GEWENST EN NIET GELIEFD


 
 

ADVIES
 
 

over het monument aan Apollolaan/Olympiaplein


 
`Wij herdenken het verleden niet alleen om zichzelf, maar ook omdat het ons inzicht biedt in onze huidige situatie en in onze toekomstige uitdagingen en mogelijkheden. Daarbij moeten wij niet de donkere bladzijden vergeten in onze gezamenlijke geschiedenis waarin we tegenstanders waren (...), zodat we ermee in het reine komen en zodat we onze speciale relatie kunnen vernieuwen en versterken.'   1


 

`(....) Minimum consensus (over een monument) is vereist met het oog op de herdenkingsfunctie, die velen dient aan te spreken en ruimte dient te bieden aan meervoudige interpretaties. (...) Door voorbij te gaan aan historische en politieke debatten dreigen monumenten het verleden tot een onschuldig tijdverdrijf te maken.' 2

In Nederland is een discussie over de omgang met ons verleden in gang gezet. De uitkomst is onzeker. Het winstpunt is echter de bereidheid om de donkere bladzijden van onze geschiedenis open te slaan. In dit verband nemen we ook een nieuwe aandacht voor monumenten waar. De Stadsdeelraad Amsterdam Oud-Zuid heeft aan het Instituut Clingendael gevraagd om middels een advies een oplossing aan te dragen voor een monument dat van meet af aan heeft geleid tot discussie en actie: het monument aan de Apollolaan dat ter ere van de generaal en gouverneur-generaal van het voormalige Nederlands-Indië Van Heutsz is opgericht. 3
 
 

Het Instituut Clingendael richt zich bij zijn advies op twee aspecten: (1) de historische uitleg bij het monument en (2) de functie welke tot uitdrukking dient te komen in de naamgeving.

1.     Er bestaat een breed gedragen behoefte aan een historische uitleg bij het monument. Twee mogelijkheden doen zich voor die in de toelichting verder worden uitgewerkt:

In dit advies gaat de voorkeur uit naar de eerste mogelijkheid: de geschiedenis van het monument.

2.      Ten aanzien van de functie van het monument welke betekenis heeft voor de naamgeving en invulling van de voorkant van de sokkel zijn drie opties in overweging genomen:
In dit advies wordt de eerste optie niet ondersteund. De tweede en derde optie kunnen beide in overweging genomen worden. De voorkeur gaat echter uit naar de derde optie: de woorden Nederland en Indië samen met de jaartallen 1596 en 1949. In de toelichting bij dit advies worden de keuzen ten aanzien van deze drie voorstellen nader belicht.
*******

Den Haag, 31 mei 2000.
 
 
 

Toelichting
 
 

In de `Opdrachtformulering' 4 verzocht het Dagelijks Bestuur van Amsterdam Oud Zuid het Instituut Clingendael onder meer om inzicht te krijgen in de problematiek rond de naam en functie van het Van Heutszmonument en het documenteren daarvan, alsmede hierover een eindadvies in te dienen. Ten einde tot een afgewogen advies te komen is gesproken met deskundigen, vertegenwoordigers van belangenorganisaties en met direct betrokkenen. In de paragraaf `het advies' volgt een uiteenzetting over de motieven die tot de adviezen hebben geleid. Deze paragraaf omvat ook nog enkele voorstellen met betrekking tot het monument. In de daarop volgende paragraaf `de procedure' wordt inzicht verschaft in de weg die is gevolgd om tot het advies te komen. Bij het opstellen van de adviezen is gebruikt gemaakt van de opvattingen van de deelnemers. Deze zijn echter niet letterlijk overgenomen, aangezien de gesprekken een inventariserend karakter hadden en de inzichten, over alle gesprekken genomen, soms vrij ver uit elkaar lagen.
 
 

Het advies

  1. Functie van het monument
  2. In de verschillende gespreksronden bleek duidelijke consensus te bestaan over de functie die het monument zou moeten krijgen. Over een mogelijke naamgeving bestond geen overeenstemming. Algemeen kozen de gesprekspartners voor een verbreding en nadere uitleg van de thematiek van het monument, zodat er meer aandacht voor het koloniaal verleden van Nederland zou komen. Deze functie van ereteken voor een historisch persoon wordt dientengevolge gewijzigd in een gedenkteken met een meer overdenkend karakter: het monument wordt nu een gedenkteken met aandacht voor het Nederlands kolonialisme in Indonesië.

