NOTA INZAKE HET VAN HEUTSZ-MONUMENT

HELD OF HOUWDEGEN?

1. Inleiding.

Als je mensen vraagt waar het Van Heutsz-monument zich bevindt, dan zijn er heel wat die niet weten dat hiermee de monumentale scharnier tussen Apollolaan en Olympiaweg op de kop van het Olympiaplein bedoeld wordt en nog minder mensen zullen bij dit bouwwerk denken aan generaal Van Heutsz. Misschien zullen sommigen deze naam nog in verband kunnen brengen met onze vaderlandse geschiedenis, maar wie hij was en wat hij gedaan heeft zullen weinig mensen zich nog kunnen herinneren. Daarentegen zullen velen van ons zich nog voor ogen kunnen halen hoe op mooie zomerdagen, nog niet eens zo lang geleden, kinderen in de vijver van het monument speelden, met ontzag opziend naar de hoog boven hen uitrijzende stenen vrouwenfiguur met twee kleine leeuwen aan haar voeten. Of misschien hebben wij hier zelf wel als kind gespeeld. Bij omwonenden is dit monument dan ook beter bekend als "Mie met de hondjes" en sommige oud-leerlingen van het er tegenover gelegen Amsterdams Lyceum kennen het als "Juffrouw van Heutsz". Dat deze vrouwenfiguur het Nederlandse gezag in voormalig Nederlands-Indië symboliseert, zal ook de meesten van ons ontgaan zijn. Kortom, niet veel mensen zullen er bij stilstaan dat dit fraai aangelegde bouwwerk van baksteen met de kleine reliëfs aan de zijkant van de sokkel hier is neergezet ter nagedachtenis van een generaal en een zaak waarvoor menigeen zich thans zouden schamen. Het wordt tijd dat wij de reeds op gang gekomen discussie voortzetten, dat wij ons opnieuw bezinnen op de betekenis van dit monument en ons afvragen of het wellicht een andere bestemming zou moeten krijgen, een bestemming die meer recht doet aan de hedendaagse beoordeling van ons koloniale verleden. Vandaar deze nota.
   

Achtereenvolgens zullen aan bod komen:

* een overzicht van de tot nu toe gevoerde discussie;

* de persoon en daden van generaal Van Heutsz;

* het grafmonument op de Oosterbegraafplaats;

* het Van Heutsz-monument en zijn ontwerpers;

* de visie van Amsterdam Anders/De Groenen;

* het voorstel tot een prijsvraag voor een andere bestemming.
   
   

2. Wat vooraf ging.
   

Begin 1997 besloot Stadsdeel Zuid om het Van Heutsz-monument met bijbehorend plantsoen op de kop van het Olympiaplein een opknapbeurt te geven. De toenmalige wethouder Rita Weeda had zich op dat moment kunnen realiseren, dat daarmee de al tientallen jaren steeds weer oplaaiende discussie over degene, aan wie dit monument gewijd was, nieuw voedsel zou krijgen.
   

* Want reeds voor zijn onthulling op 15 juni 1935 was het Van Heutsz-monument al een omstreden bouwwerk. Dat was al het geval toen de gemeenteraad in 1928, ondanks verzet daartegen van links, besloot tot oprichting van een monument voor de "pacificator van Atjeh" op de huidige plek tegenover het Amsterdams Lyceum.

* Tijdens de Tweede Wereldoorlog wilde de oudste zoon van generaal Van Heutsz, even 'fout' als de toenmalige burgemeester Voûte, dit monument ter nagedachtenis aan zijn vader laten slopen, omdat hij vond dat het "de verwording van de vroegere gemeenteraad zo duidelijk demonstreert". Deze zoon was tijdens de oorlog actief lid van de SS, waarbij hij de functie van Sturmbahnführer bekleedde.

