b. Brief van TONKOE MOHAMAD

ARIFFIN aan den resident van Riouw.

(Vertaling uit het Maleisch.)

SINGAPORE , 3 Maart 1873.

 

(Gewone inleiding.)

In allen eerbied deel ik U mede dat ik op den 1sten Maart 1873 den Consul van Amerika ben gaan spreken.
In 1871 heeft het Engelsch Gouvernement een tractaat gesloten met het Nederlandsche waarbij Engeland het gezag over Sumatra aan Nederland overdroeg.
Ook heeft wijlen de Sultan MANTZOER in 1857 een contract gesloten met Z. E. den Gouverneur-Generaal van Nederlandsch Indie.
Den Consul hierop wijzende, zeide ik dat het beter ware indien hij zich niet met de zaak inliet. Hem zoude zulks slechts schade en mij moeijelijkheden kunnen berokkenen.
De Amerikaansche Consul antwoordde mij:

Een drietal dagen geleden ontving ik een telegram van een koopman te Batavia, waaruit blijkt dat het Nederlandsch-Indisch Gouvernement het voornemen heeft om Atjeh met wapengeweld te nemen.
Nu heb ik er aan gedacht U te verzoeken om naar Atjeh te gaan en voor mij een brief te brengen aan PANGLIMA TIBANG MOHAMAD. Gij kunt hem dan de zaak bekend maken. In mijnen brief zal ik echter die zaak niet behandelen. Gij gaat slechts te Atjeh handel drijven. Het ware toch mogelijk dat gij in de Zee van Deli in handen vielt der Nederlandsche vaartuigen. Mij zoude het (behandelen der zaak) niet schaden, doch U zoude het welligt moeijelijkheid veroorzaken."
Hierbij ontvangt U een afschrift van den brief die voor PANGLIMA TIBANG MOHAMAD bestemd was. Ik heb hem ter hand gesteld aan den heer WILLEM HENRI READ, de geërbiedigde Consul-generaal der Nederlanden te Singapore.
Indien U mijn gevoelen verlangt te vernemen omtrent den weg die ingeslagen moet worden, dit is, dat ik naar Atjeh ga om den brief aan PANGLIMA TIBANG MOHAMAD te overhandigen. Ik zoude aan hem of aan den Sultan kunnen zeggen, dat hij mij spoedig een schriftelijk bewijs moet geven, waarbij hij verklaart Atjeh aan het Nederlandsch-Indisch Gouvernement over te geven, en verder zoude ik kunnen zeggen dat de Amerikaansche consul zich niet met de zaak wenscht in te laten.
Ik vermeen met zekerheid zulk een schriftelijk bewijs te zullen erlangen vóór dat een contract is gesloten.
Zondag jl. heb ik van iemand gehoord dat binnen vier dagen twee Italiaansche oorlogschepen te Singapore zullen aankomen en dat de consul van Italie een tolk zoekt die het Atjehsch of Maleisch spreekt.
Dit alles heb ik reeds den heer WILLEM HENRI READ, Consul-generaal der Nederlanden te Singapore, medegedeeld.
Thans verwacht ik Uwe bevelen, hoe ik dien te handelen.

(w.g.) T. M. ARIFFIN.

______________
[Terug]