2. De Gouverneur-Generaal aan
den Minister van Kolonien.

  

BUITENZORG, 4 Maart 1873.

  G E H E I M.

 N. 14, L. R.

   Bij mijnen kabinetsbrief van 25 Februarij jl. n. 13, l. P, zeer geheim, deelde ik Uwer Excellentie het resultaat mede van het besprokene in de buitengewone vergadering van den Raad van Nederlandsch-Indie van den 2lsten te voren, met betrekking tot onze jegens Atjeh verder aan te nemen gedragslijn.
Sedert ontving ik van eene belangstellende zijde de vertrouwelijke mededeeling, dat bij een der aanzienlijkste handelshuizen te Batavia een telegram was ontvangen , het berigt bevattende, dat het Gouveruement der Vereenigde Staten van Noord-Amerika den kommendant der in de Chinesche wateren aanwezige Amerikaansche vloot, welke zich vermoedelijk voor Hongkong bevond, had gelast zich onverwijld naar Atjeh te begeven.
Mij kwam dit berigt niet geheel onwaarschijnlijk voor, vermits ons tot dusver wel van de zijde van Italie, maar nog niet van den kant van Amerika onthouding in het Atjehsche vraagstuk was toegezegd.
In elk geval achtte ik het raadzaam eene buitengewone vergadering van den Raad van Nederlandsch-Indie te beleggen, ten einde gezamenlijk te beraadslagen, welke maatregelen ten deze nader behoorden te worden genomen.
De vergadering, bijgewoond door de Kommandanten der land- en zeemagt, heeft den 2den dezer onder mijn voorzitterschap plaats gehad.
Nadat ik de aanwezigen met het doel dezer zitting had bekend gemaakt, stelde ik de vraag, of het bovenbedoeld gerucht wijziging zou moeten brengen in de eenmaal aangenomen beslissing, dat de Gouvernements-Commissaris voor Atjeh, de heer NIEUWENHUYZEN, gezamenlijk met de aangeduide strijdmagt derwaarts zou vertrekken, en zoo ja, of zou moeten worden teruggekomen op het aanvankelijk geopperd denkbeeld, dat de Gouvernements-Commissaris zoo spoedig mogelijk dient vooruit te gaan , om de Amerikanen vóór te zijn.
Als mijne meening gaf ik ook thans weder te kennen, dat er met de meest mogelijke voortvarendheid behoorde te worden gehandeld. Van 't grootste belang achtte ik 't, dat de Gouvernements-Commissaris de Amerikanen vóór was, om met meer vrijheid en klem aan Atjeh onze eischen te stellen , en hen voor een fait accompli te plaatsen , namelijk eene oorlogsverklaring, als Atjeh ons ultimatum mogt verwerpen.
Voorts achtte ik het noodig er in 't bijzonder nog de aandacht op te vestigen , dat thans, bij den gevorderden spoed, - die ons belet den heer NIEUWENHUYZEN van de noodige strijdkrachten te doen vergezellen , - de zaak meer uit een volkenregtelijk oogpunt moest worden beschouwd. Mogt Amerika vóór onze komst met Atjeh feitelijk betrekkingen hebben aangeknoopt, dan zouden zij ons in regten vóór zijn, terwijl in het omgekeerde geval, wanneer wij vóór de komst der Amerikanen den Sultan onze eischen hebben gesteld, het voordeel geheel aan onze zijde zou zijn. Er zoude dan voor ons een regtstoestand geboren zijn, welke niet kan worden weggecijferd. En nu opperde ik deze vraag: zoo wij Amerika voor het bovenbedoeld fait accompli hebben geplaatst, zou die mogendheid dan met eenig regt tusschen beide treden? Algemeen werd die vraag ontkennend beantwoord.
Men vroeg nu: indien de Gouvernements-Commissaris ten spoedigste vertrekt met het drie- of viertal beschikbare bodems , is 't dan in geval eener oorlogsverklaring wel noodig dat men met die maritieme magt al dadelijk overga tot het plegen van vijandelijkheden?
Met een beroep op de geschiedenis o. a. van den jongsten krijg tusschen Frankrijk en Duitschland meende ik op het tweede gedeelte dier vraag een ontkennend antwoord te moeten laten volgen.