* Na de oorlog herinnerden de provo's ons eraan dat het op dat moment nog steeds gangbare oordeel over ons eigen koloniale verleden dringend aan herziening toe was. In 1965 schilderden zij met grote witte letters op de sokkel van het monument de woorden PROVO en IMAGE om aan te geven dat iedere verering van houwdegens als generaal Van Heutsz, na de ervaring van de Duitse bezetting in eigen land niet langer te verdedigen viel.

* Op 10 maart 1967 werd het monument slechts licht beschadigd door een mislukte bomaanslag van enkele leden van de PSJW (jongerenorganisatie van de PSP), die daarmee het omstreden huwelijk van Beatrix en Claus von Amsberg van een jaar daarvoor wilden gedenken.

* In november 1969 vroeg het toenmalige PSP-gemeenteraadslid Fries de Vries aan B & W om de reliëfbuste van generaal Van Heutsz op het monument te laten verwijderen en het bouwwerk een andere bestemming te geven. Aanleiding voor zijn voorstel was het boek van Paul van 't Veer, getiteld De Atjeh-oorlog. Zijn verzoek werd niet gehonoreerd omdat de reliëfbuste, evenals het monument zelf, volgens B & W deel uitmaakte van onze geschiedenis.

* In 1984 werd bij het monument voor de tweede maal een bom geplaatst, nu door de groep Koetoh Reh (de naam van een kamp dat in 1904 door een Nederlandse strafexpeditie was uitgemoord), maar ook deze aanslag mislukte. Wel verdween enkele jaren later op raadselachtige wijze de reliëfbuste van Van Heutsz aan de voorkant van de sokkel, evenals de plaquette aan de achterkant.

* In augustus 1994 pakte buurtbewoonster en oud-leerlinge van het Amsterdams Lyceum Han van der Linden-Schadd de draad weer op en verzocht het toenmalige Stadsdeel Zuid het monument na een opknapbeurt een "tweede leven te gunnen als Indonesië-monument ter herinnering aan eeuwen van lotsverbondenheid". Ze stelde tevens voor het Amsterdams Lyceum te vragen om het monument na de bestemmingswijziging te adopteren, zoals ook in andere gevallen de zorg voor oorlogsmonumenten vaak aan scholen is opgedragen. Zij benaderde bovendien de toenmalige stadsdeelwethouder Douwe Tiemersma over deze kwestie, waarop deze één van zijn ambtenaren, mevrouw Inge Lavalette, gegevens liet verzamelen over generaal Van Heutsz, de totstandkoming van het monument en de makers ervan.

* Mevrouw Van der Linden Schadd herhaalde haar voorstel tot wijziging van de naam in "Indonesië-monument" tijdens de inspraakavond over het opknappen van het monument op 29 mei 1997 in het Amsterdams Lyceum. Verschillende bewoners, onder wie Koos Borghouts en Meindert Bos, vroegen zich verontrust af of na de opknapbeurt ook weer een plaquette met de beeltenis van Van Heutsz zou worden aangebracht. Deze bewoners brachten de bloedige strafexpedities van Van Heutsz in herinnering en vonden dat handhaving van een monument voor zo'n ijzervreter zou neerkomen op een misplaatst eerbetoon voor moordpartijen. Zij drongen er op aan met de opknapbeurt tevens de bestemming van het monument te veranderen. De toenmalige wethouder Rita Weeda vond zo'n discussie op dat tijdstip niet opportuun. Wel stond zij open voor ideeën van bewoners, die het initiatief tot zo'n discussie zouden willen nemen.

* De discussie werd in de tweede helft van 1997 voortgezet door middel van ingezonden brieven in de Wijkkrant voor de Vondelpark/Concertgebouwbuurt. Koos Borghouts wilde van het Van Heutsz-monument een gedenkteken maken "ter nagedachtenis van de vele dienstweigeraars die (kort na de Tweede Wereldoorlog) niet naar Indonesië gingen ... om daar opnieuw een Nederlands regime te vestigen". Ook Han van der Linden Schadd had geen behoefte aan een voortgezet eerbetoon aan Van Heutsz, maar wilde uitsluitend "eerherstel voor het monument zelf" omdat ze het "als een architectonisch hoogtepunt in de Olympiapleinbuurt" beschouwde, "samen met het Amsterdams Lyceum en de Willem de Zwijgerkerk".

