Doch behalve het onvermogen voor de bescherming der bevolking te zorgen, geven wij op Atjeh vaak teekenen van onvermogen zelf voor eigen veiligheid te zorgen en uiten dit onvermogen op wreede, minderwaardige wijze.

Zoo leest men in een der journalen van Tongsé gedurende begin 1905, dat, omdat bet bivak bijna dagelijks beschoten werd (en vaak stonden de vijandelijke schutters vlak tegen den pagger  en zulks dien avond weer het geval was, zonder dat er een einde aan te maken was of een der schutters bij uitrukken in handen der patrouille kon vallen, de bivak-commandant dien avond den volgenden maatregel had genomen.

Hij had een groep achtereenvolgens naar verschillende zijden doen opmarcheeren en in die richtingen dwars door de gampong eenige salvo's laten afgeven.

Tot goed begrip van dit feit diene, dat het bivak Tongsé gelegen is aan den zuidrand van gampong Poelow Missigit, welke gampong bewoond was door pl.m. 100 mannelijke ingezetenen, die in dicht op elkaar staande groote huizen woonden en dat Poelow Missigit de eenige betrouwbare gampong was, daar dit ook de éénige gampong was, die later zelf kwaadwilligen arresteerde en uitleverde.

Ik vernam later, dat de djahats zich zeer vroolijk gemaakt hadden over het schieten van den luitenant-bivakcommandant door die gampong en dat zij in den vervolge steeds het bivak van die zijde beschoten, met het gevolg dat steeds weer de toenmalige bivakcommandantsalvo's door de gampong strooide, zoodat ten slotte 1/3 der bevolking vluchtte en ook djahat werd. Dus nu hadden onze vijanden hun zin; want zij hadden immers èn de ons goedgezinde gampongbewoners van Poelow Missigit gestraft, omdat zij van hen noch door geld, noch door eten, noch door berichten steun kregen tegen de Compeuni èn zij hadden bovendien versterking gekregen middels de weggeloopen bevolking.

Hun vroolijkheid ten koste van ons is dus zeer begrijpelijk en niettegenstaande hier dus vrouwen en kinderen, grijsaards en vreedzame bewoners doodgeschoten waren, werd door de twee hoogste chefs van dien luitenant naast dezen maatregel als kantteekening op het journaal geschreven : Heel goed !! Flink zoo!!

Dit onverantwoordelijk aanmoedigen van dergelijke uitingen van zwakheid en wreedheid door den gouverneur zelf, had de schromelijkste gevolgen, waardoor dit middel toegepast werd ook in gevallen, waarin machteloosheid den vijand te verdrijven, niet aanwezig was, waarover hierachter verder.

Het bivak Matang Gloempang Doewa werd vooral in het eerste half jaar van 1905 minstens twee keer per week vrij hevig onder vuur genomen door de bende van Pang Bodiman. Als contra-maatregel, omdat men de schutters nooit in handen kon krijgen, gingen de ter achtervolging uitgezonden groepen naar de bijgelegen gampongs, waaruit echter nooit schoten vielen op het bivak en gaven eenige salvo's af dwars door de gampong-woningen, natuurlijk, o ! wreed spel van het toeval, juist zieken, vrouwen of kinderen treffende. Bovendien werden de gampongs voor het niet tijdig sturen van bericht nog zwaar beboet à f 10 het schot, dat op het bivak viel.

De tramlijn in Peusangan werd aanhoudend opgebroken en de telefoondraad doorgesneden en geroofd. Niets kon de "Compeuni" hiertegen doen. Nu werd den hoeloebalang gelast op afstanden van 50 tot l00 M. langs de baan wachthuisjes te laten bouwen en te doen bezetten door minstens twee wachters per huisje. Aldus geschiedde. - De troep behoefde nu niet meer om te kijken naar de baan, de bevolking bewaakte haar zelf, maar mocht geen wapenen dragen of bij zich in het wachthuisje bergen; ongewapend moest zij bewaken. Met gevolg, dat de eerste weken, dan hier dan daar vreeselijk verminkte lijken in de wachthuisjes aangetroffen werden.

De djahats vermoordden doodeenvoudig de wachters, totdat deze slimmer werden en met den vijand in stilte gemeene zaak maakten, zoodat men nu bijna niet meer van zulke moorden hoort, maar wel van opbreken enz. leest.

In Pedië had de baan ook veel te lijden van opbreken of losschroeven der bouten. Ook hier voelde de civiel-gezaghebber zich onmachtig er een eind aan te maken en moet toen de order hebben uitgevaardigd, dat elke gampong langs de baan gelegen, aansprakelijk gesteld werd voor de schade aan baan of telefoon, voor zoover betrof het gedeelte gelegen in de buurt dier gampong, en dat voor elken meter opbraak van de baan, van de gampong, waar zulks geschied was, éen man zou worden gedood en elke Atjeher, die zich binnen 20 M. der spoorbaan bevond, onverbiddelijk zou worden neergeschoten. Deze order, bekend op Atjeh onder den naam van "bloedorder", werd bij kennisname door den toenmaligen gouverneur onmiddellijk ingetrokken.

