Hoe beschaafd Nederland in de twintigste eeuw vrede en orde schept op Atjeh.

De rede, door de heeren Thomson en De Stuers gehouden in de Kamerzitting van 9 November 1906, doorlezende, trof me het juiste oordeel dezer afgevaardigden over het Atjeh-beleid, zonder twijfel als gevolg van zeer betrouwbare berichten, welke dien afgevaardigden ten dienste stonden.
Doch evenzeer trof me het ontwijkend antwoord van den minister van Koloniën, en omdat ik vrees, dat de woorden van dezen hoogen bewindsman, verkeerd als hij is ingelicht door de "officieele waarheid" der rapporten, toch niet zullen nalaten grooten invloed te oefenen op het oordeel van het Nederlandsche volk en zijne vertegenwoordigers, zoo meen ik, die uit eigen ervaring den toestand op Atjeh heb leeren kennen, mijne stem te moeten laten hooren; hoewel het mij spijt, te moeten betuigen, dat mijn rapport eenigszins anders klinken zal dan dat van den hoofdofficier-adviseur, die onlangs uit Atjeh hier te lande is teruggekeerd, en waaruit de Minister de gevolgtrekking maakt, dat de marechaussées steeds humaniteit betrachten.
En dit, niettegenstaande bij mij zeer zwaar weegt, dat het zal schijnen, alsof ik een smet ga werpen op het leger, op de soldaten en officieren, mijne trouwe kameraden in zoovele moeilijke oogenblikken, voor wier moed, zelfopoffering en toewijding ik steeds den diepsten eerbied gehad heb en nog heb. Hen mag geen verwijt treffen, want zij zijn slechts de uitvoerders van een bestaand systeem; daarom : u, kameraden, onder wie velen met welverdiende, schitterende onderscheidingen, u, val ik niet aan ; weet bij het lezen van dit opstel goed personen van zaken te onderscheiden ; het is het gehuldigd systeem ; het gevoerd beleid en de heerschende geest op Atjeh, waar ik op ga hameren en zijt gij gereed met het lezen, dan doe ik een beroep op uw eerlijkheid en zult gij zeker met mij getuigen, dat de beschreven toestand bestaat en waar is, hoezeer het u ook zal ergeren, dat er eindelijk iemand uit uw midden is opgestaan, die het jarenlange stilzwijgen over Atjeh en den oorlog verbreekt.
Het is mijn bedoeling in dit opstel aan boven aangehaalde redevoeringen eenige beschouwingen vast te knoopen ; eenige punten uitgebreider te behandelen, andere in te lasschen, om zoodoende krachtig mijne innige overtuiging, in het waarachtig belang van Nederland en koloniën, van Atjeh en den Atjeher in het bijzonder, in, zoo wijd mogelijken kring bekend te maken: dat wij op Atjeh op den verkeerden weg zijn; dat de politieke en oeconomische toestand als gevolg van een verkeerd beleid met reuzenschreden achteruit; gaat dat de oorlog op deze wijze gevoerd nog dertig maal dertig jaren zal voortduren, ten koste van veel geld, bloed en krachten en dat deze krijg eerst zal geëindigd zijn met den doodsnik van den laatsten Atjeher.
Word wakker, gij Nederlandsch volk, en gaat u ermee bemoeien !!
Te lang reeds hebt gij u tevreden gesteld met onvoldoende gegevens en officieele" waarheid. Leen nu uw oor aan iemand, die door jarenlang verblijf op Atjeh en door ervaring uit de practijk in staat is u de werkelijke waarheid mee te deelen. Na dit opstel gelezen te hebben, na kennis genomen te hebben van de feiten en daden gepleegd in Atjeh, zoudt gij zelf in staat zijn de voor de hand liggende conclusie te trekken, dat sedert de laatste jaren het Atjehbeleid, eertijds van 1899 tot 1903 zoo frisch, zoo gezond, zoo sterk, nu lijdt aan verval van krachten, als bewust of onbewust gevoelde onmacht.

Uit ons geheele optreden op Atjeh spreekt duidelijk die onmacht; uit ons patrouilleeren, uit ons regeeren, uit ouze creaties, uit alles, behalve uit onze officieele rapporten, grijnst de onmacht u hoonend tegen.