* Vervolgens verstomde de discussie even totdat de afdeling Zuid/De Pijp van Amsterdam Anders/De Groenen in het kader van haar verkiezingscampagne voor de nieuwe Stadsdeelraad het thema begin 1998 weer oppakte. Op 21 februari ging Roel van Duijn, lijsttrekker van Amsterdam Anders/De Groenen voor de gemeenteraad en lijstduwer voor de afdeling Zuid/De Pijp van deze partij, bij het monument in discussie met generaal Van Heutz, die voor dit doel uit zijn graf op de Oosterbegraafplaats was herrezen. Daarna onthulde hij met andere kandidaten van Amsterdam Anders/De Groenen een 'blanco' plaquette in de vorm van een witgeschilderd bord om daarmee aan te geven dat de nieuwe, positieve bestemming van deze "parel van de Marathon- en Stadionbuurt" niet eenzijdig van hogerhand zou moeten worden bepaald, maar dat de ideeën hiervoor vooral door de bewoners moesten worden aangedragen. Amsterdam Anders/De Groenen beloofde na de verkiezingen met een voorstel voor een prijsvraag hiervoor te zullen komen. Deze prijsvraag zou moeten leiden tot een nieuwe plaquette op de sokkel, waarin op gepaste wijze zou worden afgerekend met ons koloniale verleden.
   
   

3. Wie was generaal Van Heutsz?
   

Voor wie dit onderwerp uit de geschiedenislessen niet meer paraat heeft of het zich nog maar vaag herinnert, vatten wij de daden van Van Heutsz nog maar even kort samen.
   

Johannes Benedictus Van Heutsz werd in 1851 in Coevorden geboren, had als militair een hekel aan burgerdeftigheid en was wat grof in de mond. De zwaar besnorde generaal is bekend geworden als de bloeddorstige "pacificator" (= rust en orde brenger) van Atjeh. De bewoners van dit noordelijke deel van Sumatra waren moslims en hadden zich al heel lang en met succes weten te verzetten tegen de Nederlandse koloniale overheersing van dit deel van het voormalige Nederlands-Indië. Met hun zeeroverij maakten zij het de Engelse en Hollandse zeehandel in deze regio knap lastig. Toen in 1873 Nederland de oorlog verklaarde aan Atjeh, ging Van Heutsz hier naar toe als soldaat van het KNIL. De Atjeh-oorlog, die tot 1912 duurde, was de langste en bloedigste koloniale oorlog, die Nederland ooit heeft gevoerd. Nadat eerdere expedities tegen de opstandige Atjehers niet de beoogde definitieve "rust" hadden gebracht, besloot het Nederlandse gouvernement, op aanraden van de Leidse arabist en Islam-kenner Ch. Snouck Hurgronje en op basis van een brochure van de jonge militair Van Heutsz over de oorlog in Atjeh, voortaan hard en krachtdadig op te treden.

