Een politieke fout is het ook nog leefde, de partij van verzet tegenwoordig te betitelen met den naam "roovers en maraudeurs".
In officieele bescheiden voeren wij op Atjeh geen oorlog meer tegen een vijand, doch zijn alle kwaadwilligen roovers en maraudeurs en hiermee vervallen voor hen dus alle aanspraken, die zij zoo mogelijk als krijgsgevangen nog zouden hebben op bij conventie der beschaafde natiën voorgeschreven behandeling.
Waar nu officieel, het bestaan van vijand" op Atjeh wordt ontkend en slechts gesproken wordt van "roovers en maraudeurs in de diepe binnenlanden en het oergebergte", zooals in de officieele toespraak van den Gouverneur-Generaal te Batavia op 31 Augustus 1905 de term luidde en zooals men herhaaldelijk in de maandverslagen over Atjeh lezen kan (b.v. in dat van Nov. 1905 enz.); daar komen deze roovers, als zij in onze handen vallen, bij gebrek aan nadere voorsclniften, onder de bepalingen, die ook in het oorlogsrecht bestaan en voorgeschreven zijn voor roovers.
Het betreffende werk van jhr. Den Beer Poortugael zegt op blz. 151:
 Roovers en maraudeurs zijn gewapenden of ongewapenden, die op eigen gezag uit geldzucht, uit wraak of uit haat plunderen, verwonden, den brand in huizen of gewas steken, rooven, moorden, bruggen en kanalen vernielen enz. Zij worden, wanneer zij in de macht der troepen vallen, als roovers en dus in ernstige gevallen met den dood gestraft".


