h. De Gouvernements-Commissaris
aan den Sultan aan Atjeh.

(Hollandsche tekst.)

Voorts deel ik Uwe Hoogheid mede dat ik haar schrijven van Zondag den 23sten der maand Moecharam van het jaar 1290 in welstand ontvangen en zijn inhoud begrepen heb, doch dat ik daarin in geen enkel opzigt de ophelderingen heb aangetroffen, welke ik in mijn brief van 22 Maart 1873 van Uwe Hoogheid heb gevraagd.
lntusschen zijn die ophelderingen voor het Nederlandsch-Indisch Gouvernement van het hoogste belang, en moet ik er daarom op aandringen, dat mij die alsnog binnen den tijd van vier en twintig uren geworden.
Hoezeer het Nederlandsch-Indisch Gouvernement met den Sultant van Turkije eveneens in vriendschappelijke verhouding verkeert, heeft die vorst nogtans geen regt hoegenaamd, om zich in de tusschen het Nederlandsch-Indisch Gouvernement en het rijk van Atjeh gerezen kwestien te mengen.
Dit zou ik bovendien te minder kunnen toestaan, wijl het duidelijk gebleken is, dat Uwe Hoogheid zich ten strijde voorbereidt door gewapende manschappen te verzamelen.
Uit dien hoofde herhaal ik bij deze mijn uitdrukkelijk verlangen, dat mij binnen den tijd van 24 uren de ophelderingen worden gegeven bedoeld in mijn voormeld schrijven van 22 Maart 1873.
Verder herhaal ik mijn wensch om, zoodra mij ten deze de vereischte inlichtingen zullen zijn verstrekt, de wijze te bepalen, hoedanig tot eene goed geregelde verbouding tusschen het Nederlandsch-Indisch Gouvernement en het rijk van Atjeh kan worden geraakt.
Ten slotte maak ik er Uwe Hoogheid, in verband met de door haar gemaakte krijgs-toerustingen, opmerkzaam op, dat, bijaldien ik thans binnen den tijd van 24 uren geen voldoend antwoord op mijn vorigen brief mogt bebben ontvangen, ik mij in allen ernst genoodzaakt zal zien, ten deze tot beslissende stappen over te gaan.

Geschreven aan boord van Zr. Ms. stoomschip Citadel van Antwerpen, den 24sten Maart 1873.

______________ 
[Terug]