In 1896 ging de nu tot luitenant-kolonel bevorderde Van Heutsz tot het offensief over en "bracht de vijand zware verliezen toe", zoals dat gewoonlijk genoemd wordt. Op grond van deze "successen" werd Van Heutsz in 1898 tot gouverneur van Atjeh benoemd, in welke functie hij zijn bloedige strafexpedities kon voortzetten. Daarbij vonden tienduizenden Atjehers (gesproken wordt van 70.000) de dood. De Nederlandse regering toonde haar dankbaarheid jegens de "pacificator" door hem in 1904 te benoemen tot gouverneur-generaal van Nederlands-Indië. In die functie wakkerde hij vijf jaar lang de ondernemingsgeest aan in deze voormalige kolonie en bevorderde daarmee de welvaart van de Nederlanders ten koste van de inheemse bevolking. In 1909 legde hij zijn ambt neer, keerde terug naar Nederland, vertrok in 1922 naar Zwitserland en overleed in 1924 in Montreux. Na zijn dood ontstond een mythe, waarin Van Heutsz voortleefde als "de smeder van eenheid in de Archipel". Merkwaardig genoeg wordt uitgerekend in Indonesië deze mythe in regeringskringen nog steeds gekoesterd, gezien de overhandiging van een bronzen plaquette met de beeltenis van Van Heutsz aan gouverneur Syamsuddin van Atjeh door de Nederlandse ambassadeur van Roijen, in oktober 1993.
   

4. Het grafmonument op de Oosterbegraafplaats.
   

Direct na de dood van Van Heutsz opperde de reder E. Heldringh dat de "pacificator" een standbeeld moest krijgen. Mede door zijn toedoen was de gevel van het nieuwe kantoor van de Nederlandse Handel Maatschappij aan de Vijzelstraat al voorzien van een beeltenis van J.B. Van Heutsz, naast beelden van J.P. Coen (1587-1629, stichter van Batavia) en H.W. Daendels (1762-1818, grondlegger van het Nederlands gezag op Java), alle drie ontworpen door de beeldhouwer H.A. van den Eijnde (1869-1939).
   

Er moest en zou ook een standbeeld voor Van Heutsz komen en daarvoor werd in juli 1924 een comité opgericht, met als voorzitter: oud-minister Idenburg van koloniën, tevens als oud-gouverneur van Nederlands-Indië de voorganger van Van Heutsz in die functie. Het Van Heutsz-comité dacht aanvankelijk aan een standbeeld voor het toenmalige Koloniaal Instituut voor de Tropen (het huidige Tropeninstituut en -museum), terwijl tegelijkertijd de Bond van Ridders der Militaire Willemsorde met het voorstel kwam om in Coevorden, de geboorteplaats van Van Heutsz, een gedenkteken voor hem op te richten. Dat monument is er ook gekomen.

Nadat aanvankelijk een maquette voor het beoogde standbeeld in Amsterdam was afgekeurd, kwam men eind 1924 op de gedachte om de stoffelijke resten van Van Heutsz over te laten brengen naar Nederland met het oog op een herbegrafenis. Er ontstonden diverse landelijke, provinciale en plaatselijke comités, die daarvoor geld inzamelden. Ook werd er een breed ere-comité opgericht, met als belangrijkste leden: minister-president Ruys de Beerenbrouck, de ministers van koloniën en financiën De Graaff en Colijn, alle commissarissen van de koningin en de burgemeesters van Amsterdam, Den Haag, Rotterdam en Coevorden. Prins Hendrik werd benoemd tot ere-voorzitter van het comité. Opmerkelijk is dat de eerder genoemde Islamkenner Ch. Snouck Hurgronje grote bezwaren had tegen al deze Van Heutsz-verering.
   

Het ingezamelde geld werd bestemd voor een pompeus grafmonument voor de herbegrafenis op de nieuwe Oosterbegraafplaats in Amsterdam. Uit de ingediende ontwerpen van diverse kunstenaars werden uiteindelijk die van beeldhouwer B.M.A. Ingen Housz en architect D. Roodenbrug gekozen. Ondanks protesten van links Nederland, onder andere van de communist H. Wiessing en de bekende revolutionair Henk Sneevliet, verliep de herbegrafenis van Van Heutsz op 9 juni 1927 rustig.
   