Het vroeger zoo geprezen en zoo gerenommeerd Van Heutsz-pacificatiestelsel" (zooals het nu geringschattend in de Tweede Kamer genoemd werd), kan als leiddraad n o g goed zijn en n o g voldoen. - Let echter wel: ik bedoel hier het stelsel, zooals het in den beginne door Van Heutsz gegeven en ook b e d o e l d was, n i e t het tegenwoordige systeem; men zou dit laatste kunnen noemen een ontaard Van Heutsz-stelsel", als tenminste nog van stelsel" gesproken mag worden ; beter nog ware de benaming Van Daalen-stelselloos-stelsel" of V a n d a l i s m e".

Alles, wat de kranige Atjeh-specialiteit Van Heutsz zich voorgenomen had als gouverneur van A. en 0. en dit is: de totale pacificatie van Atjeh", kan nog aan de hand van zijne adviezen en beginselen binnen enkele jaren een voldongen feit zijn ; geeft er echter ook de middelen voor; geeft de macht, die zijne instructies zal uitvoeren in zijn geest en naar z ij n w i l en zet het onwaardig gebroddel van thans stop !

Maar, zult gij mij en uzelf afvragen, waarom brengt de Gouverneur-Generaal Van Heutsz zelf hierin geen verandering, nu hij er toch nog de macht toe heeft?

En ik antwoord hierop : wel, omdat, de Gouverneur-Generaal Van Heutsz te goeder trouw handelt".

Ook hij beschikt over geen betere gegevens van Atjeh dan gij en uwe vertegenwoordigers in Den Haag. In de laatste twee jaar, sinds zijn optreden als Gouverneur-Generaal en dus verblijf b u i t e n Atjeh, is in dit land alles zóo veranderd, dat ook hem niets anders overschiet dan af te gaan op officieele" verslagen en de vaak zeer juiste, maar even dikwijls ook totaal onware berichten van dagbladcorrespondenten.

Gij ziet dus, dat hij putten moet uit precies dezelfde bron, waarvan u slechts een beker wordt aangeboden. En hoe uwe vertegenwoordigers over deze bronnen denken, leest daartoe de redevoeringen, gehouden door den minister van Koloniën, mr. Fock, en van den heer De Stuers in November 1906, waarbij ik durf onderschrijven, dat "officieele" rapporten en verslagen wel niet bezijden de waarheid worden opgemaakt, maar... dat daarin alleen staat, wat de rapporteur zeggen wil, en niet staat, wat hij verzwijgen wil, m.a.w. dat in deze categorie van bronnen niet alles verteld wordt, zoodat een juist en onpartijdig oordeel bijna nooit hieruit op te bouwen is.

Waar de Gouverneur-Generaal vroeger, op Atjeh zijnde, de berichten uit de eerste hand kreeg van Atjehers en patrouille-commandanten zelf ; waar destijds daar de gewoonte bestond dat, als een officier, ongeacht het aantal sterren, uit de rimboe , 't zij met verlof, 't zij doortrekkend, te Kota Radja aankwam, hij even zijne opwachting maakte bij den Generaal" door aan diens bureau aan te kloppen en op het roepen van binnen !" werd ontvangen door den kranigen Gouverneur met de woorden : zoo jongen," of zoo brave, hoe staan de zaken daarginds?" en men aldus geheel op zijn gemak gesteld een formeel maar aangenaam verhoor moest ondergaan over politieke en andere toestanden van de streek, waar men juist vandaan kwam , daar moest zulk een man tot in de kleinste bijzonderheden op de hoogte zijn en kon hij daarnaar zijne maatregelen nemen, die meestal dan ook doeltreffend waren.

Nu echter zal geen op Java terugkeerend patrouille-commandant aan het paleis te Buitenzorg aankloppen om met den landvoogd een praatje te maken. Nu nemen "officieele" verslagen en rapporten die plaats in.
En hoe ik daarover denk, weet gij, en gij weet tevens, waarom de Gouverneur-Generaal te goeder trouw het beleid op Atjeh steunt.
Er is echter nog een reden.

Blijkens een schrijven van den Gouverneur-Creneraal aan den Gouverneur van A. en O. en aangehaald in de memorie van antwoord van minister Fock (Tweede Kamer der St. G. 1906), begint ook de Gouverneur-Generaal te twijfelen aan het beleid op Atjeh, doch uit dezen twijfel slechts zwak, omdat zich bij den Landvoogd de vraag voordoet: Wie zou eventueel den tegenwoordigen Gouverneur van A. en O. moeten vervangen?"

Een inderdaad zeer belangrijke vraag, als men weet dat alle eminente hoofdofficieren reeds belast zijn met gewichtige ambten door den geheelen archipel en er voor het oogenblik in het Indisch leger waarlijk niemand te vinden schijnt, van wien met zekerheid te zeggen is, dat hij in alle opzichten de man voor Atjeh is en die op dit oogenblik nog niet belast is met het civiel bestuur over een of andere landstreek.

