Voorwoord

Rehabilitatie van Indonesië-weigeraars

Het boek van Henny Zwart Er waren er die NIET gingen, is een uiterst belangrijke bijdrage tot het zogenaamde Indië-debat.
Hoewel de schrijfster niet pretendeert deskundig te zijn op het terrein van de vooroorlogse koloniale vraagstukken, slaagt zij er zeer wel in de nadruk te leggen op een aantal aspecten van het conflict tussen Nederland en Indonesië in de jaren 1945-1949. Aspecten die tot dusverre in de media, waarin het debat wordt gevoerd, sterk verwaarloosd of zelfs verzwegen zijn.

    Ongrondwettig
Allereerst de officiële motivering van de opbouw van een omvangrijk Nederlands militair apparaat in Indonesië.
In de uitspraken daarover van veteranen wordt er nogal eens op gewezen dat dezen in de veronderstelling verkeerden dat hun taak in Azië zou bestaan in deelneming aan de strijd tegen de vijand in de Tweede Wereldoorlog: Japan.
Dat kan inderdaad het geval zijn geweest voor de vrijwilligers die nog tijdens de oorlog of vrij kort daarna, in de tweede helft van 1945 of in de eerste maanden van 1946, in Indonesië zijn aangekomen. Maar hoe was de situatie toen op 24 september 1946 het eerste troepenschip met dienstplichtigen, de zogenaamde Zeven December-divisie, uit de haven van Amsterdam vertrok?

Al kort na de in mei 1946 in Nederland gehouden algemene verkiezingen trad het kabinet Beel aan. Eén van de eerste, al in juli 1946 genomen, besluiten van dit kabinet was een Commissie-Generaal in te stellen en naar Indonesië te sturen, "teneinde de besprekingen met de Republiek weer op gang te krijgen voor het einde van de Britse bezetting op 30 november." (1)
Je zou zo denken dat in deze gedachtengang het verschepen van vele duizenden dienstplichtigen naar Indonesië onlogisch zou zijn. Toch werd tegelijkertijd door het kabinet, waarin de KVP en de PvdA de hoofdrol vervulden, besloten met deze troepenzending haast te maken. Henny Zwart beklemtoont dat op dat moment deze strategie volkomen ongrondwettig was.
Nog altijd luidde artikel 192 van de Grondwet: "De dienstplichtigen te land mogen niet dan met hunne toestemming naar Nederlandsch-lndië, Suriname of Curaçao worden gezonden." In juni 1944 had de Londense regering, in verband met de oorlogvoering tegen Japan, deze bepaling tijdelijk bij Koninklijk Besluit buiten werking gesteld. Maar nu de oorlog tegen Japan sinds 15 augustus 1945 geëindigd was, werd begin 194 6 door het kabinet Schermerhorn een wijziging van dit grondwetsartikel 192 bij de Tweede Kamer ingediend die het mogelijk moest maken dienstplichtigen ook tegen hun wil naar Indië te sturen.
Dit grondwetsvoorstel werd nog voor mei 1946 met 20 stemmen tegen en 54 voor, door de Tweede Kamer aanvaard. Maar de schrijfster geeft terecht aan dat juridisch de zaak hiermee nog allerminst rond was. Voor een grondwetswijziging dienden, na de aanneming in eerste instantie door de Tweede Kamer, eerst algemene verkiezingen te worden gehouden. Hetgeen in mei 1946 inderdaad geschied is. Maar daarna diende het wetsvoorstel opnieuw bij de Tweede Kamer in haar nieuwe samenstelling te worden ingediend. Na goedkeuring moest ook nog de Eerste Kamer haar fiat geven. En dan moest , volgens de voorgestelde herziene tekst van artikel 192, ook nog een speciale wet worden ingevoerd, krachtens welke de mogelijkheid om dienstplichtigen tegen hun wil naar de overzeese gebiedsdelen te sturen uitdrukkelijk werd vastgelegd. Nadat eind 1946 de Grondwetswijziging het Staatsblad had bereikt, werd deze nadere wet pas in augustus 1947 in het Staatsblad afgekondigd, dus nadat de eerste 'politionele actie' al aan de gang was! Henny Zwart wijst hier uitdrukkelijk op. Door L. de Jong wordt dit alles eveneens vermeld. (2)