De vijand op Atjeh valt dus officieel onder deze qualificatie. De genoemde "ernstige gevallen" te beoordelen behoort vaak tot de competentie van den patrouillecommandant en onder den invloed onzer onmacht, zijn de degeneratiefactoren en van hoogerhand gegeven insinueerende voorschriften spoedig aanwezig.
Onderscheiden zich in den oorlog tusschen beschaafde natiën strijders van niet-strijders door duidelijk zichtbare teekenen en een verantwoordelijk chef, op Atjeh is geen zichtbaar onderscheid.
De vreedzame landbouwer van zooeven, zal straks, als de patrouille voorbij is, zijn patjol  tegen het geweer verruilen en is strijder geworden.
Wel wordt in commandementsorder No. 54 van 1905 gesproken van een pas" doch deze pas kan nooit als criterium van goedgezindheid gelden, daar de kwaadwillige vaak ook over een pas beschikt, die hij, naar gelang zulks in zijn kraam te pas komt, vertoont of wegstopt.
Typisch is het volgend staaltje van openhartigheid van een algemeen, bemind, geëerd en zeer bekwaam maréchaussée-officier. In vol gezelschap van dames en officieren te Bireuën, antwoordde deze luitenant op de vraag van één der dames, hoe men toch djahats erkende : "wel, ik begin met den kerel neer te schieten, dan blijkt later wel of hij een soerat  heeft of niet". Welk antwoord met luide bijvals-betuigingen werd begroet. Zoo is de geest op Atjeh!
Er zijn in de jongste Atjeh-geschiedeuis voorbeelden te over om den regel bevestigd te zien, dat vreedzame gampongbewoners, ja zelfs vrouwen en kinderen, vaak beschouwd worden als vijanden, dat dus geen onderscheid gemaakt wordt tusschen strijder en niet - strijder.
Men leze slechts wat geschreven staat, in het journaal van den tocht van den kolonel Van Daalen naar de Gajoe - en Alaslanden op blz. 16. waar gezegd wordt, dat alle stamhoofden gearresteerd werden, omdat de kolonel vermoedde, dat degenen, die de colonne een paar onbeteekenende schoten nazonden, gampongvolk moesten zijn. En op blz. 14 "dat van de schuwe bevolking 4 mannen werden gearresteerd, omdat zij geen enkele inlichting gaven".
De kolonel Van Daalen maakte dus ook geen onderscheid tusschen vijand en niet-vijand, in een gebied nog wel, waarmee ons gouvernement op vriendschappelijken voet stond en dus zelfs niet in oorlog was, krachtens de officieele Gajoe - instructie. En hier zondigde kolonel Van Daalen tegen geen enkel reglement, voorschrift of order, want nergens staat een definitie van de beschouwing, wie vijand is, wie niet.
Wel wordt in de C. O. no. 54 van 1905 gesproken over het opsporen van "regelaars van den heiligen oorlog, benden enz.", doch waaraan deze personen te onderkennen zijn van anderen, wordt niet gezegd en dus overgelaten aan het inzicht der onderaanvoerders, en dit moet willekeur scheppen.
Waar het dus moeielijk is in alle gevallen de niet-strijders buiten den geesel van den oorlog te houden, moest op andere wijze getracht worden de gewelddaden zooveel mogelijk alleen te beperken tot de partij van verzet. Dit geschiedt niet.
Het systeem is : Als wij onmachtig zijn de daders op te sporen van een oorlogsdaad, en dit gebeurt als regel, dan moet goed met kwaad lijden en wordt de goed gezinde bevolking verantwoordelijk gesteld voor de daden der kwaadwilligen.
Treuriger en duidelijker bewijs van onmacht gaven wij nimmer. Het bestuur ziet, geen kans de handelingen der kwaadwilligen te voorkomen, de daders te ontdekken en onschadelijk te maken ; doet een beroep op de medewerking der bevolking na haar eerst ontwapend te hebben en stelt haar eenvoudigweg verantwoordelijk voor rust, orde en veiligheid in haar eigen gebied.
Dus hetzelfde stelsel, dat in alle militaire oppleidingsscholen gehuldigd wordt, n.l. de "oudste" is verantwoordelijk voor alles en nog wat. Niets kan gebeuren of de "oudste" moet zich op het rapport verantwoorden; een wissel dus op het gevoel van kameraadschap der jongeren.
In het civiele zou men dit uiterst eenvoudig middel ook kunnen toepassen en b.v. den burgemeester van Amsterdam persoonlijk verantwoordelijk stellen voor alle diefstallen, moorden, rooftochten, bankbreuken enz. enz., die in Amsterdam gepleegd worden ; evenals men op Atjeh den hoeloebalang voor zijn landstreek, den patoeha of keutji voor zijn seneubo  of gampong, de geheele bevolking voor haar woonplaats verantwoordelijk stelt voor wat invallende rooverbenden daar verrichten. Aldus worden rustige gampongbewonqrs tegen wil en dank weer betrokken in den strijd en zullen zij niet eerder zich ten volle kunnen wijden aan hun gezin en sawah, vóórdat het Nederlandsch gouvernement hen niet meer noodzaakt deel te nemen aan den strijd en vóór dat deze taak overgenomen wordt door een voldoend sterk, krachtig leger of politiekorps.
Een fataal uitvloeisel van dit systeem is o.m. het afgeven van salvo's door vreedzame gampongs, een door ons toegepast middel, waarover boven al gesproken is en, dienend als wraakmiddel op de vaak onschuldige, rustige gampongbevolking.
Op een journaal van het bivak Loeng Poetoe (Pedië) werd door den bivakcommandant (1905) gemeld, dat bij ongeluk een gampongbewoner, voorzien van een "pas", werd doodgeschoten, doordat de patrouille vuurde op eenige vluchtende djahats in de naastbijzijnde gampong. Als kantteekening werd door een autoriteit uit Koeta Radja hiernaast geschreven : "Goed zoo, dan moeten de gampongs maar maken, dat geen djahats in de gampongs komen". (Overste v. d. M.)
De inwoners zijn solidair aansprakelijk voor alles, wat in hun gampong gebeurt en.... moeten dus gestraft worden. Ik verwijs naar het schieten van onze troepen door gampong Poeloe Missigit en toegejuicht door den overste v. d. Maaten en kolonel Van Daalen.
In Augustus 1905 werd op 1/4 uur afstand van gampong Lho Gadjah een kwaadwillige gearresteerd. De geheele gampong werd door den civiel - gezaghebber van Lho Seumawe met f100 beboet, ondanks protest van den patrouille-commandant, die met schets en toelichtingen rapporteerde, dat de bevolking van het verblijf van dien djahat hoogstwaarschijnlijk niets weten kòn.
In April 1905 kwam een patrouille onder een adjudant-onderofficier in bivak te Panigah. Omstreeks middernacht vielen uit de vlakte, van de zijde, waar geen huizen stonden, op pl.m. 800 M. twee voorlaadschoten, waarschijnlijk op het bivak gericht. De patrouillecommandant liet naar de zijden, waar wel huizen stonden, dus waar de vijandelijke schutters zeker niet gestaan hadden, door een groep infanterie eenige salvo's afgeven door de huizen en rapporteerde dit hij terugkomst aan den bivakcommandant, die antwoordde : "Goed zoo ; iedereen zou zoo gedaan hebben".
Leubo (Peusangan) was de verblijfplaats van Pang Bodiman, die er steeds weer terugkwam, zoodra onze patrouilles de hielen hadden gelicht. Dit gampongcomplex telde pl.m. 500 mannelijke ingezetenen en werd een tijdlang bezet door 8 groepen infanterie. Uit wraak, dat het beruchte bendehoofd Bodiman steeds terugkwam hij deze bevolking, zonder dat wij er iets aan doen konden, besloot de patrouiile-commandant de bevolking te plagen. Daartoe kregen de troepen om beurten den last des nachts door de gampong te loopen en van tijd tot tijd eenige salvo's door de gampong te jagen, zoodat de bevolking kermende en schreeuwende optrok en uit hare huizen sprong om een veilige plaats er onder te zoeken, en als dan alles weer tot rust gekomen was, bracht een tweede en derde salvo alles weer in rep en roer, zoodat de bewoners doodsangst in plaats van nachtrust hadden. Kwam zich den volgenden dag het gamponghoofd beklagen, dan heette het, dat er op vluchtende djahats uit de bende van Bodiman geschoten was en mocht het hoofd zich nog zeer gelukkig rekenen geen boete op den koop toeopgeloopen te hebben bij vertrek.

