B I J L A G E N.

a. De Sultan van Atjeh aan

den Gouvernements-commissaris.

(Vertaling uit het Maleisch.)

(Gewone inleiding.)

Voorts deel ik mijn vriend mede, dat ik zijn mij toegezonden brief in welstand ontvangen en den inhoud er van geheel begrepen heb. Daarin zegt mijn vriend dat het hem onaan-genaam is (dat het achterdocht bij hem opwekt) om mijne onderdanen gewapend langs het zeestrand te zien loopen. Maar mijn vriend make zich er toch in 't geheel niet bekommerd over; hij wete slechts dat dit in den aard der Atjehers ligt. Thans vraag ik mijn vriend dringend antwoord op den brief, dien ik mijn vriend jongstleden Zondag heb toegezonden.

Aanstaanden Zaturdag zal ik mijn vriend bepaald uitsluitsel geven, want ik verlies niet uit het oog, hoeveel dagen mijn vriend hier reeds is, zonder een beslissend antwoord mijnerzijds te hebben ontvangen. Wij willen geenszins oorlog met mijn vriend, maar alleenlijk eene vriendschappelijke verhouding.

Geschreven den 26sten Moecharam, op Woensdag, van het jaar 1290. (26 Maart 1873).

______________ 
[Terug]