i. De Sultan van Atjeh aan
den Gouvernements-commissaris.

(Vertaling uit het Maleisch.)

(Gewone inleiding).

Wijders deel ik mijn vriend mede, dat ik den brief, door SIDI TAHIL overgebragt, met eerbied heb ontvangen, en na dien te hebben geopend, den inhoud er van goed begrepen heb. Daarin toch staat vermeld, dat mijn vriend binnen vier entwintig uren antwoord van mij verlangt. Thans is het mij aangenaam mijn vriend te doen weten, dat ik mijn dienaar PANGLIMA TIBANG MOHAMAD en de hoeloebalangs die voor den resident van Riouw zijn verschenen, namelijk : TOEKOE NJA MOHAMAD, gemagtigde van TOEKOE KALI MALIKOEL ADIL, TOEKOE NACHODA MOHAMAD SAID, gemagtigde van TOEKOE NANTA SETIA, TOEKOE AKOEB, gemagtigde van TOEKOE NEK RADJA MOEDA SETIA,en TOEKOE NJAH AGAM, gemagtigde van PANGLIMA MESJID RADJA, - met een brief naar genoemden resident heb gezonden, om van hem een uitstel van zes maanden (voor de volbrenging der hem opgedragen zending naar Atjeh) te vragen. Na aldaar te Riouw gedurende acht en veertig dagen op antwoord te hebben gewacht, deelde de resident (den gezanten) mede dat het Gouvernement mijn brief ontvangen had, terwijl hij, resident, Zr. Ms. stoomschip Marnix naar mij toezond. Aldus was de verklaring der vijf genoemde personen. Waarom komt nu het Gouvernement voor dat de (toegestane) termijn van zes maanden verstreken is, en wat is wel onze schuld ? Het Gouvernement gelieve mij zulks mede te deelen, opdat ik het wete. Voorts maakt mijn vriend de opmerking, dat mijne onderdanen gewapend langs het strand loopen. De reden hiervan is, dat het schip, waarop mijn vriend zich bevindt, zeer digt aan den wal geankerd ligt, en het volk, zoodanig schip nog niet gezien hebbende, nieuwsgierig is het (meer van nabij) te bekijken. Ook is de plaats waar dat schip geankerd ligt geen gewone ankerplaats. Mijn vriend, die een beter oordeel omtrent zaken heeft, gelieve zulks niet kwalijk te nemen, en mij morgen antwoord te geven.

Ten slotte doe ik opmerken, dat ik het Nederlandsch-Indisch Gouvernement van den wal met een saluut van een en twintig schoten heb begroet, terwijl ik van de zijde van mijn vriend geen contra-saluut heb vernomen.

Geschreven den 25sten Moecharam 1290. (25 Maart 1873.)

______________ 
[Terug]