Washington zweeg in 1965

in alle talen over de coup in Indonesië. Life Magazine waagde het een monstrueuze reportage te publiceren over afgehakte hoofden en rivieren van bloed op Java. Ook het Duitse Der Stern kwam met een bloederig verhaal over het optreden van Suharto's SS-knokploegen. Aan de Nederlandse media is het drama grotendeels voorbij gegaan, met uitzondering van Hans Beynon in de Volkskrant. Hier te lande verkneukelde men zich dermate over de val van de gehate Sukarno, dat men ongehinderd door kennis van zaken, vrolijk de andere kant op keek. Iedereen was beter dan Sukarno, dus ook Suharto.
Ik sprak met president Sukarno in 1966 eveneens over de dubieuze rol van de Amerikaanse ambassadeur in 1965, de heer Marshall Green. Ik had Green in 1958 reeds in Washington ontmoet en diens carrière gevolgd. Hij dook in Zuid-Korea op toen de Amerikanen hadden besloten hun voormalige bondgenoot Syngman Rhee te laten vallen. Green was een diplomaat geoefend in staatsgrepen. Het CIA-scenario voorzag bijvoorbeeld in het gebruik maken van studenten om tegen Bungkarno en de PKI te demonstreren en de straat op te gaan. Hiertoe stelde Suharto vrachtwagens beschikbaar en de Amerikaanse en Australische inlichtingendiensten hielpen bij de financiering van dit soort "spontane uitingen van afkeer". De president had informatie ontvangen dat ook Den Haag 250.000 gulden aan studentenacties had bijgedragen. Wanneer Washington op bepaalde knoppen drukt geven de "trouwe bondgenoten" gaarne gehoor aan Amerikaanse suggesties een duit in het zakje te doen. Dit soort scheve schaatsen wordt dan ook ten onzent geregeld middels de Inlichtingendienst Buitenland gereden. Deze dienst is door Ruud Lubbers opgeheven, maar de heren zijn intussen wel voor miljoenen op wachtgeld gezet opdat machtsmisbruik en wetsovertredingen geheim zullen blijven.