Proces-verbaal der buitengewone vergadering van
den Raad van Indie op Zondag 20 April 1873.

 

Tegenwoordig : Zijne Excellentie de Gouverneur-Generaal van Nederlandsch Indie, mr. J. Loudon, Voorzitter ; de leden van den Raad van Nederlandsch Indie : mr. W. Rappard, H. M. Andrée Wiltens, mr. T. H. der Kinderen en mr.G.G. van Harenkarspel.
De vergadering wordt bijgewoond door: Zijne Excellentie den Vice-Admiraal 0. A. Uhlenbeck, Kommandant der Zeemagt en Chef van het Departement der Marine, Zijne Excellentie den luitenant-generaal N. H. W. S. Whitton, Kommandant van het leger en Chef van het Departement van Oorlog in Nederlandsch Indie, en den generaal-majoor G. M. Verspijck; en bijgestaan door den algemeenen-secretaris mr. H. D. Levyssohn Norman.
De vergadering wordt geopend door den voorzitter met de mededeeling dat hij deze bijeenkomst belegd heeft ter bespreking der ongunstige berigten, weinige uren te voren van den Gouvernements-Commissaris voor Atjeh ontvangen.
Hij doet daarop voorlezing van het telegram van den Commissaris dd. 17 April jl. met het bijbehoorend proces-verbaal van eene op dien dag gehouden vergadering van hem Gouvernements Commissaris, den opperbevelhebber kolonel van Daalen, den bevelhebber der maritieme middelen den kapitein ter zee Koopman, en den chef vanden staf bij de expeditie den kolonel Egter van Wissekerke; luidende een en ander als volgt :

a.       Berigt van den Gouvernements-Commissaris.


Opperbevelhebber vermeent dat bij de goed gewapende en versterkte overmagt des vijands van een langer voortzetten onzer onderneming niets anders is te wachten dan een geleidelijk wegsmelten onzer troepen, vooreerst alleen door de wapenen des vijands, maar verder ook door ziekten ten gevolge van aanhoudende vermoeijenissen en ontberingen. Gesteld dat twee bataillons ter versterking worden gezonden, zou één daarvan alleen reeds noodig zijn tot aanvulling der geleden verliezen, en het andere geen genoegzame krachtsvermeerdering opleveren. De vijand verzet, verdedigt zich met ongeëvenaarden moed en standvastigheid, wordt gestadig door nieuwen toevoer van volk aangevuld, en beschikt daarbij over tal van zeer sterke werken. Willen wij Atjeh nemen, dan achten de militaire autoriteiten thans, nu zij eenmaal eenige kennis van wezenlijken toestand opdeden, daartoe geheel andere magtsontwikkeling dan de tegenwoordige noodig. Men moet er dan niet tegen behoeven op te zien om des noods een geheel bataillon aan een storm op te offeren. Dit en verdere motieven, aangevoerd in eene conferentie waarvan proces-verbaal is opgemaakt dat tegelijk met dit telegram wordt overgeseind, heeft den opperbevelhebber bewogen mij een terugtrekken van hier voor te stellen. Ik heb mij niet bevoegd geacht daarin te treden zonder daaromtrent eerst de bevelen van Uwe Exellentie te hebben vernomen. Ik veroorloof mij die thans in te roepen, daarbij aanteekenende dat voorschreven stap volgens mijne meening ons prestige gevoelig zal schokken, niet alleen hier maar in den geheelen archipel, terwijl zoo wij hier na verloop van eenige maanden met eene expeditie van bij voorbeeld tien bataillons terugkeeren, de vijand inmiddels gelegenheid zal hebben gehad zich verder te versterken en welligt ook om zich van de thans ontbrekende wapens van latere vinding te voorzien, als getrokken kanonnen, achterladers enz. Na al hetgeen ik in bovenbedoelde conferentie moest vernemen, kan ik intusschen niet ontkennen dat onze tegenwoordige positie langer onhoudbaar is en geen halve maatregelen kunnen strekken om daarin gewenschte verandering te brengen. De stoomer Telegraaf, die dit telegram overbrengt, wacht te Pinang op Uwer Exellentie's beslissing.
Soerabaija, Atjeh, 17 April 1873.   Gouvernements-Commissaris, Nieuwenhuyzen.
 