   

5. Het Van Heutsz-monument en zijn ontwerpers.
   

Na voltooiing van het grafmonument op de Oosterbegraafplaats bleek er voldoende geld over te zijn voor nog een monument. Het voorstel om dit tweede monument op het Museumplein te plaatsen leidde tot felle discussies in de gemeenteraad. Met name de sociaal-democraten en communisten vonden dat Van Heutsz al meer dan genoeg was geëerd en beschouwden zo'n tweede monument als een regelrechte provocatie van de arbeidersklasse. In het communistische blad De Tribune werd gewezen op de koloniale situatie in Nederlands-Indië, waarbij lastige inheemse leiders werden verbannen naar concentratiekampen in Boven Digoel (op Nieuw Guinea, tegenwoordig West-Irian) en van het gevangen zetten van linkse studenten. Uiteindelijk besloot de gemeenteraad in 1928 het plantsoen op de kop van het Olympiaplein, tegenover het Amsterdams Lyceum, aan te wijzen als plek voor wat nu het Van Heutsz-monument heet. Het werd op 15 juni 1935 onthuld door koningin Wilhelmina. Daarbij trad minister-president Colijn, die in 1904 nog als adjudant van gouverneur Van Heutsz in Atjeh gediend had, als één van de sprekers op. Tegenstanders van dit eerbetoon aan Van Heutsz protesteerden tijdens de onthulling met spandoeken, waarop ondermeer "Van Heutsz-herdenking is bloedige koloniale onderdrukking" te lezen stond.
   

Het monument is ontworpen door architect Gijsbert Friedhoff en beeldhouwer F.J. (Frits) van Hall. Centraal in dit monument staat op een hoge sokkel een bijna viereneenhalve meter hoge vrouwenfiguur met een wetsrol in de hand en twee kleine leeuwen aan haar voeten. Zij symboliseert volgens Het Amsterdams Beeldenboek "het Nederlands gezag, dat ordenend in het voormalige Nederlands-Indië was opgetreden". Hoog boven haar hoofd schittert, als de zon er op schijnt, een halve stralenkrans van wat op slangvormige krissen lijkt. Generaal Van Heutsz zelf werd afgebeeld op een bescheiden ronde plaquette aan de voorkant van de sokkel, maar deze plaquette is sinds enkele jaren door onbekenden verwijderd. Aan de zijkanten van de sokkel bevinden zich kleine reliëfs, die de cultuur van de Indonesische archipel tot onderwerp hebben. Aan weerszijden van het centrale vrouwenbeeld strekt zich een muur van baksteen uit, die eindigt in een ronding waarin zitbanken zijn geplaatst. De muren worden doorbroken door bogen, waarboven reliëfs zijn aangebracht, die de eilanden van de archipel verbeelden.
   

Andere ontwerpen van de architect Gijsbert Friedhoff (1892-1970) zijn het woonhuis Apollolaan 119, de Wagnerkerk aan de Richard Wagnerstraat, het belastingkantoor aan de Wibautstraat, de Emmakerk aan de Middenweg en het Raadhuis te Enschede.

De beeldhouwer Frits van Hall (1899-1945) werd in Bodja (Java) geboren en was een neef van ex-burgemeester Gijs van Hall, die als gevolg van de fors uit de hand gelopen rellen in 1966 had moeten aftreden. Hij studeerde aan de Rijksacademie in Amsterdam, won in 1926 de Prix de Rome en maakte, naast kleine plastieken in brons en terracotta (vooral naakten), veel monumentale beelden, zoals dit Van Heutsz-monument. Als communist speelde hij in de Tweede Wereldoorlog een actieve rol in het verzet, werd in 1943 gearresteerd en op 18 januari 1945 in Gleiwitz doodgeschoten op terugtocht uit het concentratiekamp Dachau.

