2. De Gouvernements-commissaris
voor Atjeh aan den Gouverneur-Generaal.

No. VI/A.

Ter REEDE VAN Atjeh, 9 April 1873.

Aan boord van Zr. Ms. schroefstoomschip Citadel van Antwerpen.

Bij mijn rapport van 26 Maart jl., no. IV/A, deelde ik Uwer Excellentie den uitslag mede mijner aanvankelijke onderhandelingen met den Sultan van Atjeh, welke zich oplos-ten in een oorlogsmanifest, waarvan ik de eer had Uwer Excellentie een afschrift aan te bieden. Door tusschenkomst van den vice-consul der Nederlanden te Poeloe-Pinang gaf ik Uwer Excellentie tevens langs telegrafischen weg van den inhoud van dat manifest kennis.
Terwijl de drie toen alhier aanwezige oorlogschepen zich in den vroegen morgen van den 27sten Maart gereed maakten om het vuur op de langs het zeestrand zich bevindende ben-tings te openen, gewerd mij des Sultans derde brief, waarin hij, onder mededeeling dat hij geen oorlog met ons verlangde, een uitstel van twee dagen verzocht, om mij een definitief antwoord op mijne vorige brieven te geven.
Ten einde eene vredelievende oplossing van het Atjehsche vraagstuk zooveel mogelijk in de hand te werken, willigde ik dat verzoek in bij mijn schrïjven van dienzelfden morgen, waarin ik den Sultan onder anderen mededeelde, dat het eenige middel, om verdere verwikkeling te voorkomen, gelegen was in de erkenning zijnerzijds van de opperheerschappij van Zijne Majesteit den Koning der Nederlanden over Atjeh, en waarbij ik tevens de uitdrukkelijke voorwaarde stelde, dat hij zich binnen den tijd van tweemaal vier en twintig uren omtrent die erkenning zoude hebben te verklaren, wilde hij de vijandelijkheden onzer- zijds niet onherroepelijk geopend zien. Verder werd voor de tijdelijke schorsing dier vijandelijkheden het beding gesteld, dat van stonde af aan de krijgstoerustingen aan den wal zouden worden gestaakt.
Toen aan dat beding niet werd voldaan, werd er in den loop van dienzelfden dag door Zr. Ms. schroefstoomschip Citadel van Antwerpen bij wijze van waarschuwing een schot op een der bentings gelost, dat aan het beoogde doel beantwoordde. Doch toen de vijand, van den schrik bekomen, den volgenden morgen met een ongeëvenaarden overmoed de werkzaamheden aan en nabij de forten voortzette, volgde er van onzen kant een gematigd maar geregeld, bombardement op die sterkten, 't welk den 29sten in mindere mate werd herhaald.
Na het verstrijken van den gestelden termijn geen antwoord van den Sultan ontvangen zijnde, werden er uit voormeld stoomschip drie granaten in de op 3600 meter verwijderde kota van den vorst geworpen, welke, volgens bekomen berigten, om en bij die plaats zijn neêrgevallen.
Eerst op den middag van den 30sten gewerd mij des Sultan's antwoord. Vermits dat schrijven omtrent het hoofdpunt, de aanvaarding van Nederland's souvereiniteit, zeer onbestemd was, meende ik op eene pertinente verklaring dienaangaande te moeten aandringen, en stelde ik alsnu in mijn vijfden brief aan den Sultan de categorische vraag : of hij al dan niet de opperheerschappij van Nederland wenschte te erkennen. Uit zijn op den 1sten dezer ontvangen schrijven van dien dag zal Uwe Excelleotie ontwaren dat de Sultan zich blijkbaar daaromtrent niet wilde verklaren.
Op het terrein van onderhandelen kon ik mij nu niet langer blijven bewegen. Ik begreep dat de vijand er naar streefde de zaak slepende te houden, en ik achtte mij dien ten gevolge verpligt alle onderhandelingen met den Sultan af te breken, zoo lang niet de erkenning onzer souvereiniteit zijnerzijds was gevolgd.
Deze beslissing liet ik den vorst door de overbrengers van zijn schrijven weten, en sedert vernam ik niets meer van hem, hetgeen mij in mijne opvatting versterkte, dat wij hier met niets dan een kunstgreep om tijd te winnen te doen hadden.
Bij de overweging der vraag, wat ons thans te doen stond, stemde de tijdelijke bevelhebber der maritime middelen in deze wateren met mij in, dat het, met 't oog op de beperkte magt, waarover op dat oogenblik nog te beschikken viel, en de onbekendheid met de getalsterkte des vijands en met de gesteldheid van het terrein, geenszins geraden zoude zijn eene landing
