Ook toen in 1950 de Nederlandse SS-ers in Veenhuizen collectief gratie kregen, bleven Indonesië-weigeraars in de cel.
Eén van de laatste Indonesië-weigeraars die nog opgespoord en gepakt wordt, is de Amsterdammer Cor Vreeken. Hij heeft negen jaar als illegaal geleefd. In 1957 wordt hij gepakt.

Na negen jaar onderduik was het over

    "In februari 1957 werd ik aangehouden. Ik haalde net m'n bromfiets uit de stalling, toen ik op m'n schouders getikt werd. Twee mannen in burger. Ze zeiden dat ze eventjes wilden praten over m'n brommer, de verzekeringspapieren controleren. Dat kan , zeg ik nog. Of ik dan eventjes mee kon naar het bureau. Nou moest ik naar m'n werk en de bromfiets stond op naam van m'n zwager. Maar goed, ik stapte in een volkswagentje, waarin al twee man in burger zaten te wachten. Toen wist ik zeker dat ik niet met de verkeerspolitie te maken had, maar met rechercheurs.

Ik werd naar de marechaussekazerne in Amsterdam-Oost gereden en daar hoorde ik dat ik gepakt was, omdat ik gezocht werd voor desertie. Ze hadden me al drie maanden geschaduwd.
Toen ik binnen was, heb ik de wachtcommandant gevraagd of ik m'n jas even uit mocht doen. Nou, dat mocht, maar hij zei er bij: `Ja, dat zou ik maar doen, want de eerste tijd heb je voor buiten geen jas meer nodig.'
Er viel een last van me af, na negen jaar onderduik was het over. Ik werd verhoord en heel schappelijk behandeld. Na een paar dagen werd ik overgebracht naar Gilze Rijen. De kazerne waar ik in 1947 als militair gelegerd was geweest.

Toen ik in 1947 moest opkomen, heb ik m'n recrutentijd doorgebracht in de Kromhout-kazerne in Utrecht. Ik was ingedeeld bij de genie, ze noemden dat toen de pioniers. Later werd ik overgeplaatst naar Gilze Rijen. Toen bekend werd dat we naar Indonesië moesten, ben ik ondergedoken. Ik werd bij een familie in Amsterdam-Noord gebracht, vrienden van m'n zwager. De man was net als de man van m'n zuster, vrijgestelde van de EVC. Ik heb een tijdje in Noord gezeten tot ik een ander adres kreeg in Amsterdam-Zuid. Toen was het al 1949. Op dat adres kregen mijn vrouw Wil en ik, een zolderkamer. De datum, dat ik daar samen ging wonen met Wil, reken ik als onze trouwdag. Volgend jaar zijn we 47 jaar getrouwd, maar officieel gingen we pas in 1958 naar het stadhuis. Toen was onze zoon Cor al vier jaar.

Wil werkte in de verpleging. Maar toen ons kind er was, wilde ze niet ver meer van huis, ging ze wel in gemeentedienst, maar moest scholen schoonmaken in onze buurt. Ik werkte in de bouw, zwart. Ik kreeg geen vakantiebonnen, geen ziektegeld. Dus wat deed je, je werkte zo lang mogelijk door, want met vorst-verlet kreeg jij geen loon. Ik heb dat niet zo erg gevonden. Maar het resultaat ervan was wel dat ik met een angina door bleef lopen en tenslotte met een niervergiftiging drie maanden thuis moest liggen.
In die maanden zijn we geholpen door familie en collega's van de bouw. Die haalden iedere week geld op om mij toch aan een weekloontje te helpen. Er was een enorme solidariteit. Iedereen scheen te begrijpen waarom ik geweigerd had.
Kijk, als ik naar Indonesië gestuurd was met een troffel en een schep had ik gegaan. Maar als ze je een geweer meegeven, wordt toch verwacht dat je gaat schieten... Daarom heb ik geweigerd, daarom heb ik negen jaar ondergedoken gezeten.
Na Gilze Rijen werd ik al snel overgebracht naar het Huis van Bewaring in Den Bosch. Daar werd ik opnieuw verhoord en kreeg een gesprek met een psychiater.
Ook in Den Bosch werd ik keurig en correct behandeld. Ik mocht zelfs naar Amsterdam om te trouwen. Wel onder geleide van de marechaussee . Toen mijn zoon geboren werd en aangegeven moest worden, kreeg hij de achternaam van Wil, op de kleuterschool was hij ingeschreven als Cor Bruins. Bij dat trouwen is dat meteen rechtgezet. Het bij de geboorte aan het Bevolkingsregister opgegeven vader onbekend kon geschrapt worden, vader was weer boven water ... hoewel ... hij was nooit weg geweest.
De naam Bruins was trouwens bekend bij Militaire Zaken. Een broer van Wil, mijn zwager dus, had ook geweigerd naar Indonesië te gaan.

Na een maand of twee moest ik voorkomen. De krijgsraad heeft wel rekening gehouden met het feit dat mijn moeder in de oorlog omgekomen is. Ze werd in 1942 door de SD van huis gehaald. We hebben haar nooit teruggezien. September 1943 kregen wij, mijn zusters en ik, bericht dat ze in Vught overleden was. De begrafenis had al plaatsgevonden.
Direct na de arrestatie van m'n moeder heeft m'n zuster, die toen al getrouwd was, me in huis genomen. We waren volle wezen geworden, want m'n vader was al voor 1940 gestorven.
Ik kreeg een gevangenisstraf van vier maanden en werd ontslagen uit de militaire dienst. Alles bij elkaar genomen, viel het wel mee. Maar ook als ik een zware straf had gekregen, had ik niet gemoord.
Ik aanvaardde de gevolgen van mijn weigering en ik heb geen moeite gehad met mijn tijd in het Huis van Bewaring in Den Bosch. Ik wist dat ik voor een goede zaak zat. Van mijn weigering heb ik nooit spijt gehad.