In Lho Seumawe, Sawang, Samalanga, Bireuën werden de gampongs langs de baan verantwoordelijk gesteld voor schade aan baan of telefoon door djahats aangebracht; ieder kreeg een bepaald lijnvak. Gewapende patrouilles mochten de gampongs er niet op na houden ; zij moesten en moeten nòg op andere wijze des nachts de baan maar zien te beveiligen.

Zware boeten zijn dan ook reeds ter zake aan de vaak onschuldige bevolking opgelegd. Als dan, zooals in Sawang, de baan vijf uur en verder van het eerste bivak afgelegen is, komt immers een waarschuwing toch te laat. - Dit moet verbittering wekken !

Uit alle handelingen spreekt gebrek aan troepen op Atjeh en dit wordt door den gouverueur zelf ook gevoeld. Hij tracht aan de ontoereikende bezetting van zijn gebied tegemoet te komen door van uit Kota-Radja z.g. mobiele colonnes naar de onderhoorigheden te sturen. Dit is en blijft echter lapwerk en heeft absoluut geen nut. Aan het hoofd dier colonnes staan hoofdofficieren, die hunne geschiktheid voor den hoogeren rang door zulk een excursie moeten bewijzen. Totaal ongeroutineerde patrouillecommandanten dus, wien het meer te doen is door het afleggen van den geheelen opgegeven afstand hunne geschiktheid te toonen, dan behoorlijk te patrouilleeren, d.w.z. met overleg zoeken en opsporen. - Om nu zulk een hoofd-officier-patrouillecommandant nog in de gelegenheid te stellen een gevechtsrapport in te dienen, wordt de colonne gewoonlijk gedirigeerd naar een der vele klepkooien als Samarkilang, Geumpang e.a., waar per sé djahats zitten en dus.... dooden  gemaakt kunnen worden.
- Nuttelooze, voor onze hoofdofficieren deprimeerende tochten zijn het.

Eén onzer oversten bedankte dan ook, een dergelijke proeve van geschiktheid af te leggen en verkoos zijn eervol ontslag, met de woorden, dat hij geen overste geworden was om nu nog aan het hoofd van 40 man zijn geschiktheid voor kolonel te moeten toonen.

Waar nu nog de uit onmacht voortspruitende wreedheid en barbaarschheid wordt aangemoedigd door gemis aan wijze bestuursmaatregelen, insinueerende orders enz. daar ontstaat  vandalisme.

Waar toch reeds door den guerilla tegen een bloeddorstigen, Inlandschen stam alle factoren zeer ongunstig werken op het zedelijkheidsgevoel vooral van den Inlandschen soldaat en aanvoerder, daar dient de bevelhebber door strenge, besliste, humane orders en nauwgezette, voortdurende contrôle daarop alle uitingen van het bestiale in de kiem te verstikken.

Gewoon aan het gezicht van talrijke lijken en gewonden, steeds klaar te staan om te dooden en te verminken, zullen de zachtere gevoelens overschaduwd en tot zwijgen gebracht worden.

Volgens het oorlogsrecht is het nemen van represailles in dezen strijd geoorloofd, zichtbaar verschil tusschen strijder en niet-strijder bestaat niet, bijna de geheele bevolking neemt zoo niet actief dan toch passief deel aan den krijg ; de humane bepalingen omtrent krijgsgebruiken te land, vastgesteld bij de verschillende conventies, gelden niet voor den buiten het contract staande, in casu den Atjeher; klachten van 's vijands zijde over door onze troepen bedreven wreedheden dringen nooit tot ons door, integendeel, doen wel vaak sterk overdreven verhalen van 's vijands bloeddorst en barbaarschheid bij het groote publiek de ronde.

Willekeur kan dus straffeloos plaats hebben en komen hierbij nu nog de degeneratiefactoren, dan zullen de bindsels van toezicht of strengheid geheel los raken en wordt het menschelijk gevoel bij velen al te gemakkelijk overwonnen door een drang tot baldadigheid, woestheid en wreedheid, voortkomende uit het dierlijke in ons.

Als gevolg toch van jaren lang verblijf in de diepe binnenlanden, afgesloten van alle beschaving en eenige aanspraak ; steeds omringd door verraad en list ; elk oogenblik tot uitrukken gereed, ongeacht dag of nacht, regen of wind, onweer of hitte, vermoeienis of ziekte, honger of dorst; steeds gereed tot bloedstorten en beducht voor eigen leven of dat der ondergeschikten en kameraden, te midden van leugen en bedrog; weken lang roodzwervend in oerbosschen of baco - baco, ongeacht teleurstelling bij schijnbaar reeds verzekerd succes van na nacht, en dag gemarcheerd te hebben door moeras en alang-alang, glagga-glagga, kreupelbosch en rotsige rivierbedding en na afdalen in ravijnen en met levensgevaar beklimmen van stijle rotswanden, te bemerken te vroeg ontdekt te zijn; ongeacht ook de teleurstelling van na een met inspanning van alle krachten en zenuwen volbrachte omsingeling van een aangewezen schuilplaats van een voornaam bendehoofd, op het afgesproken uur van aanval, de ladang leeg en de wrakke huisjes sinds lang verlaten te vinden, waaruit het bedrog van den meegevoerden gids duidelijk blijkt. Een jacht op menschen met list tegenover list; laag verraad tegenover voorzichtigheid ; afschuwelijke wreedheid tegenover bezadigdheid; verachtelijke hebzucht tegenover beleid; fanatisme en woestheid met bewonderenswaardige doodsverachting tegenover koelbloedigheid en voorzichtigheid, zijn alle factoren, die degenereerend werken op het gevoel van recht en bezadigdheid en het begrip van zedelijkheid en verantwoordelijkheid van aanvoerder en soldaten; totdat dit gevoel ten slotte verstompt, waarmee de degeneratie intreedt en uitingen van persoonlijke wreedheid voor zullen komen.

