j.

Oorlogsmanifest.

  De Commissaris van het Gouvernement van Nederlandsch Indie voor Atjeh;
        Overwegende:
  dat op het Gouvernement van Nederlandsch Indie de verpligting rust, om de algemeene belangen van handel en scheepvaart in den Oost-Indischen Archipel tegen belemmeringen te beveiligen;
  dat die belangen door de onderlinge geschillen en vijandelijkheden der aan het Rijk van Atjeh onderhoorige staatjes, waarvan enkelen bij herhaling de bescherming van het Nederlandsch-Indisch Gouvernement hebben ingeroepen, bij voortduring zijn geschaad;
  dat de herhaalde vertoogen van de zijde van dat Gouvernement, om aan zoodanigen toestand een einde te maken en eene goed bevestigde verstandhouding van Atjeh tot hetzelve in het leven te roepen, steeds zijn afgestuit op den onwil en de volslagen onverschilligheid van de bestuurders van gemeld Rijk, en op hunne magteloosheid om in de onderhoorigheden van Atjeh de rust en orde naar eisch te handhaven;
 dat die pogingen onlangs zelfs zijn beantwoord met verregaande trouweloosheid, op een tijdstip dat het Nederlandsch-Indisch Gouvernement met de meest welwillende bedoelingen zich in nadere verbinding met Atjeh heeft gesteld;
 dat de Sultan van Atjeh, deswege nadrukkelijk om opheldering gevraagd, eerst bij het schrijven van den Commissaris van den 22sten dezer, en daarna bij dat van den 24sten daaraanvolgende, niet alleen geheel in gebreke is gebleven die te verschaffen, maar zelfs de tegen hem ingebragte grieven niet heeft weêrsproken, en daarenboven er toe is overgegaan zich zoo in het oog loopend mogelijk ten strijde toe te rusten, dat daaraan geen andere beteekenis kan worden toegekend dan dat Atjeh het Gouvernement van Nederlandsch Indie moedwillig heeft gehoond en zich op het daardoor ingenomen vijandig standpunt wenscht te handhaven;
  dat de bestuurders van dat Rijk zich daardoor hebben schuldig gemaakt aan schennis van het tusschen hetzelve en het Nederlandsch-Indisch Gouvernement op den 3Osten Maart 1857 gesloten tractaat van handel, vrede en vriendschap, en het mitsdien overtuigend is gebleken dat geen staat kan worden gemaakt op de goede trouw van die bestuurders;
  dat het der Regering van Nederlandsch Indie onder deze omstandigheden niet langer mogelijk is, zonder krachtdadige middelen, een zoowel door het algemeen handelsbelang als de eischen van hare eigene veiligheid in noordelijk Sumatra gevorderden staat van zaken te waarborgen;
  Verklaart uit kracht van de magt en bevoegdheid, aan hem door de Regering van Nederlandsch Indie verleend, in naam van die Regering, den oorlog aan den Sultan van Atjeh, waarvan hij overigens bij dit manifest mededeeling doet aan elk wien zulks mogt aangaan, en een iegelijk aandachtig maakt aan alle mogelijke daaruit voortvloeijende gevolgen en aan de verpligtingen, welke in oorlogstijd op iederen burger van den Staat rusten.
  Gedaan aan boord van Zijner Majesteits stoomschip Citadel van Antwerpen, liggende voor Groot-Atjeh, op heden, Woensdag den 26sten Maart 1873.

(get.) NIEUWENHUYZEN.
______________
[Terug]