Na de onmiddellijke eischen eener oorlogsverklaring, ook in verband met 't geen ORTOLAN en WHEATON daaromtrent uitspreken, eene wijl te hebben in beschouwing genomen, en na van den Vlootvoogd de herhaalde verzekering te hebben ontvangen , dat de Amerikaansche vloot c. q. een viertal weken zoude noodig hebben om van Hongkong naar Atjeh te stoomen maakte ik aan de uitvoerige discussies een einde, door de volgende oplossing in overweging te geven: Wanneer den 7den dezer nog geen antwoord van Uwe Excellentie mogt zijn ontvangen op mijn telegram van den 2den te voren om inlichtingen nopens het bovenbedoeld gerucht , vertrekt de Gouvernements-Commissaris den 8sten met twee schepen, namelijk de Citadel van Antwerpen en de Siak, van hier naar Poeloe Pinang, na zich vooraf zoo kort mogelijk te Riouw en Singapore met den resident SCHIFF en den Consul-Generaal READ te hebben in verbinding gesteld in het meeste belang zijner zending. Te Poeloe Pinang neemt de Commissaris het aldaar aanwezig tot zijn gevolg behoorend personeel op, waarna hij met twee andere vaartuigen, de Coehoorn en de Marnix, versterkt, naar Atjeh vertrekt, dan Sultan opening van zaken doet, een ultimatum stelt, en bij weigering van dezen om onze souvereiniteit te erkennen, den oorlog verklaart, met drie schepen naar Poeloe Pinang terugkeert om er de komst der expeditie af te wachten, terwijl het vierde vaartuig voor Atjeh blijft kruisen, om, bij onverhoopte komst van oorlogsbodems onder vreemde vlag, den betrokken bevelhebber mede te deelen dat wij met gemeld rijk in oorlog zijn, en hem te verzoeken geene betrekkingen met hetzelve aan te knoopen. Intusschen gaan hier de voorbereidende maatregelen voor de expeditie voort, vermits nu minder kansen bestaan voor eens vredelievende oplossing, en de expeditie met 't oog op den moesson c. q. in deze maand moet vertrekken.
Dit plan wordt eenstemmig goedgekeurd en dienovereenkomstig besloten.
Bij het bespreken der voor den Gouvernements-Commissaris te ontwerpen instructie, deelde ik als mijn pertinent gevoelen mede, dat het mij alleen te doen was om Atjeh onze souvereiniteit te doen erkennen, en daardoor vreemden invloed van Sumatra te weren, met andere woorden om het buitenland buiten onze zaken te houden. Bestaat er eenige kans op toegeven van de zijde van Atjeh, dan zoude die mijns inziens geheel verspeeld worden door zwaardere eischen te stellen. Erkent Atjeh ons oppergezag, dan zijn wij tegenover het buitenland gedekt, en ons but is voorloopig bereikt, al moeten wij dan ook later welligt nog eens in aanraking of conflict met dat rijk komen. Weigert daarentegen Atjeh aan onzen eisch te voldoen, dan verandert de zaak van aard, en kunnen wij, wanneer eenmaal de wapenen ontbloot zijn, zwaarder voorwaarden stellen. Hoe 't zij, wil men de mogelijkheid van vredelievende oplossing niet geheel verspelen, dan dienen de voorwaarden zoo weinige en aannemelijk mogelijk te zijn; zij dienen zich tot de onvermijdelijk noodzakelijke te bepalen.
Dat de Raad van Nederlandsch-lndie het ook in dit opzigt met mij eens is, zal Uwer Excellentie blijken uit zijn advies van den 3den dezer, n. 1, het welk ik de eer heb in afschrift hiernevens aan te bieden met mijn besluit van heden, l. R , zeer geheim, waarbij de voet, waarop de zending des heeren NIEUWENHUYZEN berust, geregeld, en zijne instructie vastgesteld is.
Ook van de sedert mijn kabinetsschrijven van 25 Februarij jl., n. 15 l. G, zeer geheim, gewisselde bescheiden en telegrammen betreffende de Atjehsche zaak, waaronder het rapport van den resident van Riouw van 24 Februarij, l. W4 geheim en bijlagen, voeg ik afschriften hierbij.

De Gouverneur-Generaal van Nederlandsch-Indie,

(get.) J. LOUDON.  

______________
[Terug]