Neemt de kaart van Atjeh en Onderhoorigheden vóor u. Het te pacificeeren gebied bedraagt pl.m. 1100 G. M². Dit land wordt bewoond door een anarchistisch, oorlogszuchtig, bloeddorstig, krachtig, zelfbewust, woest, vrijheidlievend, verbitterd, wanhopig volk; solidair in zijn haat tegen den "kafir" ; geoefend en gehard tegen ontberingen door een dertigjarigen oorlog, opgegroeid in het streven de Compeuni  met alle mogelijke en onmogelijke middelen te bestrijden; zonen van moeders, die hare echtgenooten te wreken hebben ; zonen van een eertijds rijk en machtig land, dat nu door den gehaten kafir verarmd en verwoest wordt.

En dat land moet bezet en dat volk bedwongen worden door:
2 onvoltallige veldbataljons, waarvan éen te Kota Radja ;
onvoltallige divisies maréchaussées;
2 garnizoensbataljons in de onderhoorigheden;
de garnizoensbataljons, waarvan dat te Kota Radja bestemd is voor aanvulling der in de onderhoorigheden gelegerde troepen en als herstellingsgelegenheid dient voor de van buiten komende zieken;
1 peloton cavalerie, alleen tot lijfdekking-gouverneur" gebruikt.
De bataljons en divisies waren van 1904 - 1907 nooit op sterkte, behalve het 3e garniz.-bataljon., dat een tijdlang overcompleet was. Het 2e garniz.-bataljon had maanden, dat de sterkte, alles en alles meegeteld, niet meer dan 2 a 300 man bedroeg ; dagen, dat dit getal de 150 nauwelijks haalde. Neem hiervan af de invaliden en zieken (elk bivak, behalve de maréchaussée, had een z.g.n. "zeerebeenengroep") , zoodat de ageerende macht op Atjeh gesteld kan worden op een sterkte van 4000 man .
Nog zorgwekkender wordt de toestand, wanneer men op diezelfde kaart de dislocatie der troepen nagaat. Men merkt dan, dat het geheele Gajoeland moet worden beheerscht en de bevolking moet worden beschermd door een officieele sterkte van 80, in waarheid 70 man, en 2 officieren.
Peusangan, vóór de komst der maréchaussée aldaar, 160 man, 4 officieren en 1 dokter, in waarheid 100 a 120 man.
Sawang door 80 man, in waarheid 60 man en 2 officieren.
Thans nu de maréchaussées te Leuboe zijn, wordt de verhouding nog ongunstiger, daar nu Peusangan èn Sawang beheerscht moeten worden door 160, in waarheid 140 a 144 man.
Cijfers, die belachelijk zijn, als men de uitgestrektheid van het land en de dichtheid van bevolking in die streken kent. Meer cijfers zou ik u kunnen noemen; ze liggen echter in het bereik vau een ieder en we vestigen dan speciaal uwe aandacht op de Alaslanden, Serbödjadi en Topa Toean met de Simaloer : de officieele" waarheid kan hier niet misleiden.
Neémt desnoods de officieele sterkte der bezetting van ons gebied in Atjeh en Onderh. zonder aftrek van zieken, reconvalescenten, zwakken, uitgeputten enz. enz. dan nog zou dit den kenner der bezette streken een medelijdend glimlachje ontlokken, ware het niet, dat zijn spotzucht veranderde in ergernis en verontwaardiging.
Ik woonde bij, dat na een klewangaanval nabij Teupin Blang Mane met spoed 40 man onder een officier langer dan een maand uit Matang Gloempang Doewa aldaar gedetacheerd werden om in die omstreken te patrouilleeren. Te Matang Gloempang Doewa bleven achter (officieel 80) 34 man. Door ziekte en een tijdlang achterwege blijven van aanvulling, ten gevolge van de destijds in voorbereiding zijnde Bali-expeditie, was de sterkte geslonken tot 34 valide menschen, van wie nu 20 bestemd waren voor wachtdienst. (dag en nacht) en de rest niet mocht uitrukken, daar op Atjeh de bepaling bestaat, dat afdeelingen van minder dan 20 man nooit mogen uitrukken. De "djahats" kregen dit spoedig in de gaten. De bevolking om het bivak werd door hen gemolesteerd, gebrandschat en gevoelig gestraft voor de aan de Compeuni" bewezen diensten en het bivak elken nacht beschoten. Wij waren machteloos iets te doen. Deze in-treurige toestand duurde langer dan een maand.
Gaan we na welke meest noodzakelijke diensten de troepen op Atjeh moeten verrichten, dan krijgen we:

  1. Patrouilleeren.
  2. Dekking wegwerken en andere politioneele diensten.
  3. Periodiek dekking transporten.
  4. Wachtdienst in het bivak.
De minimumsterkte van een uitrukkenden troep moest 20 man bedragen. Rekent men nu 1 groep  voor wachtdienst overdag en 's nachts , 1 groep voor politiediensten, 1 "zeerebeenengroep", dan zullen van een normale sterkte van 4 groepen, waaruit de meeste bivaks hestaan, niet veel troepen meer overblijven om op grooteren afstand dan éen dagmarsch te patrouilleeren en kunnen de streken, verder dan 1 dag-marsch, d.i. dus vijf uur heen en vijf uur terug, niet geregeld bezocht worden ; te meer daar voor een meerdaagsche excursie een grootere trein mee moet en hiervoor grootere dekking noodig is. - Trekt nu om de bivaks door 4 groepen bezet een cirkel van 5 a 6 uur straal, dan is het terrein daarbuiten gelegen aan geregeld toezicht onttrokken, ter-wijl voor het terrein binnen den cirkel door de bank slechts 1 groep beschikbaar is, d. i. dus voor een oppervlakte van 1964 K.M.²  20 man of zegge 20 man voor een oppervlakte van anderhalf maal de provincie Utrecht.

Rekent men nu met, de kaart in de hand, dat het patrouillegebied van de meeste bivaks in éen of meer richtingen zich verder dan éen dagmarsch in rechte richting uitstrekt, dan kan men zich voorstellen hoe weinig zulke streken bezocht zullen worden.
Bivaks met grootere hezetting, b.v. van de grootste bezetting, zijnde 1 Compagnie of 8 groepen, hebhen hunne handen vol om de "djahats" uit de onmiddellijke omgeving van het bivak te houden, z. a. Matang Gloempang Doewa, Lho Soekoeu, Lam Meulo, Loeëng Poetoe e. a., en tegelijkertijd een zoo groot patrouille-gebied, dat het drie a vier dag-marschen zou kosten om van het ééne einde naar het andere te marcheeren.

Ik las in een ingediend journaal van een bivakcommandant van Tangse, dat bezet was door 80 man (nominaal) en 1 officier, dat deze patrouillecommandant op inspectiereis was naar Geumpang, ingevolge herhaalden last van den gouverneur van A. en O. De afstand Tangse - Geumpang is langs het kortste pad in drie zeer vermoeiende dagmarschen te doorloopen. De patrouillecommandant rukte uit met 2½ onvoltallige brigade (39 karabijnen) en 12 dragers. In het bivak bleven zes zieken en 15 man ; voor wachtdienst overdag waren benoodigd 6 man en des nachts 8 man. - Nauwelijks was de bivakcommandant één dag op marsch en was de marschrichting den djahats voldoende bekend, of het bivak Tangse werd nacht aan nacht door hen van alle zijden hevig onder vuur genomen. Patrouilles van 5 man werden, hoewel in strijd met den strengen last van den bivakcommandant en den gouverneur van A. en O., uitgezonden door den achtergebleven sergeant, doch gingen niet verder dan vijf a tien minuten van het bivak af om niet in hinderlaag te vallen. Het bleef dan ook bij deze zwakke poging tot machtsvertoon en de Compeuni moest het zich laten welgevallen, dat zij drie weken lang (zoolang duurde de excursie door dringende omstandigheden) werd ingesloten en beschoten. Dit viel voor in October 1906. - De officier, die zoo langen tijd uit zijn bivak bleef, had geen schuld, want Geumpang, ja zelfs het bewoonde Anoï, dat nog 2 dagen verder van Geumpang lag, behoorde tot zijn registratiegebied en de toestand maakte zijn aanwezigheid voor langeren tijd aldaar noodzakelijk ; bovendien lag het dichtstbijgelegen bivak (Lam Meulo) nog 2 dagen van Tangse verwijderd.

Is het wonder, dat de bivakcommandanten niet verder uitrukken, dan met het oog op de te zwakke bezetting verantwoord is en dat de rest van hun gebied verwaarloosd wordt? Is het wonder, dat de djahat" zich in die streken gaat vestigen en de bevolking gemeene zaak met hem maakt, daar zij van onze bescherming toch niets merkt? Is het wonder, dat de djahat niet gelooft aan onze overmacht en kracht?