Dergelijke voorbeelden komen dagelijks voor op Atjeh, met, en zonder medeweten van den gouverneur.

Dit gebrek aan onderscheid tusschen strijders en gezeten bevolking ; dit solidair verantwoordelijk stellen der goedgezinden voor daden der kwaadwilligen ; dit verkapte repraisaille-stelsel,; dit straffen van vaak onschuldigen voor de daden der schuldigen ; deze uiting van onmacht in den hoogsten graad, wordt getoloreerd door een verlichte natie; wordt gelast door een beschaafd bestuur; maar wekt o ! zooveel haat en verbittering en o! zooveel onrust, maar.... brengt veel geld in de boetekas en.... gebrek aan tuchtigingsmateriaal ontbreekt nooit.

 
Het hoofd is verantwoordelijk voor de bevolking; de bevolking is verantwoordelijk voor het hoofd ; het geheel is verantwoordelijk voor rust, orde en veiligheid. Het handjevol soldaten, dat hiervoor had moeten zorgen, controleert, zoo goed en kwaad als het gaat, int boeten, straft en gaat op jacht naar menschelijk wild in het gebergte."
Ziedaar het huidig Atjeh-pacificatiestelsel !

 Op nog andere wijze worden hoofden en bevolking vaak, ondanks zich zelven, in den strijd gemengd. Onschuldige gampong- bewoners worden vaak afgemaakt.
Zoo is op Atjeh algemeen bekend het verhaal omtrent, een luitenant der cavalerie, die aan het zeestrand in Pedië, alwaar hij met den troep een bivak had betrokken, op een nacht een klewangaanval kreeg en uit weerwraak den volgenden ochtend den haria keudé, in de buurt waarvan hij in bivak lag, het hoofd afsloeg, omdat deze den commandant niet in tijds had gewaarschuwd. Voor dit geval moet genoemde officier eenige dagen arrest gekregen hebben. In Pedië boete moetende innen in vijf gampongs, liet een patrouille- commandant de vijf keutji's komen en gaf hun 15 minuten tijd om de boete in geld in te leveren.
Na verloop van die 15 minuten was de boete nog niet ingeleverd en werd de eerste keutji neergeschoten, omdat hij niets had meegebracht; de tweede onderging om dezelfde reden hetzelfde lot, ; de derde, vierde en vijfde brachten eenige dollars.
Zoo gaat in Atjeh het verhaal van een civiel gezaghebber in Pedië, die, onmachtig het herhaald opbreken der rails van de trambaan in zijn gebied te beletten, eindelijk eenige kwaadwilligen, die hem in handen vielen, dwars over de rails heeft laten binden en een locomotief over hunne lichamen laten rijden.
Waar zulke verhalen op Atjeh met naam en toenaam de ronde doen in societeit en cantine en de daders verheerlijkt worden door ouderen en superieuren, daar kan dat niet nalaten zekeren invloed uit te oefenen op de andere strijders en aanvoerders. (Een onderzoek naar de waarheid van deze feiten zou de betrokken personen òf schoonwasschen òf schuldig bevinden. De bevolking zou er indirect misschien ook voordeel van ondervinden).