Hiertegen te waken is de ernstige plicht van den opperbevelhebber, wil hij niet ervaren, dat de gepaste strengheid van zijn bestuur ontaardt in wreedheid en hiertegen is gemakkelijk te waken, als hij bedenkt, dat uit den geest van den troep de persoonlijkheid van den aanvoerder spreekt.

Waakt dus tegen het degenereeren der aanvoerders, en daden van persoonlijke wreedheid zullen beperkt blijven tot de enkelen, die van nature reeds zoo aangelegd waren.

Deze stelling huldigde ook de oud-gouverneur van Atjeh en Onder-hoorigheden Van Heutsz, die er op stond, dat zijne officieren niet te lang aan één stuk in de rimboe bleven. Om de drie maanden éen of een paar weken verlof naar een hoofdplaats om daar in een andere omgeving, in gezelschap van dames, weer wat te beschaven", vond deze eminente aanvoerder noodzakelijk, en terecht. Ik zelf en met mij de anderen, die jarenlang in de rimboe  zwierven, weten hoe hoog noodig zulke periodieke beschavingsbaden zijn; zij kweeken bovendien een aangenamen geest.

Vandaar ook het vaak wel wat te optimistisch streven van dien gouverneur om toe te staan, dat de dames hunne echtgenooten naar de bivaks buiten volgden. "Te optimistisch", omdat we ons herinneren het onverantwoordelijk verblijf van eene dame met haar twee kleine kinderen te Peureumeue (Meulaboh) in 1904, dat nog in een zeer woelige streek lag, en van een andere moeder met haar twee kinderen te Malang Gloempang Doewa, welk bivak herhaaldelijk meermalen per week zwaar beschoten werd. Door inhouding van de f 85 toelage voor elke luitenantsvrouw, die haar man niet volgt op excursie, werden deze dames gedwongen haar man naar die gevaarlijke bivaks te volgen, waar zij en hare kinderen elk oogenblik getroffen konden worden door een vijandelijk projectiel.

Hoewel uit een humaan oogpunt nooit te verdedigen, is zulk een maatregel, genomen door den opvolger van den gouverneur Van Heutsz, misschien nog beter, dan de degeneratie-factoren in het geheel niet te tellen, zooals onder dezen gouverneur geschiedt, die den patrouille-commandanten verbiedt, na maanden lang verblijf in de rimboe, naar "beneden", d. w. z. de hoofdplaats, te komen en verloven bij hooge uitzondering en bij wijze van groote gunst toestaat.

Eentonig werk maakt suf, bloedig werk maakt bloeddorstig; laat de gouverneur dit niet vergeten.

Het gaat nu weliswaar niet aan om de patrouillecommandanten van Bambel, Takengön, Panampaän om de drie maanden voor een paar weken naar "beneden" te laten komen, maar laat dan de termijn van verblijf in die bivaks tot zes of acht maanden verlengd worden of kies voor deze plaatsen sterke karakters en geef hun na dat maandenlang rimboeverblijf eenige weken verlof naar een hoofdplaats, opdat zij weer over wat anders hooren praten dan van verraad, moord, list, branden, doodslag en patrouilleeren; opdat zij weer van andere illusies hooren dan van het vangen van "pang" zus of "teungkoe" zoo; opdat zij door hun omgeving weer gedwongen worden zich naar behooren te kleeden en te soigneeren en andere termen te bezigen dan de vlug aan-, maar moeilijker af te leeren soldatenuitdrukkingen; kortom, opdat zij meer zachtere ideeën opdoen.

Niets ook kenmerkt zoozeer de handelingen van den aanvoerder in den oorlog, dan de opvattingen, welke hij heeft van wat is oorlogs-noodzaak.

Bepalingen, wat als onvermijdelijke oorlogsnoodzaak beschouwd moet worden, bestaan niet. Het begrip is afhankelijk van de middelen, waarover men bij de oorlogvoering beschikt en den invloed der degeneratiefactoren op de strijders.

Een voorbeeld! Het meevoeren van gevangenen is door gebrek aan middelen onmogelijk, de oorlogsnoodzaak gebiedt - we hebben het reeds betoogd - al is het met bloedend hart, hen allen af te maken, doch de degeneratie verheugt zich er zelfs over. Geeft dus voldoende middelen, waakt tegen degeneratie, en wreede oorlogsnoodzaak zal beperkt blijven tot werkelijke noodzaak.