Wat was nu de argumentatie van het nieuwe kabinet am met zulk een belangrijke en principiële grondwetsbepaling de hand te lichten?
Op 14 augustus 1946 vergaderde 'de raad voor militaire aangelegenheden van het koninkrijk', onder voorzitterschap van minister-president Beel. Ik citeer uit de Officiële Bescheiden betreffende de Nederlands-Indonesische Betrekkingen 1945-1950: "Z.K.H. Prins Bernhard deelt mede, dat hij herhaaldelijk vragen ontvangt omtrent den wettelijken grondslag van de uitzending van dienstplichtigen naar Nederlandsch-Indië en gaarne zou vernemen, wat hij terzake moet antwoorden. De voorzitter antwoordt, dat de uitzending momenteel nog steunt op een Koninklijk Besluit van de Londensche Regeering. In dit K.B. wordt de uit zending vastgekoppeld aan krijgsverrichtingen tegen Japan. Dit kunnen wij nog volhouden, zoolang er Japansche invloed in Nederlandsch-Indië merkbaar is. Middelerwijl loopt de procedure tot wijziging van artikel 192 van de Grondwet door. Zoolang dit artikel nog niet definitief is gewijzigd, zullen wij de uitzending alleen op het Londensche K.B. kunnen baseeren.
Spreker verwacht niet, dat de grondwetswijziging moeilijkheden zal opleveren, aangezien in eerste lezing het ontwerp met de grootst mogelijke meerderheid (alleen de Communisten tegen) is aanvaard." (3)

De conclusie is duidelijk. Door de Commissie-Generaal in te stellen met de taak formele onderhandelingen met het kabinet Sjahrir van de Republiek Indonesië te openen, had het kabinet duidelijk te kennen gegeven dat men niet met 'de Japanse vijand' te maken had, maar met de Indonesische nationale vrijheidsbeweging. Met als verwachte uitkomst van die onderhandelingen: erkenning de facto van het gezag van de Republiek over grote delen van Java. (4)
De argumentatie van de KVP-premier Beel was dus gebaseerd op puur bedrog. Een bedrog dat nog werd aangedikt door de leugen alsof de Communisten in het Noodparlement van 1945 twintig van de vijfenzeventig zetels zouden hebben toegewezen gekregen!

PvdA-minister van Overzeese Gebiedsdelen Jonkman steunde ook uitdrukkelijk het troepentransport.
Tien dagen later, op 24 augustus 1946, stuurde luitenant-gouverneur-generaal Van Mook het volgende geheime code-telegram, bestemd voor minister Jonk-man persoonlijk:
"Ik moge uw aandacht vestigen op het feit dat op dit moment een wijziging van artikel 192 der Grondwet voor ons nadeelige misverstanden kan verwekken. Voor hen, die hier of in het buitenland geen goede kennis bezitten van ons staatsrecht en de omstandigheden niet overzien, kan de schijn gewekt worden dat de maatregel speciaal ter voorbereiding van een grootscheepsche militaire actie in Indonesië getroffen wordt. Dit misverstand dient bij publicatie hierover zo nadrukkelijk mogelijk voorkomen te worden."
In een brief van 29 augustus, gericht aan de minister-president, vestigde minister Jonkman diens aandacht erop "dat de Landvoogd niet opponeert tegen het zoo spoedig mogelijk scheppen van een hechter wettelijke basis voor de uitzending van dienstplichtigen naar Nederlandsch-lndië , doch er uitsluitend op wil wijzen, dat tijdig maatregelen dienen te worden genomen ter voorlichting van het publiek en pers te dezer zake, opdat misverstanden zooveel als mogelijk worden voorkomen." Hij voegde eraan toe: "Met deze zienswijze van Dr. van Mook kan ik mij geheel vereenigen. (5)
Maar zelfs al waren Van Mook en Jonkman persoonlijk op dat moment nog niet voornemens om de tot meer dan honderdduizend man op te bouwen strijdmacht te gebruiken 'speciaal ter voorbereiding van een grootscheepse militaire actie in Indonesië ', dan verschaften zij aan grote en invloedrijke groepen Nederlanders wel degelijk het machtsmiddel om daartoe een jaar later over te gaan! Met name onder de militairen, zowel in Nederland als in Indonesië, die het juist om zo'n grootscheepse actie te doen was.
Terecht noemt J.J.P. de Jong, in zijn boek Diplomatie of strijd, de opbouw van het Nederlandse militaire apparaat in de periode 1945-1947 herhaaldelijk "het potentiële kruitvat".