De geest van het gezag op Atjeh is wreed, deels ten gevolge van het karakter van den bevelhebber, die natuurlijk evenmin aan het langdurig degeneratie-proces heeft kunnen ontkomen, terwijl ook bij hem zich bewust of onbewust het gevoel van onmacht doet gevoelen.

"Obéir c'est craindre" zeide eens Napoleon I. Het tegenwoordige Atjeh-bestuur kan dezelfde spreuk in zijne vanen schrijven.
De majoor van den generalen staf R. G. Doorman schreef in den VIIn jaargang 1903 - 1904 van het Tijdschrift der krijgswetenschappen" :

"Op Atjeh zal geen andere weg open blijven, dan volk en leiders den geesel van den oorlog te doen gevoelen, totdat de vrees machtiger raadsman zal zijn geworden dan haat en godsdienstwaan".

Volkomen waar ! Die vrees moet echter niet gewekt worden door wreed, barbaarsch optreden.
Door strengheid en preventief optreden wordt óók vrees gewekt ; hiertoe is echter noodig een flinke macht, welke die strengheid rechtwaardig weet toe te passen.
Atjeh wordt in den waren zin van het woord met de roede geregeerd. Slaan en ranselen is waarlijk één der vele middelen om door vrees de bevolking te dwingen tot pacificatie.
Voorbeelden met tragischen afloop zijn er vele. We wijzen op den moord op luitenant Charbon, Van Rijn e. a. en van zoovele brigade-commandanten in het Meulabohsche in begin 1904. Leest daartoe het maandverslag van September 1904 e.a.
In Pedië liep Toekoe Lotan van Triëng Gading eenige flinke stokslagen op, omdat hij een luitenant niet de noodige eer bewees.
Te Padang Tidji was een karabijn gestolen en een Atjeher werd hiervan verdacht. Deze werd daarom gearresteerd en kreeg dagelijks eenige tientallen rottanslagen, totdat hij zou bekennen, wie den diefstal gepleegd had.
Een civiel gezaghebber van Pedië had te Segli de order uitgevaardigd (dit was vóór 1904), dat het elken niet-Europeaan verboden was, voor langs de woning van den civiel-gezaghebber te loopen. Men kon van tijd tot tijd dezen gezaghebber in slaapbroek en kabaai zijn huis uit zien stormen om den overtreder van dit gebod met een bullepees tot de orde te ranselen.
Gevreesd en berucht waren ook de ochtend- en vooravondwandelingen van dien gezaghebber op den passer  te Segli. Dagelijks eischten deze wandelingen een geslagen" offer ; gewoonlijk, omdat deze kooplieden hunne waar te duur verkochten en zich dus niet hielden aan de prijzen voor alle artikelen door die autoriteiten in zijn gebied vastgesteld.
Te Koeta Radja waren het drie Maleiers, die van een zeer hooggeplaatst persoon eigenhandig een pak slaag opliepen op den openbaren weg.
Zoo moet op de eerste Taugse-expeditie éen der hoofden van Tangse hevig mishandeld zijn, evenals te Keumala Dalam, waar ook de roede ferm gezwaaid werd, omdat de gearresteerden geene berichten wilden geven.
Een ander opmerkelijk en algemeen bekend feit is, dat waar de gouveneur zich vertoont, de bevolking rilt en beeft. Mijn bediende (een Padanger) durfde uit vrees te Kota-Radja niet alleen langs den gouverneurswoning te loopen. Dit is een feit en teekent den toestand. Deze bediende kende den gouverneur nog uit Segli, naar hij beweerde.