Zoover echter zijn we helaas! nog niet op Atjeh. Het ontzie niets als het moet, ontzie alles als het kan", geldt nog niet voor Atjeh. In dit land kan niets ontzien worden door onmacht en wordt niets ontzien door gebrek aan wijs bestuur. Reeds in de door den Prins der Nederlanden bezochte vergadering tot beoefening van de krijgswetenschap op 27 Februari 1905, wees de majoor Nypels, zelf een ervaren Atjehkrijger, op het gemis aan humane voorschriften op Atjeh en huldigde die hoofd-officier het beginsel, dat ons leger de verzameling van bepalingen omtrent de krijgsgebruiken te land heeft te bewaren voor een eventueelen strijd tegen een buitenlandschen vijand.

Geheel ook in den geest van den toenmaligen chef van den staf bij de troepenmacht in Atjeh en Onderh., den kolonel W. C. Nieuwenhuyzen, die in zijne verhandeling over de politiek van den oorlog in Atjeh zegt: "In onze oorlogen tegen den Inlandschen vijand is men niet onvoorwaardelijk aan de beginselen van het oorlogsrecht onderworpen". Klemmender dus nog wordt de noodzakelijkheid in deze leemte te voorzien. Wat tot nu toe bestaat zijn vage, schuchtere aanmaningen van humaniteit.

Zoo kregen we op Atjeh met het optreden van den generaal v. Heutsz de commandementsorder no. 69 van 15 Mei 1902, welke order de eenige handleiding was voor ons optreden tegen den Atjeher.

Leest men nu het hoofdstuk de taak der colonnes en patrouilles", dan moet het opvallen, dat hier nergens gesproken wordt van het gevangen maken van ons kwaadgezinde mannelijke personen, wel echter van vrouwen en kinderen dier lieden en hieromtrentstaat in de wijziging van genoemde commandementsorder d.d. 18 Aug. 1908 no. 96: "In het gebergte in handen gevallen vrouwen en kinderen van gewone lieden moeten altijd worden meegenomen en overgegeven aan den civielen bestuurder."

Nu rijst van zelf de vraag: Wat moet met hunne mannen en vaders gebeuren?" - Hierop blijft de geheele order het antwoord schuldig. De eenige plaats waar gesproken wordt van gevangenen zegt, dat deze gevangenen alleen mogen zijn vrouwen en kinderen. Mannelijke gevangenen bestaan blijkbaar niet, en wat met hen gedaan moet worden, wordt óók niet gezegd.

En dit is de juiste toestand op Atjeh. Een natuurlijk gevolg van een door den gouverneur gevoelde onmacht, wàt met gevangenen aan te vangen op patrouilles etc.

Wel worden nog mannelijke kwaadwilligen gearresteerd, doch alleen als, men voordeel van hen verwachten kan, b.v. door kans op berichten, als draagkracht, gids, enz. enz. Zoo zijn de theorie en practijk; door het overgrootste deel der bekwaamste patrouille-commandanten op Atjeh gehuldigd.

Voorts staat nog in art. 16 van genoemden order : Overtreders van deze bepaling (het loopen met licht) worden aangehouden; bij verzet of poging tot ontvluchten, worden zij als vijanden behandeld." en hier rijst de vraag, wat wordt bedoeld met de uitdrukking: zij die zich verzetten worden als 'vijanden behandeld"?

Moeten zij worden neergeschoten of gearresteerd? Blijkbaar niet gearresteerd, want tegen die arrestatie verzetten zij zich en dientengevolge wordt als maatregel van straf tegen dat verzet bepaald, dat zij als vijanden moeten worden behandeld, dus... worden neergeschoten. En de conclusie ligt voor de hand, dat allen, die als vijand beschouwd worden, en dus vanzelf als vijand behandeld moeten worden, dus alle djahats", moeten worden neergeschoten.

Deze conclusie wordt door velen getrokken en kan als medeoorzaak gelden, waarom op Atjeh bijna nooit gevangenen, doch steeds dooden gemaakt worden.

Vroeger was men in dit opzicht zoo niet royaler, dan toch duidelijker en sprak men rondweg uit, wat hier verzwegen, maar toch bedoeld wordt.

Zoo leest men in een besluit van 18 Mei 1885 no. 224 art. 3 : "Atjehers die, zonder daartoe gerechtigd te zijn, met eenig vuur- of blanke wapen worden aangetroffen, zullen geheel en al als vijand beschouwd en volgens het oorlogsrecht neergeschoten worden."

Art. 5. ZulIen als vijand beschouwd en neergeschoten worden."

Art. 6. Idem.

Art. 8. Idem.

