1. De Gouvernements-commissaris voor Atjeh
aan den Gouverneur-Generaal van Nederlandsch Indie.
Ter REEDE Atjeh, 26 Maart 1873.
N, IV/A.

Gelijk ik de eer had Uwer Excellentie bij mijn telegram van den 19den dezer mede te deelen, verliet ik aan boord van Zr. Ms. stoomschip Citadel van Antwerpen, des namiddags te vier ure van dien dag, de reede van Poeloe-Pinang. Vergezeld van Zr. Ms. stoomschepen Marnix en Coehoorn en van den gouvernements-stoomer Siak werd de togt naar Atjeh voortgezet, en liet de flotille den 22sten daaraanvolgende, ongeveer te half elf ure des voor-middags, het anker ter reede van die plaats vallen.
Onder uitdrukkelijke vermelding van het gewigt zijner zending, gelastte ik onmiddellijk daarop den tolk voor de Atjehsche taal Sidi Tahil zich naar den wal te begeven, ten einde den Sultan van Atjeh mijn aan dezen gerigten brief van den 22sten te overhandigen. Daarbij maakte ik gebruik van de diensten van eenige opvarenden eener daags te voren aangehouden praauw, afkomstig van Gighen en bestemd naar Edi, waarvan de d.joeragan zich bereid had verklaard om tegen zekere belooning, welke sedert door mij is uitgekeerd, bedoelden brief aan den Sultan te helpen overbrengen.
Hiertoe ging ik over in verband met de dreigende houding, welke men, volgens geloofwaardige berigten, in Atjeh tegenover ons wenschte aan te nemen, en welke het mij ten zeerste onraadzaam deed achten voorloopig zelfs een enkelen onzer manschappen aan den wal te wagen.
Dat er werkelijk eene vijandige stemming in gemeld rijk bestond, bleek duidelijk uit de omstandigheid, dat, terwijl bij onze aankomst eene groote bedrijvigheid vau visschers op en nabij het strand heerschte, deze al zeer spoedig daarna ophield, om plaats te maken voor eene groote, steeds aangroeijende menigte gewapend volk., die zich niet alleen gestadig langs het stand bewoog en den ingang der Atjeh-rivier, zoomede een paar nabij gelegen, schijnbaar in vervallen toestand verkeerende bentings bezette, maar ook in allerijl een paar aarden borstweringen opwierp.
In den avond van den 23sten bragt SIDI- TAHIL mij het schriftelijk antwoord des Sultans over. Te vergeefs zocht ik daarin naar eenige ophelderiug aangaande de door mij tegen Atjeh ingebragte grieven en naar een betoon van bereidwilligheid om met mij in onderhandeling te treden nopens de wijze, om tot eene gewenschte verhouding tot ons Gouvernement te geraken.
Hierin heb ik aanleiding gevonden om onder dagteekening van den 24sten dezer tot den Sultan een tweeden brief te rigten, waarin op de onvolledigheid van zijn antwoord gewezen en hem nadrukkelijk voorgehouden werd om alsnog binnen den tijd van vier en twintig uren de in mijn vorig schrijven verlangde ophelderingen te verschaffen, bij gebreke waarvan ik mij genoodzaakt zoude zien tot beslissende maatregelen over te gaan.
In zijn daarop gevolgd antwoord, 't welk mij in den avond van den 25sten dezer gewerd, bleef de Sultan ook nu weder in gebreke de bij herhaling gevraagde inliehtingen te geven. Het verdient intusschen opmerking, dat de vorst in geen zijner beide brieven de tegen hem aangevoerde grief, waaromtrent meer in 't bijzonder opheldering is gevraagd, heeft weêrsproken, - 't geen mijns inziens het voldingendst bewijs oplevert van hare gegrondheid.
Met betrekking tot het voorkomende aan het slot van 's vorsten laatsten brief, dat het door hem aan onze vlag gegeven saluut van een en twintig schoten onzerzijds niet is beantwoord, teeken ik hierbij aan, dat den Sultan, bij gelegenheid der eerste zending van Sidi Tahil, onder de gewone voorwaarde van reciprociteit, een saluut is aangeboden, waarop geen antwoord is ontvangen. Dientengevolge bleef het saluut onzerzijds achterwege. Dat intusschen het vermeld aantal schoten uit des Sultans geschut zoude zijn gelost, is, niettegenstaande de meestmogelijke waakzaamheid, door geen onzer schepen opgemerkt ; weshalve de waarheid dier mededeeling met grond kan worden betwijfeld.