  3. Historische uitleg bij het monument
  4. Toevoeging aan het monument van een beknopte uitleg van de koloniale tijd en in het bijzonder van het geweld in Aceh was een breed gedeelde opvatting. Ook de mogelijkheid om aan de hand van de geschiedenis van het monument de betekenis van het kolonialisme aanschouwelijk te maken werd breed gedragen. In het advies wordt de voorkeur uitgesproken om de geschiedenis van het monument aan het monument toe te voegen. De motivering is de volgende:

Het monument heeft van het begin af aan geleid tot soms heftige debatten over de rol van Van Heutsz en de betekenis van het kolonialisme in Nederlands-Indië. Het begon al bij de besluitvorming over het monument in 1928. De argumenten voor en tegen het dan nog op te richten monument, die zich niet alleen richtten op de rol van de generaal Van Heutsz maar ook op zijn functioneren als gouverneur-generaal in het koloniale systeem, hebben ook voor deze tijd niets aan waarde verloren. De architect en beeldhouwer van het monument hadden vooral een harmonische band tussen Nederland en Indië in gedachten en deze hebben zij verbeeld; Van Heutsz zagen zij in de eerste plaats als de man die orde en welvaart in Indië had gebracht. Deze opvatting bleek onder meer uit de verdwenen tekst die ooit aan de achterkant van het monument was bevestigd: `Zijn scherpe blik/Zijn helder verstand/Zijn krachtige wil/Bevestigden het gezag en/Bevorderden de welvaart/In Nederlandsch Indië.' Over deze interpretatie van zijn persoon en zijn handelen in samenhang met het koloniale systeem hebben ook de volgende generaties tot op de dag van vandaag hun afschuw, maar ook hun instemming betuigd.
 

De geschiedenis van het monument laat zien hoe de opvattingen over het koloniale systeem al tijdens het koloniale tijdperk uiteenliepen, maar ook door de tijd heen verschoven. Over de geschiedenis van het monument en de discussies er omheen bestaat veel documentatie. Het verhaal van het monument biedt het voordeel dat de interpretaties van de koloniale tijd en de koloniale gezagsdragers dynamisch blijven: ze worden niet door deze tijd - het jaar 2000 - vastgelegd, maar slechts aangevuld. De verschillen in interpretaties van het kolonialisme en de rol van Van Heutsz als een verpersoonlijking van bepaalde aspecten van het koloniale systeem worden geïllustreerd via de betrokkenen bij het monument zelf. Het verhaal kan zó bijdragen tot het ontwikkelen van eigen inzichten over het koloniale verleden van Nederland.
 
 

De geschiedenis van het monument in woord en beeld kan op drie manieren worden weergegeven:
 

Het verdient aanbeveling om met de beschrijving van de geschiedenis van het monument op korte termijn te starten, aangezien de inhoudelijke voorbereidingen voor het examen van het vak Geschiedenis al begonnen zijn.

 
 
  1. Naamgeving van het monument
In de gespreksnotitie werden vier mogelijkheden voor de toekomstige functie van het monument genoemd: (1) de naam van Van Heutsz blijft gehandhaafd; (2) het monument krijgt een herkenbare andere naam en functie verbonden met de relatie tussen Nederland - Nederlands-Indië - Indonesië; (3) het monument krijgt zichtbaar een andere functie, maar er wordt geen naam voor het monument aan deze nieuwe functie verbonden; (4) het monument blijft zoals het nu is, (eventueel) inclusief de drie lege pinnen aan de voorkant op de sokkel. In het advies is de vierde mogelijkheid met de pinnenvariant niet meer opgenomen, omdat deze gedachte hypothetisch was voor het geval dat er geen uitweg uit de impasse rond het monument gevonden kon worden.

 

In het advies is niet in overweging genomen het afbreken van het monument, aangezien het in de procedure voor erkenning als rijksmonument zit. Ook verwijzingen via het monument naar de post-koloniale tijd zijn niet in dit advies opgenomen, omdat het monument een nadrukkelijk koloniaal karakter heeft en ook in die tijd vervaardigd is. Ten slotte zijn voorstellen om het monument aan bepaalde doelgroepen te wijden - slachtoffers, gevallenen, dienstweigeraars - niet in het advies uitgewerkt, aangezien dit onder meer tot uitsluiting van een bepaalde doelgroep kan leiden. In dit licht bezien zal het `KNIL-bordje' dat ooit aangebracht en weer verwijderd is ook niet herplaatst worden.

Ten aanzien van de drie andere opties worden in dit advies daarentegen wel argumentaties aangevoerd.
 