De bivakcommandant van Moeë Goelee had twee groepen onder zijne bevelen en kreeg in opdracht, te patrouilleeren, en de Chineesche koelies, belast met het aanleggen van den Gajoe-weg, te dekken Voorts moest er een deel dagelijks af voor wachtdienst, zieken enz. en moest iederen dag transport geloopen worden om den enormen voorraad rijst, benoodigd voor de koelies, steeds aan te vullen. De commandant was onmachtig te patrouilleeren!

De bivakcommandant van Teupin Blang Mane beschikte over drie groepen, moest voor wachtdienst zorgen, had elken dag transport loopen naar Bireuèn of Moeë Goelee moest een wakend oog houden op de werkzaamheden aan de groote brug over den Kroeëug Peusangan en moest dekking afstaan voor de Atjehsche wegwerkers aan den grooten Gajoeweg; de commandant was onmachtig te patrouilleeren! Gevolgen hiervan waren de herhaaldelijk met veel succes uitgevoerde klewang-aanvallen en ook het sneuvelen van den luitenant Scheuer, die bij gebrek aan troepen alleen met een hoornblazer uitrukte en werd afgemaakt. Een ander gevolg was, dat toen er in begin 1905 bij Teupin Blang Mane een klewang-aanval plaats had, de bivakcommandant, een 1e luitenant, die met een paar zieken en invaliden in het bivak was achtergebleven, het snelvuren zijner soldaten hoorende, door gebrek aan manschappen alléén uitrukte, zijn sterk geschokten troep tegemoet.

Hoe vaak kwam het niet voor, dat Segli, Meulaboh, Lho Seumawe totaal ontbloot waren van manschappen ; dat de dokter in opdracht, kreeg, als er wat gebeurde, de zieken in het hospitaal te wapenen. En dàt in plaatsen, die, zooals Segli, toch herhaaldelijk beschoten werden en nòg worden (lees verslagen 1905 - 06 - 07).

Hoe vaak moest ik zelf een mooi bericht omtrent den vijand laten voorbijgaan door gebrek aan een groep of brigade en doordat de afstand tot het naastbijgelegen bivak te groot was om het bericht over te sturen !
Neemt nu ten derden male de kaart van Atjeh en Onderhoorigheden voor u en laat uwe gedachte gaan over de sterkte der bezette plaatsen, de afstand dier bivaks onderling, het patrouillegebied van elke bezetting, het totale bevolkingscijfer in die gebieden, het woeste hooggebergte in het binnenland, de slechte wegen, uitgestrekte kustmoerassen, waarin tal van schuilplaatsen, het geaccidenteerde terrein in de Onderhoorigheden, de dichtbegroeide kampongs en daarin een guerilla-voerend volk; combineert deze factoren en ge voelt medelijden met- of verontwaardiging voor een Regeering, die na vier-en-dertig jaar leertijd en zooveel millioenen guldens leergeld nog het middel niet heeft gevonden te pacificeeren.
Teekenend was het antwoord van den bivakcommandant van Takengon (Gajoelanden) op een avond, dat ik in zijn bivak overnachtte, op mijn vraag, hoe het, met de veiligheid in zijn gebied stond. Tot antwoord stond hij op, liep naar den wand der kamer, waar een groote kaart van zijn gebied hing, legde vijfmaal zijne uitgestrekte handen naast elkaar op het kaartvlak, en antwoordde: kan jij dat schoonhouden met tachtig man?"
Ik lachte en zweeg! 's Nachts werd het bivak gedurende twee volle uren onafgebroken beschoten. Toen heeft de vijand gelachen, óók om onze onmacht!
Zulke toestanden zijn niet plaatselijk op Atjeh, zij komen geregeld voor. Overal en altijd is er gebrek aan troepen en door de groote onderlinge afstanden der bivaks gebrek aan samenwerking. Gaat een patrouille het binnenland in ter opsporing van ladangs  enz., dan kan zij dagen, ja, weken loopen zonder etappe-plaats ; en moet dus ook voor dagen of weken eten meegenomen worden.

Neemt de kaart en cijfert en gij zult dra onze onmacht erkennen.


[Terug] [Weduwe van Indi&eul;] [Volgende]