In het besluit van 19 Januari 1888 no. 294 schreef de Gouverneur: in art. 3: zullen als vijand beschouwd en neergeschoten worden," Art. 17: zullen als roovers behandeld en neergeschoten worden." In het besluit van 19 November 1890 no. 166/17: Art. 8 : idem. Art. 6, 11, 15, 18, 16 : idem, idem idem enz, En zoo leest men in alle latere besluiten dezelfde uitdrukking: zullen als vijand beschouwd en neergeschoten worden." Is het te verwonderen dat men nu nog achter den term: "zullen als vijand beschouwd worden," leest "en neergeschoten worden" ? Te eerder, waar door de lezing van het artikel deze opvatting niet weersproken wordt. Dat door de meesten de vijand als vijand behandeld wordt, ook al is hij in onze handen gevallen, en de regel : schiet neer, wat vijand is," gehuldigd wordt, is een waarheid.

Commandementsorder no. 69 van 1902 verviel bij die van 1905 no. 54 op 8 Juni en ook hierin wordt alleen gesproken hoe gedaan moet worden met gevangen genomen gezinnen, vrouwen en kinderen van kwaadwilligen. Over gevangen genomen mannelijke kwaadwilligen wordt nergens gerept. Ook hierin worden overtreders, die pogingen doen om te ontvluchten enz., als vijanden behandeld". dus.... neergelegd want herhaaldelijk leest men in de officieele telegrammen de uitdrukking : moest bij verzet" of poging 'tot ontvluchten" worden neergelegd." In commts.order no. 69 van 1902 staat: De taak dier troepen bestaat in: het opsporen, vervolgen en onschadelijk maken van niet onderworpen hoofden enz."..., terwijl in Commts. order no. 54 van 1905 staat: het opsporen, vervolgen, gevangennemen of onschadelijk maken van niet onderworpen hoofden enz."...,

  Hier voelde dus de gouverneur Van Daalen zelf het verschil en gaf daarmee te kennen, dat tegenwoordig wel getracht moest worden mannelijke gevangenen te maken.

Dit goede streven van den huidigen gouverneur gaat echter weer verloren door den regel, dien deze bewindman ook thans nog huldigt op Atjeh.

"Hoe meer dooden, hoe verdienstelijker aanvoerder". Het is een feit, dat men tegenwoordig het succes, de verdienste en de kundigheden van den sergeant-patrouille-commandant tot den majoor civiel-gezaghebber afmeet naar het aantal dooden, dat hij na een patrouille of excursie" thuis brengt";  met dit noodlottig gevolg, dat òf het officieel aantal opgegeven dooden is onwaar òf er wordt jacht gemaakt op dooden, waarvan onschuldigen, zieken en grijsaards het slachtoffer worden.

In het eerste geval provoceeren de Atjeh-autoriteiten hunne officieren tot leugen; in het tweede geval tot moord en doodslag.

Een ieder op Atjeh kent het voorbeeld van een kapitein van één der bivaks in het Lho Semawesche, die in zijn journaal een aantal dooden meldde na terugkomst van een excursie, dat na onderzoek bleek onjuist te zijn; die kapitein verantwoordde zich dan ook met de woorden : de opmerkingen op mijne journalen gemaakt, telkens na terugkeer van patrouilles zonder dooden", hebben mij tot die daad aanleiding gegeven". (Op deze journalen schreef de gouverneur of de overste v. d. M., onder goedkeuring van den gouverneur: kapitein kan wel schuilplaatsen vinden, maar djahats vangen ???...

De kapitein B. van Paja Bacon kreeg op zijne journalen : de kapitein B. mag ook wel eens wat vangen".

De luitenant G. kreeg op éen zijner journalen van Paja Bacon : het wordt tijd, dat de luitenant ook eens wat vangt."

En dergelijke aanmoedigingen komen honderden malen voor op de journalen van elk bivak. En slaat men dergelijke lastgevingen om te dooden in den wind, dan is het onvermijdelijk gevolg aflossing" en ,,ongeschikt", twee mutatiën, waartegen elk officiersgemoed opkomt.

Een excursie naar Geumpang onder een hoofdofficier maakte officieel 12 dooden. Een daarbij tegenwoordig officier vertelde mij, dat slechts 8 dooden gemaakt werden en ter plaatse ook slechts 3 graven voor de lijken te zien zijn. - Wat men al niet doet om promotie te maken ! !

Een ander voorbeeld, dat leugen het gevolg is van deze opmerkingen op journalen, is van een gesneuvelden luitenant der marechaussée en een in 1904 bij dit korps gedetacheerden luitenant der infanterie, die beiden tot gewoonte hadden meer dooden te melden, dan verantwoord konden worden, waardoor in hunne conduite kwam de opmerking, ,,onbetrouwbaar".

Een ander officier diende van een affaire van half Juli 1904 een journaal in en meldde ooder het aantal dooden de lijken van 1 zuigeling en 2 vrouwen, om toch maar een geflatteerd doodencijfer te kunnen overleggen aan zijne chefs.

Dergelijke handelwijzen zijn van te algemeene bekendheid om gestaafd behoeven te worden door nog meerdere voorbeelden. En wie zijn de schuldigen?

Erger wordt het geval als de jacht op dooden begint, dan treedt de leugen op zijde voor moord en doodslag.

