De Gouverneur-Generaal van Nederlandsch-Indie

    aan den Minister van Kolonien.
 
 
 

BUITENZORG, 25 Februarij l873.

 
 

KABINET GEHEIM.
      __________

  N. 13, 1. P.
     ___________

  Nadat ik Uwer Excellentie den l6den dezer door middel van de telegraaf mededeeling had gedaan van het belangrijk berigt van den consul-generaal READ nopens de verraderlijke onderhandelingen door het Atjehsche gezantschap gedurende zijn kort verblijf te Singapore met de Amerikaansche en Italiaansche consuls aldaar tegen ons Gouvernement aangeknoopt, verzocht ik den Raad van Nederlandsch Indie den l7den d. a. v. te dezer zake met den gewenschten spoed te dienen van consideratien en advies (referte aan no. 127 van het mailrapport).
Alvorens aan deze uitnoodiging kon worden voldaan, gewerd mij Uwer Excellentie's uitvoerig cijfertelegram van den l9den dezer, waarbij de gedragslijn werd voorgeschreven, welke haar, met voorkennis van Ministerraad en Koning, in deze geraden voorkwam.
  Hierin heb ik aanleiding gevonden om den Raad van Nederlandsch-Indie en de Kommandanten der land- en zeemagt tot eene buitengewone vergadering zamen te roepen, welke den 2lsten dezer onder mijn voorzitterschap is gehouden.
  Ik leidde de vergadering in met kortelijk de omstandigheden in herinnering te brengen, die onze tegenwoordige verhouding tot Atjeh van lieverlede hadden in 't leven geroepen, en bleef meer bepaaldelijk stilstaan bij de feiten, die op dit oogenblik in zoo hooge mate de aandacht van het Indisch en het Opperbestuur bezig houden, terwijl ik al aanstonds als mijn gevoelen te kennen gaf, dat zoo spoedig mogelijk een hooggeplaatst landsdienaar als commissaris naar Atjeh moest vertrekken, vergezeld van de noodige schepen en troepen, om zijne eischen klem bij te zetten, en bij eventuële weigering van den Sultan, om onze souvereiniteit te erkennen , terstond ons gezag door de wapenen te doen eerbiedigen.
  Algemeen was men het met Uwe Excellentie en mij eens, dat een onverwijld en krachtdadig optreden onzerzijds dringend wordt gevorderd, en dat aan een landsdienaar van hoogen rang de politieke leiding der aangelegenheden behoort te worden opgedragen, met volmagt om , overeenkomstig eene nader te ontwerpen instructie, den Sultan van Atjeh opheldering te vragen omtrent zijn trouweloos gedrag, en van hem te eischen onze soevereiniteit te erkennen.
  Omtrent den materieelen steun, aan den Gouvernements-Commissaris te verleenen, bestond aanvankelijk eenig verschil van gevoelen. Terwijl een gedeelte van den Raad van Nederlandsch-Indie 't voorshands voldoende zou achten dien Commissaris alleen door eene flinke zeemagt te doen vergezellen , en inmiddels de vereischte strijdkrachten in gereedheid te brengen om op het eerste berigt eener onverhoopte mislukking der politieke onderhandelingen naar Atjeh te worden overgevoerd, vereenigden de andere leden van den Raad zich geheel met de door mij uiteengezette zienswijze, dat op die wijze een kostbare tijd zoude verloren gaan, waardoor wij, ook met het oog op den moesson, welligt te laat zouden komen en ons dus voor een fait accompli zouden zien geplaatst, in stede van er een daar te stellen, en achtte men 't zoowel om aan de zending meer klem bij te zetten, als om de zwaarwigtige taak van den Commissaris te verligten, doeltreffender, om land- en zee-magt al dadelijk gecombineerd te doen optreden, ten einde - zo noodig - onverwijld te kunnen ageeren.
  Deze laatste opvatting kwam ook geheel met de inzigten van den legerkommandant overeen, en de vlootvoogd sloot zich daarbij aan, mits de expeditie, in verband met zeevaartkundige bedenkingen, uiterlijk ultimo Maart a. s. tot vertrek volkomen gereed zij.