In de phase, waarin het Atjehsche vraagstuk thans verkeert, acht ik mij niet verantwoord de zaak langer slepende te houden. Verdere pourparlers zouden tot niets leiden. Integendeel ligt het blijkbaar in de bedoeling der Atjehers om door allerlei uitvlugten tijd te winnen, ten einde zicb des te beter tot den strijd tegen ons te kunnen voorbereiden of wel zich inmiddels elders bondgenooten te verschaffen.
Onze lankmoedigheid is lang genoeg op de proef gesteld, en thans is mijns inziens het oogenblik aangebroken om met klem en met den meesten ernst op te treden.
Langer dralen zou als een bewijs van zwakheid worden aangemerkt en 's vijands overmoed slechts aanwakkeren.
Doordrongen van het besef hiervan en met bet oog op Uwer Excellentie's telegram van 19 dezer, heb ik dan ook niet geaarzeld heden aan den Sultan van Atjeh den oorlog te verklaren; hetgeen is geschied bij een manifest, waarvan ik de eer heb Uwer Excellentie hiernevens een afschrift aan te bieden, vergezeld van kopijen en vertalingen van mijne brieven aan den Sultan en van diens antwoorden (1).
Zooveel mogelijk heb ik mij in het manifest gehouden aan de bewoordingen, gebezigd in de door Uwe Excellentie op den 6den dezer gearresteerde proclamatie, terwijl ik mij daarin slechts die geringe wijzigingen heb veroorloofd, welke door den loop der omstandigheden zijn noodzakelijk gemaakt.
Dat manifest zal nog heden den Sultan worden toegezonden, terwijl het, zoodra van zijne ontvangst zal zijn gebleken, nader door het werpen van eenige projectielen in of nabij des Sultans verblijf, waarvan wij slechts 3600 meters verwijderd liggen, bevestigd zal worden. In verband met hetgeen ik de eer had in mijn rapport van den 14den dezer, no. II/A, ten aanzien van Tongkoe Mohamad Ariffin mede te deelen, zal het Uwe Excellentie welligt bevreemden dat ik van zijne diensten geen gebruik heb gemaakt bij het overbrengen mijner beide voormelde brieven aan den Sultan van Atjeh.
Hiervoor bestond evenwel eene gegronde reden. Het was mij namelijk bij nader inzien in het belang der zaak niet wenschelijk voorgekomen, om genoemden tongkoe, wiens dubbelzinnige rol bij de Atjehsche grooten niet onbekend is gebleven, thans met eene zending van zoo hoogst teederen aard, en waaraan zeer ernstige gevolgen konden verbonden zijn, te belasten.
Terwijl het mij daarom beter toescheen hem onder mijn onmiddellijk toezigt te houden, heb ik nogtans gebruik gemaakt van zijne bekendheid met den invloedrijken Atjehschen groote Tongkoe KALl Alimelikoel Adil, om dezen te wijzen op de ernstige gevolgen, welke eene vijandige houding van Atjeh jegens ons Gouvernement voor dat Rijk zoude na zich slepen, en in verband daarmede den raad te geven om aan onze eischen gehoor te verleenen.
Van den betrekkelijken brief en van het schrijven van den mij toegevoegden inlandschen zendeling DATOE SETIA ABOE HASSAN, mede aan TONKOE KALI voornoemd gerigt, en strekkende om hem te bewegen mij te komen ontmoeten, zoomede van de antwoorden van dezen Atjehschen groote, veroorloof ik mij eveneens afschriften hierbij over te leggen.
Ten slotte acht ik het niet ondienstig Uwer Excellentie enkele opmerkingen mede te deelen welke door SIDI TAHIL gedurende zijne aanwezigheid aan den wal waren gemaakt.