Op de Westkust werd door een bivakcommandant in 1904/05 enz. een premie uitgeloofd voor de brigade, die het grootst aantal dooden in éen maand gemaakt, had. En op excursiën werd op het hoofd van elken doode" eveneens een premie gesteld. - Deze regeling geldt in vele bivaks nòg.

De geest, door hoogerhand aangewakkerd, is : h o e m e e r d o o d e n, hoe meer eer, des te meer verdienste, des te beter en k u n d i g e r p a t r o u i l l e-c o m m a n d a n t, dus bruikbaarder officier. Het is dan ook een illusie van alle patrouille-commandanten om zooveel mogelijk dooden" in handen te krijgen en dat dit ook de bedoeling is der mannen van gezag op Atjeh, moge blijken uit de aanteekeningen op de journalen, voornamelijk van de bivaks Matang Gloempang Doewa, Panton Lebeuë, Paja Bacon, Goentji in Babah-Rot over het tijdvak van Mei 1905 tot heden.

Fataal werkt deze jacht naar dooden op het gemoed van den jongen patrouille-commandant; op den eerzuchtige; op den promotiejager; op het geheele pacificatiestelsel. Fataal ook op de toch reeds gevoelde onmacht om gevangenen mee te voeren en op de degeneratiefactoren.

De hiervoren reeds genoemde voorbeelden, als b.v. het neerschieten van alles wat leeft op ladangs, zonder te sommeeren enz., enz., toonen dit.

Baart het nu nog verwondering, dat het weigeren van kwartier zoo talrijk toepassing vindt ?

De onmacht gebood soms uit oorlogsnoodzaak kwartier te weigeren; de insinueerende kantteekeningen op de journalen, van hoogerhand, moedigen kwartierweigeren aan.

De vijand weet dan ook zóó goed, dat hem geen kwartier wordt gegeven, dat hij door een vlucht liever een laatste poging waagt om het leven te redden, dan zich op genade of ongenade over te geven. Dàn heeft hij tenminste nog kans zich het leven te redden, al is die kans niet groot; in het andere geval is hij beslist verloren. Zoodat de laatste drie jaar ons optreden op Atjeh eigenlijk niets anders is, dan een jacht op opgejaagd menschelijk wild.

Dit weigeren van kwartier zit zoo in merg en been, vooral van onze marechaussée, dat de commandanten vooruit een premie moeten beloven, aan hem, die een kwaadwillige levend in handen krijgt en de commandant, doet zulks dan ook alleen, als hij denkt berichten te kunnen krijgen van zulk een levend in handen gevallen djahat.

Het "madjoe, marechaussée, potong kepala"  is ook nu nog de strijdleus bij ontmoetingen met kwaadwilligen.

Mij overkwam drie keer, dat eenige soldaten in triomf de afgeslagen hoofden der vijanden ronddroegen en bij mij brachten, aan welk walgelijk bedrijf ik spoedig een einde maakte.

Het is in de Tweede Kamer der St. G. beweerd, dat in Europeesche oorlogen het getal gewonden tot dat der dooden staat als 3, 4 en 5 tot 1, doch dat in onze Atjeh-oorlog die verhouding is als 1 : 300 - en dit is de waarheid, waaruit voldoende gevolgtrekkingen te maken zijn. (Zie alle rapporten en verslagen.)

Dat op Atjeh de gewoonte bestaat alles af te maken, ook gewonden, verklaart ook de commissie van hoofdofficieren, belast met het onderzoek naar het gebeurde bij de landing te Badjoë op 28 Juli 1905, officieel in een 50 regels lang rapport.

In de instructie van den civielen gezaghebber te Meulaboh in 1903 staat een aanbeveling om met voorzichtigheid in te gaan op om "ampon"  roepende vijanden ; deze voorzichtigheid wordt wel in acht genomen, want ampon" vragend of niet, allen worden bij voorbaat gedood.

Ken civiel-gezaghebher van Pedië moet bij zijn optreden den brigade-commandanten hebben aangezegd, dat hij zeer ontevreden was over het geringe aantal dooden, dat de patrouilles thuisbrachten, en dat voortaan alle Atjehers, zelfs die met een aangepunt pinangmesje  liepen, beschouwd moesten worden als te zijn gewapend en,,als vijand behandeld" dienden te worden. De maréchaussées hebben den naam beter te kunnen patrouilleeren, dus.... meer dooden te kunnen maken dan de infanterie. Toen nu de infanterie als ongeschikt uit Peusangan weg moest, en de maréchaussees het land zouden komen schoonmaken, moesten deze laatsten dus ook toonen het beter te kunnen dan die infanterie. Welke in het oog loopende gebeurtenis greep nu plaats? Nauwelijks patrouilleerden de maréchaussées daar of men las in de berichten van tallooze door die patrouilles gemaakte dooden. Op 25 December 1905 - 31 vijanden en 2 vrouwen; op den tienden 5 vijanden; op 1 Januari 1906 nog eens 8", enz. In een maand tijd meer dooden dan in negen maanden door de infanterie konden worden gemaakt. Ik zelf patrouilleerde er maanden aaneen en weet, met allen, die de streek kennen, dat zulke cijfers òf overdreven zijn, òf.... dat een ieder, met," of zonder" pas, daar maar wordt neergeschoten ; dit laatste in volkomen overeenstemming met de berichten van een met ons bevriend hoofd en twee brigadecommandanten uit Leubo. Zonder verder commentaar zullen wij hier de in nota's neergeschreven ondervindingen aanhalen van den civielgezaghebber van Pedië, den overste K. van der Maaten, om u een blik te laten werpen op de toestanden in dat gewest; hoewel die overste werkelijk één der weinige gezaghebbers was, die wreedheid door strenge nota's den kop trachtte in te drukken.