  Hoezeer de legerkommandent zich de moeijelijkheden niet ontveinsde, welke, ook met het oog op de nieuwe bewapening der troepen en de daarmede gepaard gaande oefenings-methode, aan de organisatie van eene groote strijdmagt in een betrekkelijk kort tijdsbestek verbonden waren, verzekerde hij nogtans, op mijne tot hem gerigte pertinente vraag, uiterlijk ultimo Maart a. s. zeker, maar zoo mogelijk vóór dat tijdstip de expeditie te kunnen doen vertrekken.
  Met betrekking tot de talrijkheid onzer strijdmagt, wenschte de generaal KROESEN, bij de volkomen onbekendheid met de getalsterkte van den vijand, de expeditie zoodanig zamengesteld te zien , dat een échec onzerzijds niet ligt mogelijk zij. Daartoe acht hij de volgende organisatie voldoende:
  drie bataillons infanterie van het leger, uitmakende p. m. 1800 man één bataillon barisans van Madura p. m. 600 à 800 man;
  één halve batterij getrokken vierponders, en een halve batterij berghouwitsers met acht mortieren ;
  één compagnie sappeurs, p. m. 120 man, en, zoo dit niet te veel plaats vordert, één detachement cavallerie van vijftig paarden;
  voorts een duizendtal dwangarbeiders of vrije koelies, en voorloopig voor twee maanden vivres.
  Van de diensten der barisans van Madura zoude de legerkommandant thans partij willen zien trekken, ten einde dat element later welligt met meer voordeel te kunnen benuttigen, wanneer onverhoopt de zending naar Lomhok, bedoeld aan het slot van dezen brief, tot verwikkelingen aldaar aanleiding mogt geven.
Overeenkomstig den wensch van den legerbevelhebbor heb ik intusschen aan den resident van Madura het volgend telegram doen rigten:
Voor gewigtige onderneming zijn noodig zes à acht honderd man barisans, welke casu quo uiterlijk vijftien Maart a. s. van Madura moeten vertrekken. Verzoeke onmiddellijk telegrafisch antwoord, na zeer omzigtig onderzoek , en handel in overleg met kommandant 3de afdeeling".
  In verband met zoo beduidende magtsontwikkeling, als boven is vermeld, achtte de vlootvoogd eene zeemagt noodig van zes stoomschepen benevens eenige gouvernements-vaartuigen en stoombarkassen. Tevens verklaarde hij zich bereid deze flotille te kommandeeren.
  Na deze toelichting op krijgskundig gebied het kwestieuse punt nogmaals behandelende, bleek het dat alsnu al de aanwezigen zich geheel met mijn gevoelen konden vereenigen, om gelijktijdig met de zending van den Gouvernements-Commissaris de land- en zeemagt tot de voorgestelde sterkte vereenigd te doen optreden.
  Ik vermeen dat hier met de noodige klem en de meest mogelijke voortvarendheid behoort te worden gehandeld , ten einde bij tijds vreemde invloeden en elementen uit Noordelijk-Sumatra te weren. Daarvoor acht ik eene flinke magtsontwikkeling bepaald noodig.
  In een vraagstuk van zooveel gewigt en zoo ver strekkende gevolgen , als het onderwerpelijke, dient mijns inziens de financieele zijde , die hier mede ter sprake kwam, achter te staan. Bovendien is het zeer twijfelachtig , of eene andere taktiek bij de uitkomst blijken zou minder kostbaar te zijn.
  De mogelijkheid bestaat nu - zoo niet de waarschijnlijkheid - dat Atjeh door eene sterke magtsvertooning in vredelievende stemming gerake, terwijl ik mij overtuigd houd dat zonder dat magtsvertoon het but stellig niet terstond - en misschien niet eens later zal worden bereikt. Ik beschouw daarom de groote uitgaven , aan het eenstemmig goedgekeurd plan verbonden , niet alleen dringend noodzakelijk, maar houd mij overtuigd dat zij nog veel grooter uitgaven - bij later handelend optreden - zullen uitwinnen en menschenlevens zullen sparen.
  Met voordacht heb ik bij dit punt een poos stilgestaan , omdat het vereenigd optreden van land- en zeemagt eene afwijking daarstelt van het daaromtrent voorkomende in Uwer Excellentie's voormeld telegram.
  Vervolgens stelde ik de vraag aan wien de politieke leiding der onderwerpelijke aangelegenheid behoort te worden opgedragen?

