c. Tongkoe Mohamad Ariffin aan
Tongkoe Kali Alimelikoel Adil.

(Vertaling uit het Maleisch.)

(Gewone inleiding.)

Ik geef mijn vader kennis dat ik mij aan boord van het oorlogschip in het gevolg bevind van den Regerings-Commissaris,die naar Atjeh gekomen is, omdat hij voorspoed en vrede aan U wil brengen, vriendschap wil sluiten en hulp verleenen.
Daarom hoop ik dat mijn vader met alle mogelijke eer den hooggeplaatsten heer zal ontvangen, opdat er zegen en voorspoed moge geboren worden voor beide partijen,
En de Regerings-Commissaris heeft circa 7000 soldaten bij zich, benevens acht oorlogsbodems, waarvan vier op de gewone ankerplaats liggen en vier op zee zijn gebleven. Wanneer nu mijn vader niet treedt in den wensch van den Regerings-Commissaris, dan zal er, naar ik denk, later groote ongelegenheid komen.
Wanneer vader hulp verwacht van de Engelschen, daar is geen quaestie van, want in het jaar 1871 is het geheele eiland Sumatra, van Tandjong Toewa (Telok-Betong) tot aan ons land Atjeh, in handen der Hollanders overgegeven; en de Amerikaanschen consul wilde ons helpen, maar zooals uit den brief van dien consul te Singapore blijkt, stonden de Engelschen dit niet toe en kon hij geen voldoende hulp verstrekken, en daarom is het dat ik den Regerings-Commissaris gevolgd ben.
Welligt dat vader wil hooren naar mijn goeden raad, daar ik de gewoonte en den aard der blanken ken, en indien dit niet zoo ten goede geschiedt, dan zal er zeker ongelegenheid komen. In 1857 sloot onze onlangs overleden vorst een contract, dat goed was, met het Nederlandsch-Indisch Gouvernement; en nu wil dat Gouvernement het rijk Atjeh volstrekt niet nemen, mits het de suprematie erkenne (letterlijk ; mits het erkenne te staan in de schaduw) van den Koning van Holland.
En dan zullen wij zegen en voorspoed hebben. Wsnneer vader, in deze omstandigheden, het goede wil doen, antwoord dan op dezen brief, dan kan ik het bespoedigen.
Ik heb gegeten de rijst van mijn vader en van den overleden Sultan tot nu toe; ik zal die weldaden niet vergeten en hoop dat mijn vader geluk en voorspoed hebbe en opklimme tot de hoogste grootheid, onder bescherming (schaduw) van den Koning van Holland.

Geschreven aan boord van het oorlogschip 21 Maart 1873.

Naschrift.

Vader, dezen brief schreef ik Zaturdag avond aan boord van het oorlogschip, maar ik heb hem nog niet verzonden, omdat er nog geen zekerheid was omtrent hetgeen uit den twist zou voortvloeijen, daar er werd gewacht op den brief van den Sultan van Atjeh.
En toen het antwoord van Z. H. den Sultan aan den Regerings-Commissaris aan boord kwam, was de strekking er van niet goed.
Indien de gedachten van vader zóó zijn, en hij zich niet laat vinden op den weg die het goede brengt, dan zal er zeker een groote oorlog uitbarsten, want ik heb zelf gehoord, dat wanneer de Sultan en de rijksgrooten niet onder de suprematie (schaduw) vau het Nederlandsch-Indisch Gouvernement willen blijven, vader zeker wel ongerief zal ondervinden, en dan zal het Gouvernement ons niet in zijn hoede nemen.
Wanneer er oorlog komt, dan verliezen wij het zeker, en dan zal het Gouvernement later zeker een resident hier in ons land plaatsen en wij allen rijksgrooten zullen daarvan te lijden hebben.
Ik denk, dat, als vader zich toevertrouwt aan de bescherming van het Hollandsche Gouvernement, dan zal het U voorspoedig gaan als den Sultan van Pontianak en Siak en andere vorsten. En de KORAN zegt, dat voor ons geloovigen deze aarde eene gevangenis is, maar voor de niet geloovigen een hemel, en wanneer de menschen die de wereld bezitten onze vrienden zijn, dan zal ons werk zeker zegenrijk zijn.
Wat betreft de zaak (eigenlijk : hoofdstuk, artikel) van dengene, die naar Turkije is gegaan, namelijk de zoon TONGKOE PAYA, dit zal zeker niet gelukken, want de Koning van Holland heeft zelf afgezanten in het rijk van Turkije, en al de Europesche Mogendheden die in Indie gezag voeren hebben contracten met elkander gesloten; bij voorbeeld indien de vorst Tjandar Badoen in oorlog is met den vorst van het Rijk Hou, dat grooter is dan het onze, dan mag de Sultan van Turkije zich daarin niet mengen. En nu hoop ik dat gij U voegen zult naar hetgeen goed is, opdat Uwe afstammelingen ons nog lang regeren, met voorspoed en in welvaren.

______________ 
[Terug]