Hoe is het mogelijk dat een overtuigd communist en later verzetsstrijder als Frits van Hall meewerkte aan een monument ter nagedachtenis van iemand, die we nu, in het licht van deze tijd, waarschijnlijk een "oorlogsmisdadiger" zouden noemen? Misschien voelde hij zich enigszins verwant met de wereld van Van Heutsz omdat hij zelf ook in het voormalige Nederlands-Indië geboren was. Volgens Het Amsterdams Beeldenboek zou hij tegen collega Jan Meefout gezegd hebben dat het portret van Van Heutsz makkelijk verwijderd kon worden: "Vervang het door de letters Vrijheid, Merdeka of Indonesia en je hebt een Vrijheidsbeeld." Op deze wijze zou op een simpele manier afgerekend kunnen worden met ons koloniale verleden in de Gordel van Smaragd.
   
   

6. Wat wil Amsterdam Anders/De Groenen?
   

Welnu, de verkiezingen zijn achter de rug, inmiddels is op 14 april jl. de nieuwe Stadsdeelraad voor Oud-Zuid (Zuid/De Pijp) geïnstalleerd, is er een nieuw dagelijks bestuur gekozen, zijn de leden van de verschillende commissies benoemd, spuiten de fonteinen in het bassin van het Van Heutsz-monument weer en ligt het bijbehorende plantsoen er eveneens weer mooi bij. Als fractie van Amsterdam Anders/De Groenen in de Stadsdeelraad Oud-Zuid vinden wij het dan ook tijd worden om onze verkiezingsbelofte waar te maken.
   

Zoals al in het begin van deze nota werd opgemerkt, gaat het ons als Amsterdam Anders/De Groenen in de eerste plaats om voortzetting van de discussie over het Van Heutsz-monument, om een discussie die uiteindelijk leidt tot een nieuwe bestemming voor dit gedenkteken.

Begrijp ons goed: wij hebben niets tegen dit bakstenen bouwwerk als zodanig. Integendeel, wij kunnen ons geheel verenigen met het besluit van het toenmalige Stadsdeel Zuid om het een opknapbeurt te geven en zijn dan ook blij dat het monument met bijbehorend plantsoen er weer mooi bij ligt. Het past immers goed in het monumentale Plan-Zuid van Berlage met zijn Amsterdamse School-architectuur. Het zal duidelijk zijn dat wij niet voor sloop van het Van Heutsz-monument zijn, zoals tijdens de Tweede Wereldoorlog door de oudste zoon van generaal Van Heutsz en meer recent door sommige bewoners is geopperd. Immers, met het slopen van gedenktekens ontneem je mensen ook de mogelijkheid om zich te bezinnen op hun eigen geschiedenis.

Daarentegen zijn ook wij, evenals anderen, van mening dat handhaving van het monument als onverbloemd eerbetoon aan generaal Van Heutsz niet meer past in deze tijd. Wij kunnen ons voorstellen dat Van Heutsz en zijn daden in voormalig Nederlands-Indië tijdens zijn leven en kort na zijn dood anders werden beoordeeld dan wij nu geneigd zijn te doen. Voor ons is de opknapbeurt van het monument dan ook een goede gelegenheid om de persoon Van Heutsz en zijn daden eens kritisch tegen het licht te houden en te toetsen aan onze hedendaagse opvattingen over het Nederlandse koloniale verleden. Zoals gezegd, een generaal die tijdens een koloniale oorlog verantwoordelijk is voor ca. 70.000 doden onder de plaatselijke bevolking, zo'n generaal zouden we volgens de normen van Neurenberg en Tokio tegenwoordig met recht een oorlogsmisdadiger noemen. Dat betekent voor ons dat het monument voorzien zou moeten worden van een plaquette, waarop tot uitdrukking wordt gebracht hoe vanuit hedendaagse opvattingen geoordeeld wordt over ons koloniale verleden. Dat kan door de naam van het monument te veranderen. Dit doel kan ook op een andere manier gerealiseerd worden, bijvoorbeeld door naast het vermelden van de geboorte- en sterfdatum van generaal Van Heutsz en zijn daden op de plaquette, hier ook zijn betekenis voor onze geschiedenis, bezien vanuit hedendaagse opvattingen, aan toe te voegen. Hoewel onze voorkeur naar deze laatste mogelijkheid zou uitgaan, zijn wij toch vooral geïnteresseerd in de ideeën van de bewoners hierover.
   