Algemeen werd 's Raads Vice-President, de heer F. N. NIEUWENHUYZEN, als de aangewezen persoon bij uitnemendheid daarvoor beschouwd.
  Dit was reeds mijne meening , toen ik mij , nog vóór de ntvangst van Uwer Excellentie's meergemeld telegram, ter zake met dien hooggeplaatsten landsdienaar onderhield, en hem tot eene taak van zooveel gewigt en omvang al voort volkomen bereid bevond.
  Sedert echter was mijne aandacht gevallen op de beslissing des Konings, medegedeeld bij de ministerieele depêche van 24 Augustus 1859, 1. A 14/ n. 11, Kabinet, namelijk dat artikel 36 van het Regeringsreglement niet toelaat dat de daarin bedoelde bijzondere commissien en zendingen aan den Vice-President van den Raad van Nederlandsch-Indie worden opgedragen, en dat de Koning verlangt, dat dit artikel toekomstig volgens die uitlegging worde toegepast.
  Met deze beslissing zoude derhalve de bovenbedoelde opdragt aan den heer NIEUWENHUYZEN in strijd zijn.
  Evenwel meende men de aandacht te moeten vestigen op de strekking van Uwer Excellentie's telegram , waarbij - immers met voorkennis van Ministerraad en Koning - aan het slot de vraag werd geopperd of onder de tegenwoordige omstandigheden 's Raads Vice-President niet de meest gewenschte commissaris zoude zijn. Sloot dit - zoo werd gevraagd - niet in zich eene zekere bevoegdheid, om ten deze van 's Koning voormelde beslissing af te wijken ?
  Hoezeer voor deze opvatting volgens aller meening wel eenige grond bestaat, vond men het nogtans met mij voorzigtig ter zake vooraf bij Uwe Excellentie door middel van de telegraaf inlichting te vragen. Dit is geschied bij mijn cijfertelegram van 22 dezer, geëxpedieerd van Buitenzorg des morgens te zeven ure, en luidende:
  Raad van Nederlandsch-Indie te Batavia is door mij gepresideerd. Generaal en Admiraal present. Eenstemmig is op mijn voorstel besloten zoo spoedig mogelijk Commissaris met vier bataillons naar Atjeh te zenden met ultimatum ons als souverein te erkennen of oorlog. Wij moeten Amerika met fait accompli ontvangen. Vice-President is de man. Wil bezwaar ministerieele depêche 24 Augustus 1859 opheffen. Wil zenden per het Suezkanaal nog twee flinke stoomschepen boven die in uw telegram. Koopman nog drie maanden onbruikbaar. Toestand marine treurig".
  Het onderwerpelijke bezwaar is inmiddels opgeheven door Uwer Excellentie's telegram van 23 dezer.
  Op mijne vraag, aan welken hoofdofficier de leiding der militaire aangelegenheden behoort te worden opgedragen, deelde de legerkommandant mede, dat, zoo niet de benoemde luitenant-generaal N. H. W. S. WHITTON met 1. April aanstaande het kommando over het Indisch leger moest aanvaarden , zeer zeker aan dien generaal-officier de leiding der militaire operatien behoorde te worden toevertrouwd. In de gegeven omstandigheden echter meende de generaal KROESEN den benoemden generaal-majoor J. H. R. KÖHLER, thans militair kommandant ter Sumatra's Westkust, als een kundig en ervaren krijgsoverste voor die zwaarwigtige taak te moeten aanbevelen.
  Evenmin als de overige adviseurs had ik hiertegen eenige bedenking, terwijl ook de Vice-President, als vermoedelijke commissaris, zich met die keuze volkomen vereenigde.
  Minder eenstemmig dacht men omtrent de gewigtige vraag, wie het bevel over de geheele expeditie zou voeren ? In 't bijzonder waren 't de Kommandenten der zee- en landmagt, die elkander op dit punt bestreden, en ieder hunner zijne meening volhield: de eerstgenoemde, dat de bevelvoerende officier der marine, de laatstgemelde dat de generaal der troepen de algemeene leiding in handen diende te hebben.
  Tegenover deze meeningen vond aanvankelijk bij de overige adviseurs het denkbeeld ingang, om het kommando gedurende den overtogt der troepen op te dragen aan den bevelvoerenden marine-officier, die het bij of na de landing der troepen zou overdragen aan den kommandant der militaire expeditie; doch dit denkbeeld werd even ras weder losgelaten, nadat de Kommaadanten der land- en zeemagt, mijns inziens teregt, hadden aangetoond, dat zoodanige transactie ligt tot conflicten zou kunnen leiden.
  Als mijn gevoelen gaf ik alsnu te kennen, dat omtrent dit cardinale punt geen twijfel hoegenaamd mogt bestaan, wijl verdeeldheid van gezag noodlottige gevolgen zou kunnen hebben.

