3. De Gouverneur-Generaal aan

den Minister van Kolonien.

 

BUITENZORG, 14 Maart 1873.

 

 

KABINET- GEHEIM.

N. 17, la. W.

 

Ten vervolge van mijne geheime Kabinetsmissive van 4 dezer, n. 14, l. R, heb ik de eer Uwer Excellentie in afschrift hierbij aan te bieden mijn geheim besluit van heden l. V, houdende verdere beschikkingen ten aanzien der Atjehsche aangelegenheden.
Tevens voeg ik in afschrift hierbij de sedert de sluiting der laatste mailpakketten over die aangelegenheden gewisselde telegrammen en verdere bescheiden.
Ik vestig Uwer Excellentie's aandacht in het bijzonder op de daaronder aanwezige aan mij gerigte officieuse brieven van den Consul-Generaal der Nederlanden te Singapore van 3 en 6 dezer, en op de Nederlandsche vertalingen van drie van zekeren TONGKOE MOHAMAD ARIFFIN, in de bijlagen vaak genoemd, afkomstige Maleische schrifturen, gemerkt las. A, B en C.
Daaruit zal Uwe Excellentie op nieuw ontwaren, hoe dubbelzinnig of liever verraderlijk de houding is, welke door Atjeh tegenover ons wordt aangenomen, en tevens de kuiperijen bloot gelegd vinden, welke door den Amerikaanschen consul te Singapore gepleegd zijn.
Ik vermeen de vraag geoorloofd, of dergelijke consulaire agenten geschikt zijn de goede verstandhouding tusschen bevriende mogendheden te bewaren, en of het ontslag van den tegenwoordigen Amerikaanschen consul te Singapore niet wenschelijk ware, om een heilzamen invloed uit te oefenen en de handelsagenten aan te sporen, zich tot de uitoefening van hunne eigenaardige functien te bepalen.
Die vraag ware welligt langs diplomatieken weg bij de Regering der Vereenigde Staten voor te brengen.
Intusschen blijkt uit voormelde schrifturen op nieuw, hoe dringend noodzakelijk het is aan het Atjehsche vraagstuk zoo spoedig mogelijk op afdoende wijze een einde te maken, opdat Nederland zich niet nu of later plotseling tegenover het protecteraat van eene vreemde mogendheid over Atjeh geplaatst zie.
Hieruit toch zouden allerlei groote moeijelijkheden en zelfs het verlies van Sumatra kunnen voortvloeijen.
In overeenstemming met al de geraadpleegde adviseurs komt het mij voor dat geen andere afdoende waarborg daartegen denkbaar is dan de eisch van souvereiniteit, zooals ik Uwer Excellentie bij mijne telegrammen van 6, 9 en 12 dezer mededeelde.
Met het oog op het overwegend groot belang der zaak en op de omstandigheid dat elke andere waarborg tegenover kuiperijen van Atjeh met vreemde mogendheden niets beteekent en derhalve het ongestoord bezit van Sumatra voor ons bij voortduring zou worden bedreigd, heb ik uit innige overtuiging vermeend aan den eisch van souvereiniteit met den meesten aandrang te moeten vasthouden. Nu kunnen wij nog dien eisch doen; bij de steeds toenemende aanraking met- en inmenging van groote mogendheden is het de vraag echter of dit nog lang het geval zal zijn.
Daarenboven blijkt uit de berigten van den heer READ, dat wij nu op den - althans zedelijken - steun van Engeland kunnen rekenen.
Inmiddels heb ik echter den Gouvernements-Commissaris - die, zooals Uwe Excellentie uit de overgelegde telegrammen zal ontwaren, op den 7den dezer met Zr. Ms. stoomschip Citadel van Antwerpen en den gouvernements-stoomer Siak van Batavia is vertrokken, gisteren te Singapore aangekomen en heden naar Pinang vertrokken is, mededeeling gedaan van Uwer Excellentie's laatst ontvangen telegram, onder toezegging van nadere instructien omtrent den aan Atjeh te stellen eisch, na ontvangst van Uwer Excellentie's antwoord op mijn telegram van 12 dezer.
Uit het in den afgeloopen nacht van Uwe Excellentie ontvangen telegram heb ik met groote voldoening gezien, dat Uwe Excellentie het in de hoofdzaak met mij eens is, - zij 't dan ook dat het mij duister blijft wat Uwe Excellentie bedoelt met de voldoening en de waarborgen die ik eischen moet, - en dat tusschen ons alleen een verschil van vorm en inleiding bestond. Zelfs te dien aanzien valt echter nog op te merken dat ik in mijne telegrammen slechts het fond der zaak en niet den vorm heb behandeld en dat het niet in mijne bedoeling kan liggen om met vertreding van alle vormen, zooals Uwe Excellentie zich uitdrukt, de souvereiniteit ruw weg op den voorgrond te stellen.
Ik zal morgen aan den Commissaris NIEUWENHUYZEN te Pinang het volgende telegram zenden:
Slotsom van nadere telegrammen-wisseling met ministerie is:
Souvereiniteit moet uitvloeisel zijn van onderhandelingen of van oorlog, maar kan wegens indruk naar buiten niet als eerste eisch ruw weg (sic) op den voorgrond worden gesteld.
Wil mij terstond ontvangst van dit telegram melden."
Ten slotte meet ik nog een punt releveeren, namelijk dat van het vertraagd vertrek van den Gouvernements-Commissaris.
De Citadel van Antwerpen vertrok eerst den 7den dezer van hier, niettegenstaande de Kommandant der zeemagt reeds den 2den dezer door mij bij telegram was uitgenoodigd om dat vaartuig tot dadelijk vertrek gereed te houden en niettegenstaande ik herhaaldelijk op spoed had aangedrongen.

De Gouverneur-Generaal van Nederlandsch-Indie,

(get.) J. LOUDON.

 

______________
[Terug]