Een ander vaak toegepast middel, ten einde berichten uit onwillige Atjehers te krijgen, is hun door pijnigen die berichten af te dwingen.
Het vertrouwen van hoofden en bevolking hebben wij niet, dank zij het afschrikkingssysteem. Berichten moet de commandant hebben, anders loopt hij kans door zijne chefs als ongeschikt om met de bevolking om te gaan afgelost en vervangen te worden, dus.... dan maar zijn toevlucht weer genomen tot geweld, - pijnigen en martelen.
Zagen we hierboven, dat de vreedzame bevolking vaak de dupe is van het slaan en ranselen, hier zullen wij zien, dat vooral gevangenen de slachtoffers zijn van dit pijnigingssysteem.
Voor zooverre ik zulks bijwoonde en hoorde, bestaat dit martelen uit het slaan met de rottan ; met de nerf van een klapperblad op het vlakke gezicht tot het bloed uit mond en neus loopt; het ophangen aan de met touwen gebonden polsen, zoodat de teentoppen even den grond raken; het aanleggen van een vuur, waarop de onwillige langzaam geroosterd wordt e.d.
En dit alles als gevolg van onze onmacht en de aanmerkingen op de journalen.

Op een dag in Juni 1904 werd door een patrouille een gevangene in ons bivak gebracht. Deze gevangene weigerde eenig bericht omtrent de schuilplaats der bende, waartoe hij behoorde, te geven. Daarom werd hij buiten het bivak aan een boom gebonden en kregen twee dwangarbeiders den last om beurten dezen Atjeher met een rottan zoo lang te slaan, tot hij zou spreken. Na 84 slagen viel hij bewusteloos, waarop eenige emmers water over hem leeggegooid werden, en toen hij weer bijkwam, werd de strafoefening voortgezet op last van den bivakcommandant, totdat de Atjeher na een honderdtal slagen begon te spreken. Doch nu kon de man zelf niet meegaan met de patrouille om deze den weg te wijzen, omdat hij niet kon loopen. Eerst na 2 dagen kon met de uitvoering van het bericht begonnen worden. (Het bericht bleek verzonnen te zijn).
In een ander bivak werd een jonge vrouw als gevangene binnengebracht. Deze vrouw moest naar ingekomen berichten de echtgenoote zijn van een berucht bendehoofd. Vóór den bivak-commandant gebracht, ontkende zij het bendehoofd te kennen ; werd daarom vastgebonden en door een dwangarbeider zoolang geslagen, tot zij bewusteloos inéen zakte en in dien toestand 7 uur achtereen bleef. Later bleek, dat de vrouw niets met de bende had uit te staan !
In een ander bivak werd een gevangeoe binnengebracht, die een bende had geholpen met rijstfourages. Vóór den bivakcommandant ontkende hij alles en werd daarom aan de polsen vastgebooden en opgehangen, zoodat de teenen even den grond raakten. In deze houding bleef hij ongeveer twee uren en gaf toen eenige berichten omtrent den vijand.
In Gloempang Doewa werd een gevangene zoolang geslagen, totdat de bivakcommandant er zelf onpasselijk van werd.
Als standaardverhaal wordt op Atjeh verteld, hoe zeker officier een gevangene roosterde om er berichten omtrent den vijand uit te krijgen. Enz. enz. enz.

Alle factoren werken op Atjeh samen om het onderscheidingsvermogen voor goed en slecht, voor het humane en het bestiale zoowel bij aan-voerder als soldaat te benevelen. Zij doen hem de waarde van een menschenleven lichter tellen en doen hem daden verrichten, waarvoor hij in normale levensomstandigheden de verantwoordelijkheid niet zou willen dragen.
Zij zijn oorzaak van uitingen van persoonlijke wreedheid, zooals: het in brandsteken van huizen, waarin in leven zijnde personen zich bevinden.
Bij een affaire in Peusangan, waarin van een bende 12 man sneuvelden, werd door den patrouillecommandant een dwangarbeider gelast het huis, waarin de bende zich bevond, in brand te steken, daar de onzen niet in staat waren de bende uit het huis te verdrijven.
De affaire, waarbij de luit. der mareehaussée Burger sneuvelde, getuigt ook van het verbranden van den vijand met huis en haard uit wraak over het sneuvelen van dien kranigen aanvoerder. Enz. enz.