Met de genoemde Kommandanten kwam het mij voor, dat het oppergezag der militaire aangelegenheden zich in handen van één en denzelfden persoon moest bevinden, en nu stelde ik aan de vergadering - ter beëindiging der discussie - de volgende thesis voor:
  Het is rationeel dat het oppergezag worde toevertrouwd aan den kommandant van het wapen (land- of zeemagt), dat in de voorgenomen expeditie de hoofdrol moet vervullen, dus in casu de kommandant der landmagt.
  Met uitzondering van den Vice-Admiraal, was men eenparig van gevoelen, dat het zwaartepunt hier bij het leger berustte. Dienvolgens werd besloten het kommando over de expeditie c. q. op te dragen aan den generaal-majoor KÖHLER, die door den legerkommandant tijdig herwaarts zou worden opgeroepen.
  Dat de Vice-Admiraal, tengevolge van deze beslissing, vermeende zijn aanbod, om zich aan het hoofd der flotille te stellen, te moeten terugtrekken, achtte men volkomen gewettigd.
  Hulde brengende aan zijn aanvankelijk aanbod, verzocht ik alsnu den vlootvoogd een hoofdofficier der marine te willen aanwijzen, die zijns inziens de volkomen geschiktheid bezit voor het bevel over de maritieme magt.
  Zijne keuze viel onmiddellijk op den kapitein-ter-zee J. F. KOOPMAN, adjudant des Konings in buitengewone dienst, den oudste in rang van de in Nederlandsch-Indie aanwezige hoofd-officieren der marine, die Atjeh meer bezocht; - eene keuze, waarmede de vergadering zich volkomen vereenigde.
  Dit is in korte trekken het resultaat der beraadslagingen over een vraagstuk, van welks bijzonder gewigt de geheele vergadering ten volle doordrongen was.
  Den Kommandanten van de land- en zeemagt verzocht ik, al voort die maatregelen te nemen en te doen nemen welke in 't belang der expeditie noodig mogten zijn, terwijl ik hun in 't bijzonder aanbeval de meest mogelijke voortvarendheid en stiptheid ten deze te betrachten , en in 't algemeen de noodzakelijkheid aantoonde om de zaak - althans haar doel en hare eindbestemming - geheim te houden.
  Bij herhaling heb ik daarna nog bij den legerkommandant op den meesten spoed aangedrongen en doen aandringen, daar het welslagen der expeditie mijns inziens grootendeels - zoo niet geheel - daarvan afhangt.
  Intusschen ontving ik met de mailboot, die den 23sten dezer ter reede Batavia aankwam, het met de bijlagen in afschrift hiernevensgaand rapport van den Consul-generaal READ van den 2Osten te voren, n. 25, waarin het verraad van Atjeh wordt bevestigd.
  Ik althans twijfel niet aan de juistheid van het berigt van den Consul-generaal, zoomin als deze het zelf doet. De brief aan den Sultan van Turkije en de zending naar den heer THIERS versterken zoo mogelijk mijne overtuiging. Op mathematische zekerheid kan ik niet wachten.
  De kennisname dier bescheiden heeft dus geen wijziging gebragt in mijn oordeel omtrent de noodzakelijkheid der expeditie. Ze is eene uitgemaakte zaak, zelfs al mogt de verzekering worden ontvangen dat het Amerikaansch Gouvernement - van het Italiaansche is, zoo als uit de van Uwe Excellentie ontvangen berigten blijkt, waarschijnlijk niets te vreezen , - zich van alle inmenging ten opzigte van Atjeh zal onthouden.
  Aan de dubbelzinnige politiek toch van Atjeh jegens het Nederlandsch gouvernement dient een eind te komen. Dat rijk blijft ons zwak punt, wat Sumatra betreft. Zoo lang het onze souvereiniteit niet erkent, blijft vreemde tusschenkomst ons als 't zwaard van Damocles bedreigen. Eene missie - en wel zoo spoedig mogelijk - blijft noodig om, als 't kan, ons doel langs vredelievenden weg te bereiken. Van het welslagen dier zending hangt alles af. Door vier bataillons gesteund, is dat succès nagenoeg zeker; - zonder die militaire vertooning is 't bijna zeker dat Atjeh de zaak slepende zal houden , in afwachting van vreemde tusschenkomst. Er zouden derhalve later toch troepen derwaarts gezonden moeten worden, maar dan welligt te laat! Het fait-accompli is 't eenig redmiddel, en het wordt door 't gepleegd verraad en bij de vijandige gezindheid, welke Aijeh ons voortdurend betoont, - zelfs volgens de eigen verklaring der gezanten omtrent de regerings-partij, - volkomen geregtvaardigd. Nederland kan zijn bestaan op- en rustig bezit van Sumatra niet langer afhankelijk stellen van de luimen van een ons vijandigen staat aldaar.
Atjeh heeft den teerling geworpen.

