden georganiseerd. In 1926 en 1927 vonden er op Java en Sumatra volksopstanden plaats tegen armoede, onderdrukking en de vreemde Nederlandse overheersing. Daarop werd de PKI door de Nederlandse koloniale overheid verboden. De partij werd op die manier gedwongen ondergronds te gaan werken. Ondanks de repressie lukte het vakbondsleider en PKI voorman Musso om in 1935 Java illegaal te bezoeken. Een aantal andere leiders werd met honderden anderen verbannen naar een concentratiekamp in Boven-Digul. De CPN zette in een reactie op de repressie een aantal Indonesiërs op de kandidatenlijst voor de Tweede Kamerverkiezingen. In 1933 stelde zij onder andere PKI-voorzitter Sardjono kandidaat en hij werd gekozen.
  "Dat was een enorme steun in de rug van de gevangenen. Er werd groot feest gevierd. In een boek van ene Schoonheyt, die daar twee jaar als arts werkte, waarin het kamp moest worden goedgepraat, wordt daar met grote verontwaardiging over geschreven. Hij beschrijft Sardjono als een "magere, onooglijke, zeer onsympathiek uitziende gedeporteerde" en verder: "voor deze nietsontziende opstandeling moesten vanuit Boven-Digoel met de Nederlandse Communistische Partij allerlei telegrammen worden gewisseld, die blijkbaar niet konden worden tegengehouden." Sardjono kreeg geen toestemming en Rustam Effendi werd communistisch parlementslid. De eerste en enige Indonesiër in het parlement voor de oorlog."

Leerschool
De bezettingstijd was voor Annie Averink een belangrijke leerschool voor zie organisatie van de solidariteit met Indonesië. "Als een partij in de illegaliteit wordt gedreven dan moet je op allerlei manieren leren werken waar je vooraf niet zou zijn opgekomen."

Naast de politieke steun werd er vanuit Nederland ook materiële steun voor de Indonesiërs georganiseerd Daarbij moest van alle vindingrijkheid die in de bezettingsjaren was ontwikkeld, gebruik worden gemaakt. Er werden via allerlei wegen brochures naar Indonesië gebracht. "Om die dingen voor elkaar te krijgen is het werk van heel veel mensen nodig die dat kunnen en willen. Alle kleine beetjes maken een grote, dat wordt wel eens vergeten. In augustus 1948 keerde Musso terug naar Indonesië. Twee maanden later werd hij hij door rechtse krachten vermoord."
  Musso had bij zijn terugkeer met het centrale comit¢ een resolutie opgesteld, "De Nieuwe Weg", die richting gaf aan de Indonesische onafhankelijkheidsstrijd. Onder andere die lange resolutie moest in brochurevorm naar Indonesië worden gesmokkeld. In die resolutie werd onder meer het nationale eenheidsfront en de samenwerking van de arbeidersorganisaties met de boeren besproken. Musso was tot de conclusie gekomen dat die eenheid verwaarloosd was. Die brochures werden op dundruk gemaakt. Het was niet eenvoudig om in die tijd aan het papier daarvoor te komen. De brochures werden aan betrouwbare zeelui meegegeven. Zij hadden pakjes bij zich die waren geadresseerd aan dienstplichtigen om de douane te misleiden. Daar zat zeep in, tandpasta en levensmiddelen. De zeelui brachten die pakketten dan aan adressen van PKI'ers, of deden dat via militairen."

Goeie blikfabrieken
Het klinkt eenvoudig, maar er ging een enorm werk aan vooraf. "We hadden goede blikfabrieken," zegt Annie Averink lachend. "Bij een fabriek van Verblifa werden de blikken gemaakt. In de winkel werden blikken appelmoes van Hero gekocht, de wikkels eraf geweekt en om de speciale blikken geplakt. De brochures werden stijf opgerold in de blikken gedaan. Die werden dan met kleine stukjes lood op het juiste gewicht gebracht. Daarna werden ze teruggebracht naar de Verblifa-fabriek waar ze zorgvuldig werden dichtgelast".
  "Vrijwillig overwerk in avond-uren. Met de controle van tijd zou het op die manier niet meer lukken. Het was vlak na de oorlog. De mensen vroegen niet veel en praatten niet veel. Ze wisten dat het ergens goed voor was en deden het gewoon. Verder moesten we de scheepstijdingen goed bijhouden om te weten wanneer sympathiserende zeelui in het land waren en wanneer ze weer vertrokken."
  Ook andere geschriften werden langs speciale wegen naar Indonesië gezonden. "Er was veel behoefte aan leesvoer voor de soldaten en Indonesiërs. Dat gebruikten we als dekmantel. Ik ging naar het Waterlooplein en kocht een paar boeken voor een duppie." Annie Averink laat zo'n boek zien. Het ziet er volstrekt onschuldig uit. Na een aantal bladzijden van een betekenisloze roman beland ik ineens in de brochure "Loon, prijs, winst". "Het grootste deel van de roman werd eruit gehaald. Die brochure werd daar dan voor in de plaats ingebonden. Vakwerk, aan het boek is verder niets te zien."

Kurk erop
Ook werd er geld naar de PKI georganiseerd. Ook daarvoor werden allerlei vindingrijke manieren ontwikkeld. "Tijdens de bezetting had je dunne glazen buisjes met allerlei verschillende essences. Die buisjes maakten we leeg. Dan ging er een stijf opgerold biljet van honderd gulden in. De kurk er weer op. We maakten dan heel voorzichtig een tube Prodent van onderen los schoven die glazen buisjes erin. Daarna maakten we de tube weer dicht. De tandpasta ging ook in de paketten mee."
  Heel belangrijk voor het solidariteitswerk blijft voor Annie Averink de voorlichting van de eigen leden, de mensen blijven interesseren voor de gevolgen van de onderdrukking. Het begint ermee dat je de mensen duidelijk maakt wat er aan de hand is. Toen was het de strijd voor Indonesië los van Holland, nu is het de strijd tegen de apartheid. Je moet de mensen voorlichten en de ervaringen van de strijd verwerken en doorgeven. Want het gaat uiteindelijk om de politieke strijd."

Na de bevrijding van Indonesië van de Japanse bezetting moest ook de PKI zich weer helemaal opnieuw organiseren. "West-Java was weer vrij snel door de Nederlanders bezet. Daar was bijvoorbeeld het vieren van de Eerste Mei verboden. Wie desondanks de Eerste Mei vierde kon rekenen op één jaar gevangenisstraf en duizend gulden boete; lust je nog, peultjes?"
  Terwijl de Nederlandse regering op een confrontatie met de republiek aankoerste, werd ook het verzet tegen de koloniale politiek georganiseerd. Om dienstplichtigen naar Indonesië te kunnen sturen werd er een grondwetswijziging door de Kamer gejaagd. De CPN stemde als enige tegen. "Er werd een algemene staking georganiseerd in Amsterdam, die deed denken aan de kracht van de Februari-staking. Er werd ook hard tegen opgetreden. Bij een demonstratie die vooraf ging aan die staking in 1946, werd er met scherp geschoten. Er viel een dode en verscheidene gewonden. De CPN gaf een manifest uit "De maat is vol", waarin onder andere het aftreden van Beel werd geëist. Het hele dagelijkse bestuur is daarop op het politiebureau verhoord.
  Het NVV nam toen ondanks eerdere uitspraken niet deel aan de algemene staking. Maar zijn optreden samen met de EVC in het Wereld Vakverbond heeft wel tot de internationale isolering van Nederland bijgedragen."


[terug] [Weduwe van Indië] [top]