   

7. Een prijsvraag voor een andere bestemming.
   

Het Van Heutsz-monument ligt binnen de gemeentegrenzen van Amsterdam, of actueler uitgedrukt: binnen de grenzen van Stadsdeel Oud-Zuid. Het besluit tot plaatsing van het Van Heutsz-monument tegenover het Amsterdams Lyceum is dan ook genomen door de gemeenteraad van Amsterdam.
   

Rekening houdend met het feit, dat op het moment van indiening van deze nota nog niet bekend is wie bevoegd is tot wijziging van de bestemming van dit monument, stellen wij voor dat
   

1. het dagelijks bestuur van Stadsdeel Oud-Zuid een prijsvraag uitschrijft onder de bevolking van dit stadsdeel, waarin zij wordt opgeroepen voorstellen voor een nieuwe bestemming van het huidige Van Heutsz-monument in te dienen, die passen binnen de visie zoals wij die in de vorige paragraaf geformuleerd hebben (de betekenis van Van Heutsz en ons koloniale verleden, bezien vanuit hedendaagse opvattingen). Wat ons betreft hoeven bewoners van buiten dit stadsdeel niet van deelname te worden uitgesloten.
   

2. het dagelijks bestuur van Stadsdeel Oud-Zuid een jury benoemt, die tot taak krijgt om de binnen de daarvoor vastgestelde termijn ingezonden voorstellen te beoordelen en daaruit het winnende voorstel te kiezen.
   

3. het dagelijks bestuur van Stadsdeel Oud-Zuid of de jury de gekozen inzending en de winnende inzender bekendmaakt en de daarbij horende prijs overhandigt tijdens een daartoe te organiseren bijeenkomst.
   

Het spreekt dan vanzelf dat Stadsdeelraad Oud-Zuid, op grond van de uitkomst van bovengenoemde prijsvraag, vervolgens, op voordracht van het dagelijks bestuur, besluit om het oordeel van de jury over te nemen en
   

a het Van Heutsz-monument te voorzien van een plaquette, die de tekst van de winnende inzending of op z'n minst een tekst van gelijke strekking bevat, dan wel
   

b de daartoe bevoegd zijnde instantie te verzoeken om het Van Heutsz-monument te voorzien van een plaquette, die de tekst van de winnende inzending of op z'n minst een tekst van gelijke strekking bevat.
   
   

Paul Berendsen

Ginet Gebert

Coen Tasman
   

Amsterdam-Oud-Zuid, 23 september 1998.
   

Bronnen:
   

* Amsterdams Beeldenboek, Het, Amsterdams fonds voor de Kunst, 1996

* Iongh, Dr Jane de en Kohnstamm, drs M., Aanschouw de jaren 1900-1950, (1949), De Bezige Bij, Amsterdam

* Linden-Schadd, mr. H. van der, brief aan Deelraad Zuid van 17 augustus 1994

* Notitie van Inge Lavalette t.b.v. wethouder Douwe Tiemersma, 3 november 1994

* NRC/Handelsblad 16 oktober 1993

* Oosthoeks's Encyclopedie, vierde druk (1948), trefwoorden Atjeh en Heutsz

* Rijpma, Dr. E., De ontwikkelingsgang der historie, deel III (1954), J.B.Wolters, Groningen-Batavia

* Veer, P. van 't, De Atjeh-oorlog (1980), De Arbeiderspers, Amsterdam

* Verkiezingsprogramma Amsterdam Anders/De Groenen afd. Zuid-De Pijp 1998-2002

* Verslag van de inspraak- en informatieavond voor het Van Hall-monument en de omgeving Amsterdams Lyceum, 29 mei 1997

* Wijkkrant Vondelpark/Concertgebouwbuurt, juni 1997 e.v.

______________ 

[Terug]