 

b.          Proces-verbaal van den krijgsraad.


         Des voormiddags te 10 ure van den 17den April 1873 waren aan boord van Zr. Ms. raderstoomschip Soerabaija vergaderd de Gouvernements-Commissaris voor Atjeh, de heer Nieuwenhuyzen, de opperbevelhebber der land- en zeemagt bij de expeditie tegen het rijk van Atjeh, de kolonel der infanterie Van Daalen, de bevelhebber der maritieme middelen in de wateren van Atjeh, de kapitein ter zee Koopman, adjudant des Konings in buitengewone dienst, de chef van den staf bij voormelde expeditie de kolonel bij het wapen der genie Egter van Wissekerke, terwijl de adjudant van den opperbevel-hebber en van den bevelhebber der maritieme middelen, de luitenants ter zee der 1ste klasse Marinkelle en Berends en de secretaris van den Gouvernements-Commissaris, Canter-Visscher, de vergadering bijwoonden. De vergadering wordt ingeleid door den opperbevel-hebber, den kolonel van Daalen voornoemd, met eene verwijzing tot het geringe succes dat bij zijne aanvaarding van het opperkommando op 14 April jl. van de krijgsoperatiën was verkregen en met eene korte mededeeling van hetgeen sedert door de troepenmagt is verrigt. Den 15den April was namelijk eene verkenning uit de genomen missigit in eene zijwaartsche rigting van den kraton des Sultans gedaan, ten einde te beproeven of de voor-gelegen benting niet kon worden omgetrokken. Daarbij werden de troepen hevig door den vijand bestookt en kwam men tevens tot de overtuiging dat het terrein, waarop men zich bewegen moest, voor de troepen zoo goed als onbegaanbaar was. Dientengevolge meende men de aangevangen operatiën door een aanval op bedoelde benting te moeten voortzetten. Daartoe begaf zich in den vroegen morgen van den 16den April het 3de bataillon met het 9de bataillon als reserve op marsch naar de benting, die denkelijk in de rigting van den Kraton gelegen is, terwijl de missigit door de overige troepenmagt bewaakt bleef. Het duurde niet lang of de helft der reserve moest zich bij de voorste troepen aansluiten, zonder dat dit echter tot eenig gunstig gevolg leidde, daar de tegenstand van de zijde des vijands buitengewoon was. Dienvolgens werd na een verlies van ruim l00 dooden en gekwetsten tot de retraite besloten, welke in de beste orde werd volbragt en uitstekend slaagde. In den middag van dien dag werd daarop een krijgsraad belegd, wanrbij de chefs der verschillende korpsen, diensten en staven tegenwoordig waren en de volgende vragen werden gesteld. Eerstens of van een hernieuwden aanval eenig succes te verwachten en of het raadzaam was daartoe over te gaan. Deze vraag werd in verband met de door den vijand aan den dag gelegde krachtsontwikkeling en ingenomen positie en in verband met onze eigene beschikbare strijdmagt eenstemmig ontkennend beantwoord, op grond waarvan door den opperbevelbebber werd besloten niet tot een hernieuwden aanval over te gaan. Tweedens in hoever het, op den voorgrond stellende dat de thans ingenomen positie, welke derhalve niet meer dient tot punt van uitgang voor een aanval op het object (den kraton), verlaten moet worden, overweging verdient nog dienzelfden dag tot de ontruiming over te gaan. Omtrent deze vraag waren de gevoelens verdeeld, hebbende zich twee der aanwezige chefs voor een onverwijld terugtrekken verklaard. Door den opperbevelhebber werd evenwel beslist met het terugtrekken tot den volgenden dag te verwijlen, als wanneer de met de geblesseerden vertrekkende koelies terug zouden gekeerd zijn, zoo mogelijk nog vermeerderd met een honderdtal, ten einde bij het retireeren naar de operatie basis (het strand) niets te behoeven achter te laten. Aan dit terugtrekken is dan ook in den ochtend van den 17den door de gezamenlijke magt in de beste orde gevolg gegeven, en is daarna de opperbevelhebber met den chef van den staf aan boord gekomen ten einde met den Gouvernements-Commissaris te aboucheeren. Na de mededeeling van een en ander, en na van den Gouvernements - Commissaris op de vraag, of de politieke onderhandelingen welligt eene gunstige wending hadden genomen, ten antwoord te hebben bekomen dat van zoodanige onderhandelingen hoegenaamd geen sprake meer is geweest, stelde de