 

Herstel van de oude situatie

De eerst genoemde optie - restauratie van de voorkant van de sokkel naar de oude situatie - wordt in dit advies verworpen. De afwegingen die tot deze keuze hebben geleid, zijn de volgende:
De eerste overweging weegt bij het opstellen van dit advies het zwaarst en leidt aldus tot een negatief advies over het terugrestaureren naar de oorspronkelijke situatie. Wel dient gemeld te worden dat over dit punt een duidelijk verschil van mening tussen en binnen de gespreksgroepen bestond. Historici gaven over het algemeen de voorkeur aan herstel van de oude situatie op grond van de tweede overweging; vertegenwoordigers van belangengroepen en initiatiefnemers tot naamsverandering verschilden onderling wel sterker van opvatting.

Naar een nieuwe situatie
 

Twee opties die zowel een naams- als functiewijziging van het monument betekenen, worden in dit advies beiden als aanvaardbare alternatieven opgevat. De toevoeging van bijvoorbeeld de naam van de Acehse Tjoet Nja Din aan het monument in samenhang met de naam van Van Heutsz 5 is prikkelend. Beide namen, Tjoet Nja Din en Van Heutsz zouden geïntegreerd kunnen worden in een nieuw kunstwerk aan de voorkant van de sokkel. De andere mogelijkheid - het monument omvat de gehele koloniale periode; aan de voorkant van de sokkel worden de woorden Nederland en Indië aangebracht, eventueel aangevuld met de jaartallen 1596 en 1949 - kan eveneens in overweging genomen worden. De motieven voor en tegen beide opties zijn de volgende:

Samenvattend, de tweede optie, met bijvoorbeeld de naam Tjoet Nja Din, is de meest intrigerende, maar deze voegt nieuwe problemen aan het monument toe. De optie `1596 Nederland Indië 1949', biedt betere perspectieven, maar deze draagt de last van het brede thema. Dit probleem kan echter worden opgevangen door de toevoeging van de beschrijving van de geschiedenis van het monument die ook inzicht geeft in de verschillende interpretaties van het kolonialisme. Beide elementen - een breed thema in samenhang met een concrete toelichting - hebben uiteindelijk geleid tot het advies om de functie van ereteken voor een generaal te wijzigen in een gedenkteken van een periode in onze geschiedenis die we niet kunnen en mogen wegmoffelen.

 
 

Bij dit advies kunnen nog enkele opmerkingen worden gemaakt betreffende het monument en de relatie tot Ind onesië die voor een deel ook de gehele stad Amsterdam betreffen:

Bovengenoemde aanvullende ideeën kunnen bijdragen aan de versterking van de functie van een monument dat voor Amsterdam en meer in het bijzonder Amsterdam Oud-Zuid een speciale betekenis heeft. Het motief dat het monument behouden dient te blijven als gezichtsbepalend element is op zich valide. De meerwaarde ervan ligt in het oproepen van vragen die op zinvolle wijze worden beantwoord door de voorstellingen van en de uitleg bij het monument.

 

De procedure

Binnen de Stadsdeelraad Amsterdam Oud Zuid werd al enige tijd de noodzaak gevoeld om aan de ongewenste situatie rond het monument aan de Apollolaan een einde te maken. Deze noodzaak werd sterker naarmate er meer druk op het bestuur werd uitgeoefend om handelend op te treden. Slechts enkele voorbeelden:

Deze en andere verzoeken aan het toenmalige Stadsdeel Oud Zuid leidden er begin 1999 toe dat het Dagelijks Bestuur van het Stadsdeel Amsterdam Oud Zuid besloot om overleg te plegen met verschillende groeperingen. Uiteindelijk is dit besluit uitgelopen op een verzoek gevolgd door een opdrachtformulering aan het Nederlands Instituut voor Internationale Betrekkingen Clingendael om een eindadvies te formuleren.
Ten einde tot een afgerond en realistisch advies over de toekomst van het monument te komen is een gespreksnotitie ten behoeve van het Dagelijks Bestuur van het Stadsdeel Amsterdam Oud-Zuid geschreven en zijn er drie gespreksronden met verschillende groepen gehouden. Naast deze drie gespreksronden werden er nog drie gesprekken gevoerd: het eerste met enkele Indonesiërs, onder wie een persoon uit Aceh (17/4/2000), een tweede met professor H. Schulte-Nordholt (17/4/2000); het derde met enkele docenten geschiedenis van scholen in de omgeving van het monument (17/5/2000). De drie gespreksronden alsook de discussie met de groep uit Indonesië vonden plaats in de Raadszaal in het Stadsdeelkantoor op de Koninginneweg. De docenten kwamen in het Amsterdams Lyceum bijeen.

