b. De Gouvernements-commissaris

aan den Sultan van Atjeh.

(Hollandsche tekst.)

(Gewone inleiding).

Voorts deel ik Uwe Hoogheid mede, dat ik haar op heden morgen ontvangen schrïjven van den 26sten dezer overwogen heb.
Evenmin als Uwe Hoogheid verlang ik den oorlog; docb de wijze waarop Atjeh het Gouvernement van Nederlandsch lndie tot dusver en vooral nu laatstelijk weêr bejegende, heeft den oorlog onvermijdelijk gemaakt, ten ware Uwe Hoogheid van hare opregte ge-zindheid doe blijken, om tot het Gouvernement van Nederlandsch Indiein eene verhouding te komen, welke een afdoenden waarborg tegen verdere verwikkelingen oplevert.
Het eenige middel daartoe is, dat Uwe Hoogheid de opperheerschappij van Zijne Majesteit den Koning der Nederlanden over Atjeh erkenne.
Hiertoe geef ik haar tot Zaturdagmiddag, den 29sten dezer maand Maart, den tijd.
Is de erkenning der souvereiniteit van Zijne Majesteit den Koning der Nederlanden over Atjeh alsdan niet door Uwe Hoogheid gedaan, dan zal onherroepelijk tot het openen der vijandelijkheden worden overgegaan, waartoe ik, behalve de hier reeds aanwezige oorlog-schepen, binnen enkele dagen over eene hoogst aanzienIijke strijdmagt, welke van Batavia in aantogt is, zal kunnen beschikken.
Ik moet Uwe Hoogheid evenwel doen opmerken, dat ik de vijandelijkheden, waarmede ik juist op het oogenblik dat haar voormeld schrijven mij gewerd een aanvang wilde maken, alleen dan zal staken, wanneer Uwe Hoogheid zorg draagt dat het strand door het zich thans daarop bevindend gewapende volk worde ontruimd, elke arbeid aan de daar aanwezige bentings ophoude en geen sndere bentings worden opgerigt. Morgen ochtend, bij het aanbreken van den dag, behoort aan deze voorwaarde ten duidelijkste te zijn voldaan.
Geschreven aan boord van Zr. Ms. oorlogschip Citadel van Antwerpen, op Donderdag den 27sten Maart 1873.

______________ 
[Terug]