opperbevelhebber als zijne meening op den voorgrond, waarin door den chef van den staf geheel werd gedeeld, dat staking der krijgsverrigtingen alleszins wenschelijk is, niet slechts wegens het groote aantal gesneuvelden en gewonden, bedragende dit voor de landmagt alleen reeds ruim 400 man, als vooral ook uit hoofde der feitelijk gebleken onvoldoendheid der middelen waarover op dat oogenblik tegen een overmagtigen en hoogst verwoeden vijand te beschikken valt, terwijl ook dan, wanneer nog zoo spoedig mogelijk versterking mogt kunnen worden gezonden, hiermede in elk geval zooveel tijd zou verloopen, dat het seizoen, hetwelk reeds bij de uitrusting der expeditie als het alleen geschikte werd aangegeven, feitelijk zou zijn verstreken, en men dus de krijgsverrigtingen in het ongunstige seizoen zou moeten op nieuw aanvangen ; voorts mogt zijns inziens niet worden uit het oog verloren dat de voorraad hooi voor de artillerie- en cavaleriepaarden zelfs bij verminderd ration slechts voor een acht hoogstens tien dagen zou kunnen strekken, en volgens verklaring vaa den paardenarts het voeder van gaba en rijst op den duur niet van voldoende gehalte zou zijn. Den ernstigen toestand waarin de troepenmagt zich thans bevindt ten volle beseffende en de hooge beteekenis der door den opperbevelhebber geopperde bezwaren erkennende, meende de Gouvernements-Commissaris evenwel onder de aandacht te moeten brengen welken hoogst ongunstigen indruk eene staking der expeditie en een terugkeer der troepen uit den aard der zaak zouden moeten maken.
Bij de overweging van dit punt werd de vraag ter sprake gebragt of gedurende den kwaden moesson de reede van Atjeh eene veilige ligplaats voor de schepen zou blijven aanbieden en de gemeenschap van de reede met het strand niet verbroken zou worden. Deze vraag meende de kommandant der maritieme middelen in algemeenen zin ontkennend te moeten beantwoorden; zijns inziens maakt de in de maand April ingevallen kwade moesson het liggen ter genoemde reede aan groote bezwaren onderhevig, met het oog op de hooge zeeën en de hevige branding, welke het behoud van de tegenwoordige ankerplaats nabij het strand niet doenlijk zoude maken, terwijl de buijen uit het noord-westen dikwerf elke gemeenschap met den wal afsluiten. Na deze toelicbting oppert de Gouvernements-Commissaris de vraag of de marine bij magte is om in afwachting der komst eener eventuële tweede expeditie herwaarts Atjeh's kusten met vrucht te bekruisen, ten einde den invoer binnen 'slands van wapens en ammunitie enz. te beletten. Naar het oordeel van den bevelhebber der maritieme middelen zou de kwade moesson de uitoefening der politie ter zee zeer bemoeijelijken, en zouden ook de vaartuigen, in verband met de hierboven genoemde bezwaren van nautischen aard, de kusten niet genoeg kunnen naderen om op afdoende wijze tegen invoer van contrabande te waken. Bovendien werd door gemelden bevelhebber gewezen op den bekenden slechten staat der ketels van Zr. Ms. stoomschepen Djambi, Marnix en Coehoorn, welke het die bodems ondoenlijk maakt steeds stoomklaar te blïjven en het noodige drinkwater te distilleeren, terwijl eindelijk bij gebreke van dat water het heen en weêr stoomen naar en van Pinang, om zich van die levensbehoefte te voorzien, een grooten voorraad steenkolen eischt, welken het onzeker is ter gemelde plaats steeds in genoegzame mate te zullen aantreffen, Alsnu, na al die punten in ernstige beschouwing te hebben genomen, terugkomende op het vraagstuk der al dan niet staking van de ondernomen krijgsverrigtingen en den terugkeer der troepenmagt, gaf de Gouvernements-Commissaris te kennen dat dien-aangaande alleen door de Regering kan worden beslist, waarna door den opperbevelhebber het voorstel werd gedaan om al voort van den tegenwoordigen stand der zaken en van het in overweging genomen vraagpunt aan den Gouverneur-Generaal mededeeling te doen en Zijner Excellentie's welmeenen te vragen hoedanig verder ten deze behoort te worden gehandeld. Daarop telegram vastgesteld, heden morgen per Hornet naar Pinang verzonden. Aldus opgemaakt door Nieuwenhuyzen, van Daalen, Koopman, Egter van Wissekerke. Gouvernements-Commissaris Nieuwenhuyzen.
 

