1. Instructie voor den Gouvernements- Commissaris voor Atjeh.

In aanmerking nemende:

dat het hij herhaling gebleken is dat de bestuurders van Atjeh de ernstige voornemens en welwillende bedoelingen miskend hebben, door het Nederlandsch Gouvernement betoond om de onderlinge vijandelijkheden, welke zeer ten nadele der algemeene belangen van handel en scheepvaart strekken , in de aan gemeld rijk onderhoorige staatjes te keeren, en eene goed geregelde verstandhouding tot dat Gouvernement in 't leven te roepen, en dat zij de deswege gedane dringende vertoogen hebben in den wind geslagen;
dat zij onlangs met vijandige bedoelingen te Singapore de tusschenkomst van buitenlandsche mogendheden tegen het Nederlandsch Gouvernement hebben ingeroepen, bij monde van dezelfde gezanten, die onder het masker van vriendschap en goede trouw naar Riouw waren afgevaardigd, om aan den resident van dat gewest, van wien zij bescherming ondervonden, uitstel te vragen van de politieke zending bedoeld bij het geheim besluit van 31 Augustus 1872, l. H;
dat de bestuurders van Atjeh door zoodanige handelingen artikel 1 der op 30 Maart 1857 met dat rijk gesloten overeenkomst van vrede, vriendschap en handel hebben geschonden, en het overtuigend gebleken is dat op hunne goede tronw geen staat kan worden gemaakt; dat het voor Nederland's bestaan op- en rustig bezit van Sumatra, en met het oog op de belangen welke het Gouvernement op dat eiland en in den Indischen Archipel in 't algemeen te behartigen heeft, dringend noodzakelijk is om aan den overmoed en de dubbelzinnige staatkunde van de bestuurders van Atjeh voor goed een eind te maken;
zoo is, met intrekking van voorschreven zending, bij het Gouvernements-besluit van 4 Maart 1873, l. R. geheim, aan den heer F. N. NIEUWENHUIZEN, Vice-President van den Raad van Nederlandsch-Indie, opgedragen om zich naar Atjeh te begeven, met het doel om aan de bestuurders van dat rijk opheldering te vragen van hun trouweloos gedrag, en van hen te eischen de erkenning der opperheerschappij van Nederland.

Artikel 1.

De Gouvernements-Commissaris begeeft zich den . . . . Maart 1873 met Zr. Ms. stoomschip Citadel van Antwerpen en gevolgd door het vaartuig der Gouvernements-marine Siak eerst naar Riouw en daarna naar Singapore, ten einde zich met den resident van voormeld gewest en den Consul-generaal READ in het meeste helang zijner zending te onderhouden.
Daarna vervolgt hij met de beide genoemde bodems en de stoomschepen Coehoorn en Marnix den togt naar Poeloe-Pinang om van daar zijne reis naar Atjeh te vervolgen.

Artikel 2.

Ter reede van Atjeh aangekomen, geeft de Commissaris, met inachtneming der noodige formaliteiten, aan den Sultan van dat rijk kennis van de reden zijner komst. Dit geschiedt bij een document, waarin opheldering wordt gevraagd omtrent het dubbelzinnig gedrag door de Atjehsche gezanten te Singapore betoond, het verraderlijke daarvan op ernstige wijze wordt aangetoond en verder medegedeeld, dat het Gouvernement met het oog op de roeping welke het op het eiland Sumatra te vervullen, en de belangen welke het in 't algemeen te behartigen heeft, dergelijke politiek niet langer kan dulden en mitsdien van hem, Sultan, eischt dat hij binnen den tijd van 24 uren na ontvangst van voormeld document het oppergezag van Nederland erkenne.

Artikel 3.
Indien de Sultan aan dien eisch gehoor geeft, doet de Gouvernements-Commissaris daarvan eene acte in triplo opmaken, waarna door dezen met inachtneming der noodige formaliteiten , krachtens magtiging en onder nadere goedkeuring van den Gouverneur-Generaal, wordt overgegaan tot de aanvaarding der souvereiniteit.

Artikel 4.

Wanneer de Sultan aan den bovenbedoelden eisch niet - of niet binnen den gestelden termijn - onvoorwaardelijk voldoet, verklaart de Gouvernements-Cominissaris hem bij een gemotiveerd manifest namens het Gouvernement den oorlog. Daarna keert de Gouvernements-Commissaris terug naar Poeloe-Pinang, van waar hij per telegraaf den stand van zaken aan de Regering mededeelt en de expeditionaire magt afwacht om gezamenlijk met haar weder naar Atjeh te stoomen.
Intusschen moeten de zee en omstreken van Atjeh bekruist blijven, om , bijaldien eene vreemde Mogendbeid zich met den Sultan in verbinding mogt komen stellen, met inachtneming van de noodige etiquette en met vermijding van elke daad van vijandelijkheid jegens haar, onze oorlogsverhouding tot gemeld rijk bloot te leggen.

Artikel 5.

Wanneer bij aankomst of gedurende het verblijf van den Gouvernements-Commissaris te Atjeh eene vreemde magt aldaar aanwezig is of verschijnt, en met de bestuurders van dat rijk onderhandelingen heeft aangeknoopt of wenscht aan te knoopen , zal de Gouvernements-Commissaris daartegen krachtig protest aanteekenen, onder bekendstelling van de verhouding waarin Atjeh tot het Nederlandsch-Indisch Gouvernement staat en van de reden zijner komst. Daarna zal hij handelen zou als hem het meest geraden voorkomt, met dien verstande dat onmiddellijke conflicten met het buitenland worden vermeden.

Artikel 6.

Wanneer het onverhoopt tot een oorlog met Atjeh mogt geraken en dat rijk voor onze wapenen zwicht, zal de Gouvernements-Commissaris eenige meerdere eischen kunnen stellen. Daarbij zal hij evenwel in het oog moeten houden , dat van eene vestiging op of bezetting van Atjeh vooralsnog geen sprake kan zijn.

Artikel 7.

De Gouvernements-Commissaris beslist:

  1. ten aanzien van het al of niet voortduren van door de militaire overheden , bij aanraking met de hoofden van het vijandige volk, verleende kortstondige wapenschorsingen;
  2. ten aanzien van het sluiten van wapenstilstand;
  3. ten aanzien van aangeboden wordende voorwaarden van onderwerping;
  4. onder nadere goedkeuring van den Gouverneur-Generaal, ten aanzien van het al dan niet voortduren van een af te kondigen embargo en blokkade, en
  5. ten aanzien van alles, uitgezonderd het beleid der militaire operatien, wat op de eindregeling der zaken direct of indirect van invloed kan zijn of door hem wordt beschouwd als die strekking te hebben.

Artikel 8.

In alles wat de uitvoering zijner zending betreft, heeft de Gouvernements-Commissaris ampele macht, en zijn alle autoriteiten, welke met hem in aanraking komen, aan hem medewerking en gehoorzaamheid verschuldigd.

Artikel 9.

De Gouvernements-Commissaris zal bij zijne terugkomst te Batavia aan de Regering een uitvoerig verslag omtrent zijne zending indienen, vergezeld van de noodige voorstellen ter zake, en intusschen elke zich voordoende geschikte gelegenheid aangrijpen om haar op de hoogte te stellen van den loop dier missie.

______________
[Terug]