Het verminken en kerven van lijken. - Eén der patrouille-commandanten te Meulaboh had de gewoonte van de door zijn patrouille gedoode vijanden het hoofd te laten afslaan.
Een ander merkte de lijken met een kruis, middels de klewang in het vleesch van het voorhoofd of borst gesneden. Dit moest dan een herkenningsteeken voorstellen, dat zijn patrouille dezen doode gemaakt had.
Van éen der gesneuvelde kwaadwilligen bij een klewangaanval in 1905 te Teupin Blang Mane werd het hoofd in triomf het bivak B. binnengedragen.
Het hoofd van den doode Pang. Bodiman werd van de romp geslagen en van Gloempang Doewa naar Lho Seumawe en terug gezonden, terwijl m. i. het geheele lichaam best te vervoeren geweest zou zijn. Dit voorval werd door een officier op de sociëteit te Segli in tegenwoordigheid van den civiel-gezaghebber verteld, waarop deze autoriteit zeide : Houd je mond maar, ik heb niets gehoord."
Ik ken een officier, die een heele verzameling doodshoofden van gesneuvelde djahats bezat.
Men spreekt vaak van tjiang-tjangen" van onze lijken, zoo die in handen vallen van Atjhers; als men nu ook eens naar de bloederige vleeschmassa's kijkt, die door onze soldaten gemaakt worden van 's vijands lijken, dan hebben wij heusch den Atjeher niets te verwijten.

Het neerschieten van gidsen. - In een journal van een civiel-gezaghebber te Takengon werd officieel gerapporteerd, dat een gids, die een patrouille had misleid, werd neergeschoten.
Bij een excursie naar Toendjang werd eveneens een gids, omdat hij de patrouille misleidde en den commandant brutaliseerde, neergeschoten.
In een ander journaal uit de Lautstreek staat gemeld, dat een gids werd afgemaakt in tegenwoordigheid van een bevriend hoofd, omdat hij weigerde de patrouille den weg te wijzen. Waaruit blijkt, dat de gouverneur op de hoogte is van dergelijke feiten en ze stilzwijgend goedkeurt.
Door een kapitein te Meulaboh werd een hoornblazer gelast een als gids meegevoerden vreedzamen passerbewoner neer te schieten, omdat een eveneeus meegenomen vriend van dezen gids, de nabijheid van den vijand vreezende, onderweg het hazenpad naar huis had gekozen en de eerste voor de handelwijze van den tweede verantwoordelijk werd gesteld.
Op één der jonrnalen in het Lho Seumawesche (Panton Labeuë) schreef de huidige gouverneur als kantteekening bij een melding, dat de gids, die de patrouille vergezelde, door hoesten waarschijnlijk de aanwezigheid der patrouille trachtte te verraden : Deze man had onmiddellijk moeten worden neergeschoten".

  Gebrek aan troepen, systeemwreedheid en uitingen van persoonlijke hardvochtigheid knagen aan ons beleid op Atjeh.
Die wreedheid is sinds lang bekend bij den gouverneur van Atjeh en Onderhorigheden en de civiele gezaghebbers.
Niets deden deze autoriteiten om dit tegen te gaan ; op een enkele uitzondering na, moedigden zij integendeel zulk optreden aan. Deze autoriteiten stonden allen onder den invloed van een gevoel van onmacht.
Zij allen voelden, dat, niettegenstaande den vier-en-dertig-jarigen oorlog, wij nog niet het vertrouwen van-, laat staan een moreel overwicht op den Atjeher hebben.