Het schijnt niet gemakkelijk om Van Heutsz op Atjeh te vervangen !

Naast deze twee redenen zullen er zeker meerdere zijn, waarom onze hoogste bestuurders het tegenwoordig op Atjeh gevoerde beleid handhaven, doch hierop wil ik niet nader ingaan.

Mijne overtuiging is het, dat gebroken moet worden met het tegenwoordige stelsel, dat alles wijken moet voor dit éene groote : het algemeen belang", het belang van de geheele natie en het belang van den overwonnen Atjeher.

En eerst als gij, Nederlandsch volk, overtuigd kunt worden, dat dit beleid anders moest wezen, dan eerst zal het ook anders kunnen worden; in spijt van de vaak onware officieele Atjehverslagen, ondanks ook het misschien momenteel niet beschikbaar zijn van een geschikter gouverneur en andere bezwaren.

En om u te overtuigen, stel ik dit stuk in uwe hand. Ikzal mijne beschouwingen begrenzen tusschen de jaren 1904 en 1907 ; ik zal uitspraken van autoriteiten en deskundigen in een strijd als hier op Atjeh gevoerd wordt aanhalen en naast hunne reeds neergeschreven ondervinding mijn eigen ondervinding, door feiten bekrachtigd, vermelden. Ter wille van het algemeen belang en het recht van den overwonnen vijand zal ik spreken. Ik zal geen namen noemen van officieren, onder-officieren en soldaten; zij zijn slechts uitvoerders van een systeem, zij doen hun plicht ; ik beschuldig hen niet, ik constateer slechts een heerschenden toestand, die sinds jaren bekend is bij alle Atjeh-autoriteiten.

Bedenk, gij Nederlandsch volk, dat, als gij uw invloed middels de Tweede Kamer laat gelden, dit zal moeten bestaan in het uitroeien met tak en wortel van het régime, dat ik zooeven als Vandalisme" heb gekenschetst, en dat gij niet kunt volstaan met het signaleeren van de uitvloeisels, waaraan de gouverneur van Atjeh en O. tegemoet komt door enkele zijner ondergeschikten op te offeren (het brengen van patrouille-commandanten - officieren en onderofficieren - voor den krijgsraad, wegens het plegen van z.g. wreedheden), aldus u zand in de oogen strooiende.

Daarom hebt gij u te richten tegen den tegenwoordigen gouverneur van A. en O., wien gij kunt verwijten, dat hij als oud Atjeh-man, bekend zijnde met het systeem, aldaar gedurende de laatste jaren gehuldigd, bij zijn optreden als gouverneur niet onmiddellijk een zeer strenge nota heeft uitgegeven, waaruit zijn afkeuring bleek van dit systeem. Nu hij zulks heeft nagelaten, laadt hij den schijn op zich, dat hij dit systeem goedkeurt.

Toont nu eindelijk uwe belangstelling in Indische aangelegenheden ; duldt niet langer, dat een toestand als thans op Atjeh heerscht bestendigd wordt! Eenige uwer vertegenwoordigers en eenige dagbladen protesteerden wel eens tegen dit optreden ; doch door de onvolledigheid hunner berichten werden deze zwakke protesten maar al te gemakkelijk doodgezwegen.

Waar ik hiervoor de hoop uitsprak u te kunnen overtuigen, daar voel ik in waarheid de kracht u te zullen overtuigen van de onverantwoordelijke wijze waarop tegenwoordig met uw geld, uw zonen en den overwonnen vijand wordt gehandeld.

Ik heb mijne berichten niet van dagbladcorrespondenten, noch uit officieele rapporten; ik spreek hier uit jarenlange practijk te velde en verblijf op Atjeh, en waar ik feiten aanhaal, waarbij ik zelf niet tegenwoordig was daar garandeer ik u de waarheid... maar niet de ''officieele".

Van alle genoemde feiten zou ik plaats, datum en jaartal, ja soms het uur kunnnen opgeven ; om bovengenoemde redenen doe ik dit echter n i e t.

Ik zou niets liever willen, dan mijn naam onder dit stuk vermelden en mij daarmede persoonlijk verantwoordelijk stellen voor de waarheid van den inhoud, maar de rechtstoestand van den officier is helaas niet van dien aard, dat hij straffeloos critiek kan oefenen op het beleid en de daden zijner chefs. Na ernstig beraad heb ik daarom besloten een pseudoniem te bezigen.


[Terug] [Weduwe van Indi&eul;] [Volgende]