In Er waren er die NIET gingen wordt duidelijk gemaakt dat de verantwoordelijkheid van de Nederlandse regering voor de twee, uiteindelijk noodlottige, 'politionele acties' niet zozeer het gevolg was van een politieke misgreep in de jaren 1947 en 1948, maar al een jaar eerder viel. Namelijk toen in strijd met de Grondwet het besluit werd genomen Nederlandse dienstplichtigen, vaak tegen hun wil, naar de vroegere kolonie te verschepen.
Terecht benadrukt de schrijfster dat de beslissende stap in juli 1947 niet werd genomen uit overwegingen omtrent het vermeende belang van de Indonesische bevolking, maar uit duidelijk kapitalistische overwegingen: de Nederlandse  grootlandbouw-ondernemingen, vooral in West-Java, moesten veroverd worden om ze weer in het belang van de Nederlandse economie te doen draaien. Niet voor niets werd de eerste 'politionele actie' in militaire kringen aangeduid als "Operatie Produkt".

    Breed protest
De tweede belangrijke bijdrage tot het 'Indië-debat', waarmee Henny Zwart pionierswerk levert, is gelegen in de interviews die zij gevoerd heeft.
Zij bevatten een reeks uiterst schokkende en ontroerende ervaringen van de slachtoffers van een op volstrekt onwettige wijze uitgeoefende regeringsdwang op, en repressie tegen duizenden dienstplichtigen die ernstige bezwaren hadden om naar Indonesië te worden uitgezonden. De meesten van hen hadden geen enkel bezwaar gehad hun dienstplicht in Nederland te vervullen. Maar degenen die hier aan het woord zijn, brachten - ondanks alle ellende en intimidatie waarmee zij geconfronteerd werden - de grote persoonlijke moed op onverzettelijk aan hun standpunt te blijven vasthouden. Namelijk: weigering zich te laten inzetten in een strijd tegen het Indonesische volk dat tegen de vroegere koloniale heerser voor zijn bevrijding vocht.

