b. De Resident van Riouw aan

Gouverneur-Generaal. (Extract.)

Riouw, 24 Februarij 1873.

L. W4.

 

G E H E I M.

 

Met referte een mijn telegram van den 21sten jl., heb ik de eer Uwer Excellentie mede te deelen, dat op den avond van den 20sten dezer omstreeks 7 uur zich bij mij aanmeldde TONGKOE MOHAMAD ARIFFIN, mij overhandigende de beide in originali hierbij gaande particuliere brieven van onzen Consul-generaal W. H. READ, de eene zonder dagteekening, de andere van den 15den jl.
De inhoud dier brieven komt in substantie hierop neder, dat de Atjehsche gezanten, tijdens zij met Zr. Ms. stoomschip Marnix te Singapore vertoefden met het doel om hunne reeds te Riouw aangeknoopte onderhandelingen , tot het aankoopen op last des Sultans van een stoomschip, te beëindigen, in strijd met de te Tandjong Pinang herhaaldelijk gegeven plegtige verzekeringen hunner goede trouw en gezindheid om het Rijk van Atjeh te brengen onder de souvereiniteit van het Nederlandsch-lndisch Gouvernement; bij de Italiaansche en Amerikaansche consuls te Singapore hulp hebben gevraagd tegen ons oppergezag, en zelfs met den Amerikaanschen consul een schema van een contract gemaakt en ter goedkeuring door den Sultan medegenomen hebben.
De heer READ zegt, dat het aankoopen van een stoomschip slechts een voorwendsel was om hun verblijf te Singapore te rekken. Dit is niet juist. Daar hebben inderdaad langdurige onderhandelingen dien aangaande plaats gehad, waarmede ik mij, als betreffende eene zaak van geheel particulieren aard, niet heb ingelaten. (Vide mijne missive van 25 Januarij jl. l. R4 Geheim.) Zij zijn echter afgesprongon, doordien de borgen zich wegens de overdreven koopsom - 41 000 dollars - terugtrokken.
TONGKOE MOHAMAD ARIFFIN, sedert negen jaren met den heer READ bekend, dezelfde over wien handelt het Gouvernements-besluit van 16 October 1870, no. 15 , heeft zich bij PANGLIMA TIBANG MOHAMAD , dien hij vroeger te Atjeh heeft ontmoet, voorgedaan als een getrouw helper, die niets met het Nederlandsch-lndisch Gouvernement uitstaande had.
Hij is kleinzoon van den toewankoe van Moko-Moko, gesproten uit het geslacht van MENANGKABAU, en gehuwd geweest met een Atjehsche vrouw uit de omgeving van den Sultan.
Nadat deze korten tijd na het huwelijk was overleden, begaf hij zich wegens handelszaken naar Singapore en huwde van nieuws met eene aanverwante van den bandhara van Trengano, vertrok naar Engeland met geschenken van dien vorst, en is, na zijne terugkomst te Singapore, in de omgeving van den toemongong van Djohor gebleven, altijd hopende een betrekking te bekomen in de dienst van het Nederlandsch-Indisch Gouvernement.
ARIFFIN is een jongmensch van uitmuntende manieren, zeer intelligent, en spreekt en schrijft vlot Engelsch.
Ik heb verschillende malen een langdurig onderhoud met hem gehad, en hetgeen hij mij mededeelde kwam geheel overeen met hetgeen de heer READ mij schrijft.
Het brouillon, door den Amerikaanschen consul aan PANGLIMA TIBANG MOHAMAD medegegeven om door den Sultan te worden goedgekeurd, heeft hij mij zakelijk medegedeeld, en gaat hierbij, zooals ik het zelf uit zijn mond heb opgeteekend.
Hij verhaalde mij verder, dat de Amerikaansche consul een brief had geschreven aan den Sultan, waarin hij dezen waarschuwde tegen het Nederlandsch Gouvernement, dat, eenmaal de Indische rijken onder zijn beheer hebbende, hunne vorsten trapsgewijze verdreef.
Hij stelde mij voor om op eigene gelegenheid naar Atjeh te gaan, en steunende op het vertrouwen dat de Atjehers in hem stellen, te trachten het door den Sultan casu quo goedgekeurde Amerikaansche ontwerp-contract magtig te worden en het alsdan aan mij te overhandigen.
Ik heb dat afgeslagen met de opmerking, dat indien de Atjehsche gezanten ter kwader trouw handelen, zulks niet mogt worden nagevolgd.

Intusschen, enz.

De Resident van Riouw,

(w. g.) D. W. SCHIFF.

 

Brouillon van tractaat door den resident van Riouw overlegd.

Art. 1.

Het Amerikaansch Gouvernement en de Sultan van Atjeh sluiten onverbrekelijk verbond van vriendschap.

Art. 2.

Alle Amerikaansche schepen zullen in de Atjehsche havens dezelfde regten genieten als die van Atjeh zelven.

Art. 3.

De Sultan en zijne onderhoorige vorsten zullen den slavenhandel weren.

Art. 4.

De Sultan en zijne rijksgrooten verbinden zich om den noodigen grond af te staan tot het oprigten van steenkolenloodsen.

Art. 5.

De Sultan en zijne rijksgrooten verbinden zich om in zijn rijk wegen te doen maken zijnde het Amerikaansch Gouvernement bereid in de kosten daarvan te deelen.

Art. 6.

Wat betreft het heffen van in- en uitgaande regten , zullen schepen van andere natien zich behooren te houden aan den in Atjeh bestaanden hadat. Amerikaansche onderdanen zullen 5% minder betalen.

Art. 7.

De Amerikanen mogen gronden koopen en verkoopen, benevens de producten daarvan, doch zullen 5% minder tjoeké betalen.

Art. 8.

Het is den Amerikanen veroorloofd kerken en scholen op te rigten.

Art. 9.

Het Amerikaansch Gouvernement verbindt zich de Atjehsche dynastie en godsdienst te zullen beschermen.

Art. 10.

Te Groot-Atjeh zal een Amerikaansch consul gevestigd zijn, met de bevoegdheid om geschillen tusschen de Amerikanen te beregten.

Art. 11.

Het Amerikaansch Gouvernement zal den Sultan en zijne rijksgrooten bijstaan in geval van vijandelijkheden, welke zich 't zij van buiten, 't zij van binnen mogten voordoen.

Art. 12.

Amerikaansche onderdanen worden overal in het rijk toegelaten, doch zullen, indien zij zich niet houden aan het overeengekomene in dit contract, door den consul worden gestraft.

 

______________
[Terug]