De Gouverneur-Generaal stelt hierop de vraag, wat in de gegeven omstandigheden te doen valt: de reeds uitgeruste versterking, bestaande in twee bataillons infanterie en eenige artillerie met den bereids aangewezen nieuwen opperbevelhebber, generaal-majoor Verspijck, met den meesten spoed naar Atjeh te doen vertrekken, dan wel gevolg geven aan de eenstemmige inzigten van de vergadering voor Atjeh en de expeditie te doen wederkeeren om haar met de voor een succes onmisbaar blijkende magtsontwikkeling te hervatten in een gunstiger seizoen.
Van alle zijden wordt op den voorgrond gesteld dat het niet doorzetten der expeditie een zoo treurig uiterste zou zijn, dat niet dan wanneer de omstandigheden dit volstrekt gebieden daartoe mogt besloten worden.
Doch tevens moest na ernstige overweging der gerezen moeijelijkheden met het diepste leedwezen worden erkend, dat die omstandigheden aanwezig waren ; dat, zooals de Gouvernements-Commissaris dit uitdrukt, de positie onhoudbaar is en geen halve maatregelen dien ten goede kunnen keeren.
Het eerste, alles afdoende bezwaar was het even vroeg als krachtig doorkomen van het ongunstig seizoen.
Met de uitspraak van den kommandant der maritieme middelen, dat weldra de reede van Atjeh geen veilige ligplaats voor schepen meer zal aanbieden en de gemeenschap van de reede met het strand ernstig bedreigd wordt, stemt de Vice-Admiraal Uhlenbeck volmondig in en hij verklaart het in de eerste twee maanden onmogelijk om de gemeenschap met den wal te onderhouden, terwijl daarna de regenmoesson met kracbt intreedt.
Hij vraagt hoe het mogelijk zal zijn om te voorzien in de voeding van de expeditionaire magt, in den geregelden aanvoer van drinkwater, in het evacuëren der gewonden en in zooveel andere eischen en behoeften, die geen uitstel gedoogen ?
De troepen, van alle zijden bestookt door een talrijken vermetelen vijand, zouden alsdan aan onbeschrijfelijke ellende ten prooi zijn ; in één woord er zou niets van teregt komen.
Ook de Kommandant der Landmagt vindt den toestand hagchelijk.
Volgens een door hem, staande de vergadering, van den opperbevelhebber ontvangen telegram, is de stemming der troepen gedrukt en zijn alle omstandigheden even ongunstig, met het vooruitzigt van verergering met den dag, al naar mate de slechte moesson in hevigheid toeneemt. Dan zal ook door ziekte, menigeen worden weggemaaid, onder de aanhoudende regens het opereeren uiterst moeijelijk wezen, om nog niet eens te gewagen van de alles afdoende bezwaren door den Vlootvoogd in 't midden gebragt.
Van welke zijde hij de zaak ook beschouwt, ziet hij voor 't oogenblik geen enkel lichtpunt, en bij volharding niets dan het geheel wegsmelten onzer troepenmagt in 't verschiet.
De thans ontvangen tijdingen zijn naar zijn oordeel van dien aard, dat hij het zenden van 2 bataillons beschouwt als een halven maatregel, waarvan de uitkomst naar menschelijke berekening niet anders kan zijn dan het lijden van een nieuw, maar veel gevoeliger échec, - een échec dat een vrij wat pijnlijker indruk te weeg brengen, vrij wat ongunstiger terugslag voor ons gezag hebben zou, dan wanneer thans geweken wordt voor de elementen en de expeditie tot een beter jaargetijde uitgesteld.