te beproeven, ten einde ons van de langs het strand aanwezige forten meester te maken.
Aan een altijd mogelijk échec toch mogten we ons niet blootstellen ; de overmoed des vijands zoude daardoor aanwakkeren, en het vertrouwen onzer manschappen daarentegen zeer verminderen.
In verband hiermede werd besloten ons voorloopig te bepalen tot bet uitoefenen eener gestrenge surveillarice over de omliggende kuststreken en het beschieten, waar noodig, van de vijandelijke bentings, en zulks in afwachting vaa de komst der expeditionaire magt, wier vertrek van Batavia op 22 Maart jl. mij werd bekend gemaakt bij Uwer Excellentie's telegram van dien dag, dat mij met andere officieele bescheiden 'den 29sten daaraanvolgende door tusschenkomst van Zr. M. stoomscbip Djambi gewierd.
ln den morgen van den 5den dezer werd de komst van de transportvloot door de stoomboot der Nederlandsch-Indische stoomvaartmaatschappij Cores de Vries aangekondigd, en werkelijk liet die vloot in den voormiddag van dien dag het anker te dezer reede vallen, terwijl Zr. Ms. stoomschip Soerabaija, waarop de kapitein ter zee J. F. Koopman zich bevond, kort daarop mede alhier verscheen. Zr. Ms. raderstoomschip Sumatra en het gouvernements-vaartuig Bronbeek kwamen respectievelijk den 7den en 8sten dezer alhier aan.
De generaal-msjoor J. H. R. Kohler, opperbevelhebber der expeditionaire land- en zee-magt voor Atjeh, en de kapitein ter zee Koopman kwamen in den middag aan boord van de Citadel, waar de noodige besprekingen omtrent den stand der zaken en de voorloopig te nemen maatregelen betreffende de expeditie plaats vonden.
Men besloot, den volgenden dag, 6 dezer, eene verkenning aan den wal te doen. Deze werd, na een korten strijd met den vijand, die zich nabij de landingsplaats bevond, naar wensch volbragt, waarna de daarvoor gebezigde troepen naar boord terugkeerden.
Den 8sten dezer echter ging men tot het algemeen debarkement over, hetwelk volkomen gelukte, doch niet zonder heftigen strijd tegen den vijand, die met de grootste verbittering streed en in een toestand van razernij tegen de bajonetten onzer militairen instormde.
De mededeeling van bijzonderheden omtrent de operatien der alhier aanwezige land- en zeemagt laat ik uit den aard der zaak aan de betrokken bevelhebbers over, wier meer uitvoerige rapporten Uwer Excellentie door tusschenkomst van het Legerbestuur en den Kommandant der zeemagt en chef van het departement der marine in Nederlandsch-Indie zullen worden aangeboden.
Voorts wensch ik nog melding te maken van de komst op den 4den dezer van de Engelsche gunboat Hornet, commander Swan, die den daaropvolgenden dag aan boord van de Citadel mededeelde, dat hij door het Gouvernement der Straits-Settlements herwaarts was gezonden om, naar aanleiding der proklamatie van den Gouverneur aldaar van 31 Maart jl. waarvan een afschrift deze vergezelt, te waken tegen den invoer binnen Atjeh van kruit, wapenen en ammunitie door schepen onder Britsche vlag.
Van het hem gedaan aanbod, om zelf de vaartuigen ouder Britsche vlag, die hier mogten aankomen, te onderzoeken, verklaarde hij, onder dankbetuiging, liever geen gebruik te willen maken. Dit regt wenschte hij aan ons voorbehouden te zien, doch hij verzocbt alleen om de bedoelde vaartuigen, welke door ons op contrabande mogten worden betrapt, aan hem uit te leveren.
Dit verzoek werd ingewilligd. Het is mij intusschen aangenaam Uwer Excellentie te kunnen mededeelen dat er tot dusver van aanhouding of uitlevering van schepen nog geen rede is geweest.
Ten slotte veroorloof ik mij, ten vervolge van mijn in hoofde dezes aangehaalde rapport van 26 Maart jl. no. IV/A, Uwer Excellentie hiernevens afschriften en Hollandsche vertalingen aan te bieden van de sedert tusschen mij en den Sultan van Atjeh gevoerde correspondentie.

De Gouvernements-Commissaris voor Atjeh,
(w. g.) Nieuwenhuyzen.

Na de afsluiting van dit rapport is de benting, waar gisteren een hardnekkig verzet werd ondervonden, zonder tegenstand door onze troepen genomen, nadat het geschutsvuur der oorlogschepen de daarombeen liggende steenen muren had vernield.

______________ 
[Terug]