Door deelnemers aan het 'Indië-debat' wordt vaak volgehouden dat in 1946 en volgende jaren de Nederlandse samenleving unaniem achter de uitzending van de troepen en achter de 'politionele acties' stond.
Deze voorstelling van zaken wordt in dit boek met sprekende gegevens weerlegd. In juli 1946, na de vorming van het kabinet Beel, vond een onderzoek plaats van de publieke opinie over de vraag: 'Bent U het ermee eens dat onze soldaten naar Indië worden gezonden?'. Van de mannen antwoordde 41 procent met 'neen', van de vrouwen 44 procent;  9 procent van de mannen en 20 procent van de vrouwen zeiden 'geen oordeel' te hebben. De voor- en tegen-standers hielden elkaar dus zo ongeveer in evenwicht.
Uit de interviews blijkt ook dat, toen de Zeven December-divisie op 24 september 1946 zou worden ingescheept, er onder de dienstplichtigen heel wat waren die in eerste instantie niet waren teruggekeerd van hun inschepingsverlof.
Daar waren er zeker velen bij, die niet om principiële, politieke redenen, maar uit meer persoonlijk e motieven, zoals vrees voor het avontuur, opzagen tegen de reis. Dit boek houdt zich daarentegen in het bijzonder bezig met dienstplichtigen die wegens duidelijk principiële, politieke redenen geweigerd hebben zich te lenen voor militaire acties tegen de indonesische vrijheidsstrijd. Voor erkenning als weigeraars wegens 'ernstige gewetensbezwaren' kwamen de meesten niet in aanmerking, omdat zij gehoor hadden gegeven aan de oproep als dienstplichtigen op te komen.
De principiële dienstweigeraars werden door de militaire instanties, en evenzo door de krijgsraden die hen later berechtten, als 'deserteurs' aangemerkt. Deze term -- die ook door minister Pronk werd gebruikt, toen hij voor deze groep slachtoffers van het Indië-beleid officiële rehabilitatie bepleitte - is volkomen onjuist. Henny Zwart bezigt de enige juiste term: Indonesië-weigeraars.
De beschuldiging van desertie, hun behandeling als zodanig -- veel harder dan die van de oud-SS-ers -- hun veroordeling op die grond tot zware straffen, en hun behandeling als paria's na beëindiging van hun straftijd, dit alles is des te onrechtvaardiger, wanneer wij in aanmerking nemen dat zij het waren die gelijk hadden. Niet alleen qua politiek inzicht, maar ook in juridisch opzicht, gezien de ongrondwettigheid van hun uitzending naar Indonesië.
Gelijk hadden niet de toenmalige autoriteiten die hen op onmenselijke manier vervolgden wegens de standvastigheid van hun weigering. Een weigering tegen alle bedreigingen, repressie en vormen van geestelijke en lichamelijke intimidatie in.
Binnen de Nederlandse samenleving ontvingen deze weigeraars in het jaar 1946 brede steun. Al in augustus 1946 wees minister Jonkman op de stelselmatige propaganda zoals gevoerd door de Nederlandse Bond van Militairen, de Vereniging De Vredestichters en dergelijke. Een vergadering van de Bond van Militairen op 13 augustus te Utrecht was door ongeveer tweehonderd personen bijgewoond. En daar werd door een zekere J.W. Pootjes (in de wandeling professor Pootjes genoemd) geprotesteerd tegen de wijziging van artikel 192 van de Grondwet.
Op zaterdag, 22 september 1946, twee dagen voor het vertrek van de Boissevain vonden in Amsterdam grote protestdemonstraties plaats, waartegen de politie met zwaar geweld optrad. Op de vertrekdag brak in Amsterdam een massale proteststaking uit. Op de wagons van troepentreinen waren opschriften te lezen als "Vleestransport Amsterdam-Batavia".
Ook Henny Zwart wijst in haar boek op deze akties.

Er wordt wel beweerd dat de protesten alleen van communistische zijde kwamen. Maar dit kan ik uit eigen ervaring bestrijden.
Ik werd in 1946, na terugkeer uit Japanse internering op Java, al spoedig lid van de Vereniging Nederland-Indonesië, waaraan zowel door tal van sociaal- democraten als door protestantse groeperingen aktief werd deelgenomen.
Deze vereniging had ten doel te pleiten voor een vreedzame regeling van het conflict tussen de Nederlandse regering en de Indonesische Republiek. Door mijn ervaringen in Indonesië, gedurende vijftien jaren (1931-begin 1946), was ik overtuigd geworden van de rechtmatigheid en onvermijdelijkheid van de totstandkoming van een vrij Indonesië na het einde van de Tweede Wereldoorlog.
In november 1946, na de parafering van het 'Accoord van Linggadjati' tussen de Commissie-Generaal en de regering van de Republiek, bood de Vereniging Nederland-Indonesië aan regering en parlement een petitionnement aan. Daarin werd gepleit voor een vreedzame oplossing van het geschil. Het petitionnement was ondertekend door meer dan 230.000 Nederlanders.
Maar in de loop van 1947 liet de Partij van de Arbeid het afweten. Kort voor de eerste 'politionele actie' van 21 juli liet het bestuur van de PvdA de partijleden, die lid waren van de Vereniging Nederland-Indonesië , weten dat zij de vereniging dienden te verlaten, aangezien daarin ook communisten actief waren. Ik was intussen, na verhuizing naar Amsterdam, vice-voorzitter geworden van de vereniging, en zat op 23 juli, twee dagen dus na het begin van de 'politionele actie', een gemeenschappelijke vergadering voor van Bestuur en Raad van Overleg, waarvan ook nogal wat PvdA-ers lid waren.
Het unanieme bestuursvoorstel was een scherp gesteld protest-telegram te sturen aan de regering. Na enige discussie, waarbij het bestuur zijn voorstel handhaafde, verlieten de PvdA-leden van de Raad van Overleg de één na de ander de zaal. De laatste, die de zaal wilde verlaten -- hij had de hand al aan de knop van de deur -- was de heer Middendorp, gewezen assistent-resident in vooroorlogs Indië die bekend stand vanwege zijn anti-koloniale opvattingen. Ik kende hem en deed een persoonlijk beroep op hem in de zaal te blijven. Maar hij schudde z'n eerlijke, rood aangelopen kop, en draaide de knop om. 'Naar deze man kijken nu zeventig miljoen Indonesiërs', hoorde ik het bestuurslid Albert de la Court naast mij zeggen.