  Nota van 2 December 1902.
  Het optreden van sommige patrouillecommandanten, waaronder zelfs officieren, tegenover de bevolking verdient in hooge mate afkeuring. Sommige patrouillecommandanten toch zijn veel te vlug met neerschieten van Atjehers! Dezer dagen werden mij gerapporteerd een geval van brandstichting en een geval van rampassen. Alleen voor het geval, dat, ook al is een Atjeher, voorzien van een gampongpas, hij de wapenen trekt of wel met een vuurwapen loopt, kan hij zonder vorm van proces door iedere patrouille of troep worden neergelegd.

Wat toch is het geval? Schandelijk genoeg zijn er commandanten van patrouilles of uitrukkende afdeelingen geweest, die in stede van behoorlijk aan te roepen en dien aanroep eenige malen te herhalen, onmiddellijk klaar waren met neerschieten ; ja er zijn mij van vroeger zelfs voorbeelden bekend, dat men pro forma aanriep en tegelijkertijd schoot.

Evenzoo is het gebeurd, dat zonder eenig motief Atjehers werden neergelegd.

Het is toch natuurlijk, dat waar zulke sujetten onder de patrouillecommandanten voorkomen ook menschen, die niets op hun geweten hebben, bij het zien eener patrouille op de vlucht gaan en niet blijven staan, wanneer zij worden aangeroepen. In hun vrees worden zij dan versterkt, wanneer hun weldra eenige kogels om de ooren vliegen. Het is daarom een dringende noodzakelijkheid, dat het neerschieten van onschuldige Atjehers in den vervolge een einde neemt." Enz. enz. enz.

(w. g.) K. v. o. Maaten, Majoor.
Nota van 5 November 1908.
Andermaal zijn mij twee gevallen ter oore gekomen, dat Atjehers zijn neergeschoten, zonder dat daarvoor reden bestond.
Het eene geval betrof Toekoe Imeum Ngo Tjoet van Bloeë Grong-Grong, nu dertien maanden geleden.
Deze imeum  wilde op een oogenblik, dat er moslemin  in zijn gampong binnendrongen, zijn karbouw wegvoeren naar Tampiëng Tjaleuë, toen hij een patrouille tegenkwam, naar welke hij snel toeliep en deze kennis gaf, dat er moslemin in zijn gampong waren. Tot antwoord sloegen de marechaussees hem neder, hem en zijn kawan , niettegenstaande hij zijn gampongpas vertoonde. Ik vermoed, dat het de brigade van sergeant E..... was, hetgeen niet meer na te gaan is.
Het tweede geval moet dezer dagen gebeurd zijn en zal door mij onderzocht worden.
"Er was een Atjeher in de Tirostreek opgevat zonder gampong-pas, welke hij had verloren. Na dien man gebonden en een tijd-lang meegevoerd te hebben, werd hij zonder reden neergeschoten. Dit zou geschied zijn door den sergeant van der M.... van de marechaussée, terwijl diezelfde sergeant ook bij het doorzoeken van Teupin Djongat den 2en November j.l. uit baldadigheid persoonlijk tientallen van pisang- en pinangboomen heeft omgekapt.
"Wij zouden ons door een dergelijk optreden stellen op eenzelfde of zoo mogelijk nog lager staudpunt dan de moslemin. En moet de bevolking in deze vijanden nog meer vertrouwen gaan stellen dan in de Kompeuni?"
De comm. der troepen in Pedië en
Meureudoe,
(w.g.) K. V. D. Maaten.
  Nota, 29 Maart 1903.
Het is mij meermalen in de journalen van de verschillende bivaks opgevallen, dat Atjehers, die vluchtten werden neergelegd, zonder dat uit de journalen bleek, dat zij te voren behoorlijk waren aangeroepen of dat het mogelijke was gedaan om ze levend in handen te krijgen. Enz. enz. (W. g.) K. V. D. Maaten.

  Nota, 20 Maart 1903.
Er is mij ter oore gekomen, dat gamponglieden onderweg soms door patrouilles beroofd worden." Enz. enz,

(w. g.) K. v. d. Maaten.