De nu gedane stap is in elk geval niet als een verloren werk te beschouwen; we weten nu dat wij te doen hebben met een onversaagden, tegen ons in den hoogsten graad verbitterden vijand; diens middelen van tegenweer, de omvang zijner strijdkrachten, waar-omtrent wij in volslagen duisternis verkeerden, zijn thans vrij goed bekend geraakt ; met het terrein, de locale gesteldheid is dit evenzeer het geval. Kortom, er is thans op groote schaal eene verkenning gedaan, wier resultaten de basis zullen zijn van alle volgende operatien.
De Vice-admiraal brengt nog te berde den treurigen toestand onzer maritieme middelen, voor wie bij eene expeditie als deze eene zoo belangrijke rol is weggelegd.
Ook is de voorraad marine-amunitie, hier te lande aanwezig, te gering om iets van beteekenis te ondernemen.
De generaal-majoor Verspijck was aanvankelijk van meening dat eene hervatting der agressieve beweging nog wel te beproeven zou zijn, al zette hij ook zelf voorop dat de kansen op succes allerongunstigst stonden.
Op de vraag echter, door den voorzitter hem met den meesten ernst gedaan, of de luttele kans op succes tegen zoo vele slechte gewaagd mag worden, of hij, zoo hij de verantwoordelijkheid eener beslissing te dragen had, onze brave soldaten aan de mogelijkheid, ja ! waarschijnlijkheid zou durven blootstellen van aan het strand van Atjeh weg te sterven op de droevigste, voor ons prestige meest fatale wijs, geeft de Generaal Verspijckeen bepaald ontkennend antwoord.
Nu alle militaire en maritieme autoriteiten, zoo voor Atjeh, als in de vergadering aanwezig, om verschillende zeer gewigtige redenen, doch vooral om het ongunstig jaargetijde, hierin overeenstemmen dat dadelijk behoort te worden wedergekeerd, geven ook de leden van den Raad van Nederlandsch-Indie, hoe noode ook, als hun gevoelen achtereenvolgens te kennen, dat niets anders overblijft dan terug te trekken, met alle beschikbare middelen de Atjehsche wateren door onze oorlogstoomers te doen bekruisen en de kust te blokkeeren, en bij de intrede van het gunstige jaargetijde de krijgsbedrijven te lande te hervatten, met zulk eene magt en zoodanig uitgerust, dat eene glansrijke overwinning vooraf zoo goed als verzekerd zij.
Aan deze eenstemmige zienswijze sluit de Gouverneur-Geueraal zich met volle overtuiging aan, niet slechts uit een oogpunt van goede staatkunde, om namelijk de groote kans te vermijden van eene tweede, in hare gevolgen veel noodlottiger nederlaag, maar bovenal uit diep gevoeld besef van wat hij aan onze dappere krijgers verschuldigd is.
Dezen nutteloos op te offeren, terwijl, naar vertrouwd wordt, eene eervolle retraite nog uitvoerbaar is, ware een daad van onmenschelijkheid, eene Nederlandsche Regering onwaardig ; eene daad, die een veel treuriger weerklank zou hebben, zoo in lezen archipel, als daar buiten, dan van een tijdelijke staking der vijandelijkhelen te lande te verwachten is.
De Gouverneur-Generaal deelt mede, dat hij nog dienzelfden avond tot den terugkeer der expeditie den Gouvernements-Commissaris zal magtigen ; waarop, na een kort debat over het tijdelijk versterken onzer strijdkrachten in het Gouvernement van Sumatra's West-kust en in de residentie Riouw, de vergadering door den voorzitter gesloten wordt.
 


De Gouverneur-Generaal van Nederlandsch lndie,

(w. g.) J. LOUDON.

In kennisse van mij,

De Algemeene Secretaris,

(w. g.) Levyssohn NORMAN.