    Verontschuldigingen
Het boek van Henny Zwart levert dus een belangrijke bijdrage tot het 'Indië-debat'.
Moet het bij een debat blijven? Nee, de huidige regering, het 'Paarse Kabinet', heeft nu een morele en politieke plicht. Er is al van verschillende zijden aangedrongen op het aanbieden van verontschuldigingen. Zowel aan Indonesiërs als aan de Nederlandse veteranen die naar hun gevoel voor de vervulling van hun militaire plicht geen of te weinig erkenning hebben gekregen. (Zie daarvoor A. de Graaff, De heren worden bedankt.)
Wij moeten hier onderscheiden.
Verontschuldigingen aan het Indonesische volk vanwege het verlies van zo'n honderdduizend mensenlevens als gevolg van de 'politionele acties' kan ik mij voorstellen. Hoewel ik begrip heb voor de gevoelens van nogal wat Indische Nederlanders die bittere herinneringen hebben als slachtoffers van gewelddadigheden door ongeregelde Indonesische gewapende troepen tijdens de Bersiap-periode, de laatste maanden van 1945.
Maar in geen geval mag er sprake zijn van verontschuldigingen tegenover president Suharto die in 1965-1966 verantwoordelijk was voor de massamoord op vele honderdduizenden van zijn volksgenoten, en daar nooit met een woord verontschuldigingen voor heeft aangeboden. Integendeel.
Ik acht het dan ook juister dat onze Koningin haar staatsbezoek uitstelt tot er een nieuwe president van de Indonesische Republiek zal zijn opgetreden.
Het lijkt mij zeker niet zinloos dat onze regering zich verontschuldigt tegenover de veteranen en hun nabestaanden die in welke vorm dan ook slachtoffer zijn geworden van hun uitzending als dienstplichtig militair. Tot augustus 1947 zelfs in strijd met de Grondwet.
Wat is uitgebleven, is het naar behoren berechten van de militairen - van kapitein tot soldaat -- die zich volgens het officiële rapport van 1969 inderdaad schuldig hebben gemaakt aan 'excessen'. Het is zelfs denkbaar dat daarmee bij de overgrote meerderheid van de dienstplichtigen, die aan die excessen inderdaad onschuldig zijn, voorkomen had kunnen worden dat bij hen een gevoel ontstond voor die excessen medeverantwoordelijk te worden gesteld.

Maar de kern van de conclusie, die nog moet worden getrokken uit Er waren er die NIET gingen, vijftien eeuwen straf voor Indonesië-weigeraars is, dat in ieder geval de Indonesië-weigeraars die als deserteurs zijn vervolgd en gestraft, volledige rehabilitatie behoren te ontvangen vanwege het door hen geleden onrecht. Alleen op deze manier kan het 'Indië-debat' tot historische zowel als politieke en juridische zuiverheid bijdragen.
 

    Wim F. Wertheim

    Noten
1. C. Smit, De Indonesische queastie, Leiden 1952, pp. 90-91.
2. L. de Jong, het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, deel 12, Den Haag 1988, pp. 821 ev.
3. Officiële Bescheiden betreffende de Nederlands-Indonesische Betrekkingen 1945-1950, deel V, pp. 215-216.
4. Idem, p. 29.
5. Idem, pp. 265-266.