Meer nota's zoude ik kunnen openbaren ; de vrees vervelend te worden weerhoudt me. Niets werkten die nota's uit, er wordt nòg geroofd, gebrand, gemoord, vaak uit treurige noodzaak, dank ons onvermogen door gebrek aan troepen, de insinueerende orders, slechte bestuursrmaatregelen e. a. Het afmaken ean gevangenen zit zóó in de overtuiging onzer soldaten ingevreten, dat mij, pas op Atjeh komende, het volgende overkwam. Ik rukte op een nacht uit, maakte een kwaadwillige gevangen, nam hem gebonden mee en stelde hem onder toezicht van één der manschappen van de achterhoede. Toen het daglicht aanbrak, wilde ik naar den gevangene kijken, doch die was verdwenen, en op de vraag, waar hij gebleven was, luidde het antwoord : "soeda mati, dia ketawa karabijn ; biasa begitoe ; soesah bawah".
Een ouder, meer ervaren collega, wien ik dit vooral rapporteerde, zeide: och, dat gebeurt zoo dikwijls, de vent wilde zeker een karabijn stelen; wat wou je bovendien uitvoeren met zoo'n gevangene ! ?"
Ik maakte een andere patrouille naar een verlaten gampong en vond bij het doorzoeken van één der huizen een grijsaard, die zich van ouderdom niet uit de voeten had kunnen maken, en in dat zelfde huis een geweer. Dadelijk vroegen eenige manschappen en zelfs de sergeant toestemming dezen ouden man te mogen afmaken. Ik verbood hun dit en was toen nog verwonderd over zoo'n zonderling verzoek. Blijkbaar waren deze soldaten niet anders gewend.
In het bivak terugkomende, rapporteerde ik "een ouden Atjeher aangetroffen te hebben niet in het bezit van een pas". En het antwoord was: "had hem dan meegenomen," waarop ik zeide dat de man te oud was om te lopen en wij geen dragers hadden om hem per tandoe te vervoeren, waarop ik weer tot bescheid kreeg : "had hem dan den nek ingeslagen." (Mijn eerste patrouille).
Op een andere patrouille werd door mij een zwaar gewonde als gevangene mee naar het bivak genomen en overgegeven aan den dokter. Doch èn de dokter èn de bivakcommandant zeiden eenstemmig : "had hem maar liever afgemaakt". (Mijn derde patrouille).
Zóó is de geest op Atjeh.

Door een patrouille werd een voornaam onderhoofd van Pang Lah met vrouw en kind gearresteerd. Deze gevangene kreeg een kwartier bedenktijd om de patrouille te brengen naar de schuilplaats van Pang Lah, anders zou hij worden gedood. Het kwartier verstreek, de Atjeher werd afgemaakt.
Een civielgezaghebber ging den dag na den noodlottigen overval bij M. Paja naar deze gampong en arresteerde een Atjeher. Deze werd op staanden voet doodgeschoten.
Op de keudé Djangha werd door de bevolking een kwaadwillige aan een patrouille uitgeleverd, die daar juist toefde onder commando van een officier. De bevolking hield dezen kwaadwillige voor een spion.
De officier telefoneerde het gebeurde aan een civiel-gezaghebber, die den telefonischen last gaf hang hem op", en aldus geschiedde.
In het Pediesche werden door de bevolking aan een patrouille twee kwaadwilligen uitgeleverd. Dezen werden stevig gebonden en aldus medegevoerd. Onderweg werden zij doodgeschoten, omdat.... zij trachtten te ontsnappen.

Een ooggetuige vertelde mij onder eede het volgende van een hooge autoriteit:
In 1902 ging uit Seulimoen een colonne naar Tangsé via Kaway XII, alwaar 2 Atjehers werden gearresteerd en tegen tien uur n.m. het bivak werd betrokken. In Tangsé aangekomen, werden een aantal vrouwen, kinderen en mannen opgevat en den volgenden ochtend ondervraagd. De weigerachtigen werden gebonden en geranseld. Een twaalftal bleven gevangen. Op een avond pl.m. 7 uur ontsnapte een der gevangenen, die te Kaway XII gemaakt waren, een voornaam Atjeher, afkomstig van gampong Maheng. Even voor den terugmarsch der colonne werd door den colonnecommandant een sergeant met 1 fuselier naar de achter-hoede gestuurd en ze kregen twee der gevangenen mee. Kort daarna werden twee schoten gehoord en de sergeant keerde zonder gevangenen terug.

Een der gezaghebbers van Meulaboh, sedert overleden, gelastte een hoornblazer een gevangene aan den Kroeëng Woyla neer te schieten, na dit eerst een zijner luitenants gelast te hebben, die dit weigerde.

Te Bireuën werd omstreeks 18 Augustus 1905 een Atjeher, die een treinmachinist had aangevallen, door den bivakcommandant gearresteerd. Den avond van denzelfden dag kwam een zeer hooge autoriteit te Bireuën aan, wien het gebeurde dadelijk bij aankomst gerapporteerd werd, dus toen ook nog dames deel uitmaakten van het gezelschap. Op de tijding, dat de aanvaller, zeide deze autoriteit, ten aanhoore van het geheele dames-gezelschap: "de vent had onmiddellijk afgemaakt moeten worden".
En zoo vinden wij dus hier weer een aanmoediging van een autoriteit, tot het afmaken van een weerlooze en gevangene.
Laat ons dus niet de onderaanvoerders beschuldigen van wreedheid, laat ons de schuldigen achter hen zoeken.
 


[Terug] [Weduwe van Indi&eul;] [Volgende]