Onze waardigheid gebiedt een krachtig optreden, zoowel tegenover het buitenland, als tegenover onze eigene bezittingen, die ons met oplettende blikken gadeslaan.
  Die het doel wil, moet ook de middelen willen, waar die geoorloofd, ja gewettigd zijn door het regt van zelfbeboud. De geldelijke opofferingen kunnen ons, gelijk ik boven reeds zeide, schatten en menschenlevens sparen.
  Op deze gronden vermeen ik te moeten volharden bij de eenmaal genomen beslissing.
  Hiervan, en van den inhoud van Uwer Excellentie's telegram van 23 dezer betreffende de opheffing van het bezwaar tegen de zending van 's Raads Vice-President, heb ik den Raad van Nederlandsch-Iudie en den Kommandanten van de land- en zeemagt kennis gegeven.
  Om zooveel mogelijk te voorkomen dat de zaak ruchtbaarheid erlange, heb ik den redacteurs en uitgevers der verschillende particuliere bladen in Nederlandsch-Indie doen verzoeken, in 's lands belang alle geruchten of berigten omtrent eene aanstaande expeditie onvermeld te laten. Voorts heb ik den chef der telegrafie uitgenoodigd, om alle particuliere telegrammen naar het buitenland, waarin van de expeditie naar Atjeh gewag wordt gemaakt, te weigeren (art. 19 van Staatsblad 1871, n. 19).
  De zaak is toch bekend, maar ze wordt nu ten minste niet in 't publiek bediscussiëerd.
   De heeren NETSCHER, SCHIFF en VON DE WALL en de Consul-generaal READ worden met de voorgenomen plannen in wetenschap gesteld, terwijl ik verder bedacht blijf op al, wat de goede uitvoering dezer gewigtige onderneming bevorderlijk kan zijn.
  Mij voorloopig tot bovenstaande mededeelingen bepalende, stel ik mij voor Uwer Excellentie geregeld en tot in de minste bijzonderheden op de hoogte te houden van den verderen loop der Atjehsche aangelegenheden.
  Ik voeg hierbij afschriften van al de te dezer zake gewisselde telegrammen en van de missive van den legerkommandant van den 23sten dezer, 1 N. geheim, houdende - naar aanleiding van art. 12 der instructie, vastgesteld bij Koninklijk besluit van 16 Julij 1860 n. 43, mededeeling, dat de verwijdering der expeditionaire troepen naar Atjeh geen nadeeligen invloed zal uitoefenen op het behoud of de verdediging van het eiland Java.
  Ten slotte mag ik niet onvermeld laten, dat in de buitengewone vergadering, op voorstel van het raadslid den heer H. M. ANDRÉE WILTENS, nog werd besloten de politieke zending van den resident P. L. VAN BLOEMEN WAANDERS naar Lomhok, bedoeld bij mijne depêche van 11 dezer, n. 9/ 1, L. geheim , voorloopig uit te stellen in verband met de voorgenomen expeditie naar Atjeh.
  De hiervoor gevorderde buitengewone magtsontwikkeling toch maakt het ten zeerste raadzaam onze strijdkrachten te concentreeren, en derhalve zooveel mogelijk verwikkelingen elders te voorkomen.
  Van deze beslissing heb ik den heer BLOEMEN WAANDERS per telegraaf kennis gegeven.
 

De Gouverneur-generaal van Nederlandsch-Indie,

(get.) J. LOUDON.

______________
[Terug]