De Sultan van Atjeh aan
den Gouvernements-commissaris.

(Vertaling uit het Maleisch.) 1)

(Gewone inleiding).

Voorts geef ik mijnen vriend kennis, dat ik zijn mij toegezonden brief ontvangen en den inhoud er van begrepen heb, en dat thans eene onveranderlijke vriendschap tusschen mij en het Nederlandsch-Indisch Gouvernement bestaat. Intusschen heb ik een schrijven naar Riouw gezonden, strekkende om uitstel te erlangen van de voorgenomen zending (naar Atjeh) tot dat ik van den Sultan van Turkije antwoord zal hebben ontvangen op mijn aan hem gerigten brief. Zoodra ik de bevelen en tijdingen van dienvorst zal hebben ontvangen, zal ik mijn vriend daarvan mededeeling doen. Ook heb ik kortelings gezanten naar Riouw gezonden, om de zaak van de Gipsy te vereffenen ; alleen daartoe strekte het gezantschap. Thans echter bestaat er (uit dien hoofde) eene eenigszins beperkte vriendschap, en ware het niet dat ik op het antwoord van den Sultan van Turkije wachtende ben, zoo zou ik het Nederlandsch-Indisch Gouvernement eene dubbele mate van genegenheid toedragen.

Geschreven den 23sten Moecharam, op Zondag, van het jaar 1290. (23 Maart 1873.)

1) De hier medegedeelde vertalingen van de brieven des Sultans zijn die, den Gouvernements-Commissaris na de afzending van zijn brief aan de Indische Regering zijn bezorgd.
 

______________ 
[Terug]