Het was hem namelijk gebleken, dat men in Atjeh met de krijgstoerustingen van onze zijde volkomen bekend was en zich op krachtigen wederstand voorbereidde. Aan de monding der Atjeh-rivier had zich al voort eene magt van drie duizend man verzameld, welke aanzienlijk zou worden versterkt. Die magt bestond hoofdzakelijk uit de bevolking der XXII Moekim, welke ons zeer vijandig gezind is en den oorlog verlangt. Toch meende Sidi-Tahil eene zekere vrees voor onze naderende troepenmagt te hebben opgemerkt, welke evenwel achter het masker van grootspraak en snoeverij verborgen werd. Men was uitermate verbitterd op den sjabandar, Panglima Tibang Mohamed, dien men als den bewerker van den tegenwoordigen hoogst ernstigen toestand beschouwde, en wiens leven door verscheidene Atjehsche grooten dermate werd bedreigd, dat hij zich zelfs niet buiten de kota van den Sultan durfde vertoonen.
In de nabijgelegen XXVI Moekim was men het omtrent de wenschelijkheid van een oorlog met ons niet eens, terwijl het hoofd der XXV Moekim, Toekoe Nek Radja Moeda Setia, met zijne onderhebbende bevolking ons Gouvernement vriendschappelijk gezind is. Dit laatste werd mij bevestigd door een vertrouweling van genoemden toekoe, die zich een paar dagen geleden bij mij aan boord kwam vervoegen, en mij namens den toekoe het verzoek deed om diens schoonvader, den radja moeda van Troemon, te doen ontbieden in het belang eener schikking met Atjeh.
Dat aan dien voorslag, iu verband met onze gebrekkige middelen van gemeenschap, op dit oogenblik geen gevolg kan worden gegeven, behoeft geen betoog; doch ik behoud mij voor om later van de diensten van genoemden radja moeda van Troemon die partij te trekken, welke mij wenschelijk zal voorkomen, terwijl ik intusschen aan TOEKOE NEK RADJA MOEDA SETIA heb doen weten, dat bijaldien hij zich bij ons wilde aansluiten, hij daarvan bij het openen der vijandelijkheden zou moeten doen blijken, in welk geval zijn gebied voor tooneelen van verwoesting zal worden gespaard.
De verklaringen van SIDI TAHIL van strategischen aard, voor de kommandanten van Zr. Ms. stoomschepen Citadel van Antwerpen en Marnix afgelegd, zullen Uwe Kxcellentie door tusschenkomst van den Kommandant der zeemagt en chef van het departement der marine in Nederlandsch Indie worden bekend gemaakt.
Het is intusschen thans overtuigend gebleken, dat het mij te Poeloe-Pinang geworden berigt, dat de Sultan van Atjeh op enkele dagreizen van Groot-Atjeh zou zijn in veiligheid gebragt, niet juist was, en bij zich alsnog dkhr ophoudt. Van een voornemen om die plaats te verlaten is hier niets vernomen, weshalve wij ons met de hoop mogen vleijen dat hij er stand zal blijven houden.
Gedurende ons aanwezen alhier is de reede nog slechts door één handelsvaartuig, onder Engelsche vlag, bezocht, dat bij onderzoek bleek wapenen noch ammunitie aan boord te hebben en voor de Westkust van Sumatra bestemd te zijn.
Ter gelegenheid der vermelding hiervan vermeen ik Uwer Excellentie nog te moeten mededeelen, dat ik, bij nadere overweging, in zóóver op het bij mijn schrijven van den 14den dezer no. II/A. kenbaar gemaakte voornemen ben teruggekomen, dat, behoudens een te rade gaan met de eischen der billijkheid, bij een aanvoer door handelsvaartuigen van oorlogsbehoeften eenvoudig tot dezer inbeslagname zal worden overgegaan.
 

De Gouvernements-Commissaris voor Atjeh, (w. g.) Nieuwenhuyzen.

P. S. Ik teeken hierbij nog aan, dat ik afschriften van mijn bovenbedoeld manifest heb gezonden: aan den Consul-generaal der Nederlanden te Singapore, W. H. READ ; aan den vice-consul der Nederlanden te Poeloe Pinang, PADDAY, ook ter mededeeliug aan de consuls der overige mogendheden aldaar gevestigd ; en aan den kommandant van Zr. M. stoomschip Citadel van Antwerpen ; terwijl eindelijk van die oorlogsverklaring tevens mededeeling is gedaan aan den Gouverneur der Straits-Settlements en den Luitenant-Gouverneur van Prince of Wales-Island, bij afzonderlijke missives, zonder overlegging evenwel van de betrekkelijke exemplaren.

(1) De Hollandsche overzettingen dezer antwoorden volgen later; voor hare vervaardiging ontbreekt thans de tijd.

______________ 
[Terug]