 

De eerste van de in de gespreksnotitie aangekondigde drie gespreksronden werd gehouden met een groep historici. Enkele van de genodigden konden wegens tijdgebrek niet aan de gesprekken deelnemen. Aan de tweede gespreksronde namen vooral vertegenwoordigers van belangengroepen deel. Helaas haakte de (oud)politici om verschillende redenen af. Ook de deelname aan de voorbereiding van een belangrijke conferentie over Indonesië en de Europese Unie op 11 en 12 mei verhinderde enkele genodigden om te komen. Voor de laatste gespreksronde waren verschillende initiatiefnemers en de wijkcentra uitgenodigd. Van de wijkcentra was alleen een vertegenwoordiger van de Vondelpark-Concertgebouwbuurt aanwezig. De mededeling werd gedaan dat de uitnodiging het Wijkcentrum Ceintuur niet had bereikt. Aan de gespreksronden namen ook familieleden van de architect en beeldhouwer van het monument deel.
 

De gesprekken waren onmisbaar voor de gedachtenvorming over het advies, hoewel heel veel ideeën om allerlei redenen van praktische en andere aard niet zijn overgenomen of in dit advies becommentarieerd. In de verslagen van de gesprekken en enkele afzonderlijke inzendingen van de deelnemers zijn deze ideeën terug te vinden. Hoe dan ook, ze vormden een rijke bron van informatie die bij aanvaarding van dit advies opgenomen dient te worden in de beschrijving van de geschiedenis van het monument aan de Apollolaan en het Olympiaplein.
 
 
 

Ten slotte

De Stadsdeelraad Amsterdam Oud-Zuid heeft bij het opstellen van dit advies een belangrijke ondersteunende rol gespeeld. Het overleg met Helma Bokhove, Hoofd afdeling Ruimtelijke Ordening, was plezierig en vooral constructief. Met Christine van 't Hull, Communicatie-adviseur, is vruchtbaar samengewerkt in de omgang met de media en de pers. Inge Lavalette, Medewerker Ruimtelijke en Economische Ontwikkeling, heeft niet alleen veel voorwerk verricht, maar ook tijdens het voortraject van het advies met groot enthousiasme heel wat werk verzet. Daarvoor mijn dank.

 

Rob Aspeslagh,

Den Haag, 31 mei 2000
 
 
 

BIJLAGE
 
 

GESPREKSNOTITIE
 
 
 

1 Uit de toespraak van Prins Willem-Alexander gedaan op donderdag 20 april te Nagasaki, de Volkskrant, 21 april 2000. Deze woorden gericht aan Japan in het kader van vierhonderd jaar Japans-Nederlandse betrekkingen kunnen evenzeer van toepassing zijn op de relatie tussen Nederland en Indonesië.
2 Elsbeth Locher-Scholten, `Van Indonesisch monument tot Indisch monument: vijftig jaar Nederlandse herinnering aan de Tweede Wereldoorlog in Azië.' BMGN, 114 (1999) afl. 2. 222.
3 Zie de gespreksnotitie in de bijlage.
4 Zie bijlagen.
5 Van verschillende kanten is de suggestie gedaan om naast Van Heutsz de naam van een bekende Indonesiër aan het monument te verbinden. De naam van Tjoet Nja Din werd genoemd door Ton van der Geugten. Tjoet Nja Din (1850-1908) was een vorstendochter die tijdens de oorlog in Aceh een van de felste tegenstanders van Nederland was. Zij en haar tweede echtgenoot, Tekoe Oemar, zijn nauw verbonden met de geschiedenis van Aceh en het verzet tegen het Nederlandse geweld ten tijde van Van Heutsz en anderen. Tjoet Nja Din stierf uiteindelijk op Java in ballingschap.Zie voor Tjoet Nja Din o.a.: Cut Nyak Din (1850-1908) Pahlawan Perjuangan Kemerdekaan Surat Keputusan Presiden Republik Indonesia no 106/Tahun 1964, tanggal 2 mei 1964; en M.H. Szekely-Lulofs, Tjoet Nja Din. De geschiedenis van een Atjehse vorstin, Den Haag 1985.
6 Zie bijvoorbeeld het Concertgebouw en de Tweede Kamer. Naamswijziging zien we optreden bij straatnamen: in 1956 werd bijvoorbeeld de Stalinlaan omgedoopt in Vrijheidslaan als reactie op het binnenvallen van Hongarije door de Sovjet Unie en enkele bondgenoten.
______________ 
[Terug]