Doodelijke haat, afschuw en minachting is al, wat wij in dien jarenlangen strijd van den Atjeher geoogst hebben.
Een pacificatie gebaseerd op moreel overwicht zullen wij nooit verkrijgen, vóórdat een materieel  overwicht, d.i. een voldoende troepenmacht, verkregen is.
Tijdelijk kan een krachtige persoonlijkheid als een Van der Heyden of Van Heutsz door suggesieve werking den toestand beheerschen.
Onder zwakkere opvolgers, zonder uitstralende kracht, zullen haat en minachting der bevolking weer machtiger raadsman worden dan de vrees voor de persoonlijkheid van den opperbevelhebber. - De gebeurtenissen ua het tijdperk-Van der Heyden en onder het huidig bestuur toonen de waarheid van dezen regel aan.
Benden branden en plunderen thans weer in Groot-Atjeh tot onder de muren van Koeta-Radja (bij Lam Njong en Roempit) ; Koeta-Radja is weer beschoten tusschen Peunitie en Koeta Alam; de bevolking steunt die benden, geeft ze geld en vivres, verzwijgt hare aanwezigheid; de hoofden verbieden hun ondergeschikten om ons bestuur in te lichten ; de Keurtoi (Lho Soekoen) is weer bijna geheel overgeloopen naar den vijand ; geheel Lho Soekoen is rumoeriger dan voorheen ; Sawang heeft zich voor een belangrijk deel bij de djahats aangesloten ; in Peusangan gaat het slechter dan ooit; in de VII Moekims vertoonen zich weer meer benden; in het begin 1907 moesten Indrapoeri en Seulimoen in allerijl door een compagnie uit Koeta Radja versterkt worden en werden vier brigades marechauseée onder den kapitein Boreel te Koeta Radja aangehouden, omdat men vreesde, dat Polim weer zou overloopen ; op de reede van Oleh-leh werd een Chineesche prauw beschoten en 1 Chineesch zwaar verwond. En achter de schermen gebeurt meer dan hier opgesomd kan en mag worden.

Obdir c'est craindre". De vraag is maar, hoe de vrees wordt opgewekt.
Laat ons ook bedenken, hoe immoreel het is, door de kleine troepen-macht den vijand als 't ware te provoceeren telkens en telkens weer een kans te wagen ons door hare grootere getalsterkte te overwinnen. Steeds terugkeerende opflikkeringen van verzet (klewangaanvallen), periodieke uitingen van fanatisme zijn hiervan het gevolg.
De stumpers vergeten eehter telkens en telkens weer, dat onze repeteergeweren en karabijnen verder reiken dan hunne donderbussen en klewangs.
Elke provocatie is laakbaar ; in een pacificatiestelsel is zij verderfelijk en inhumaan.
Wij zijn immers een ontwikkelde, beschaafde natie ; wat weet de Atjeher van aardrijkskunde, legerorganisatie, reserve en de hulpbronnen, waarover dat handjevol soldaten in zijn gebied beschikt! ?
Maakt dat leger krachtig, overmachtig en de Atjeher zal ook aanschouwelijk overtuigd worden van onze macht en rijkdom. Momenteel geeft dit grootere uitgaven, op den duur kost het minder geld en.... minder bloed. (Engelschen contra Boeren ; Franschen in Tonkin).
Te weinig troepen geeft onmacht en onmacht leidt tot wreedheid en eindeloosheid ; maar gaat onmacht samen met gebrekkige bestuursmaatregelen en wordt de wreedheid aangemoedigd, dan ontstaat een stelselloos stelsel of vandalisme.
In de eerste plaats moet de geest van den bevelvoerder voldoen aan alle eischen, welke billijkerwijs gesteld kunnen worden aan een hoofd-officier van een beschaafd leger met een wetenschappelijk, goed onderlegd officierskorps.
De waakhond door meesters stem aangehitst wordt vechtlustig en bloeddorstig.
Een hardvochtig bevelvoerder, zijn troepen door woord en daad voorgaande in ruwheid en wreedheid, zal die soldaten spoedig veranderd hebben in beulen, brandstichters en roovers, overal vrees en schrik verspreidend en haat en wrok zaaiend.
Het volk, dat, aldus geregeerd, ons bestuur vreest, gehoorzaamt alleen onder het oog van den meester. En ware dat oog nu nog maar alom aanwezig en alziend, m. a. w. ware nu de contrôle nog maar volledig, dan zou dit bestuur zich nog kunnen handhaven; doch zelfs daartoe is het niet bij machte, zoodat per slot van rekening de Atjeher nog precies doet en laat, wat hij wil; nu eens djahatje spelende, dan weer een rustiger leventje leidend. Dit is de juiste toestand op Atjeh en intusschen werkt dat handjevol soldaten zich invalide, terwijl het zich in bloed baadt.
't Geeft niets !

Tot pacificeerend en controleerend, d. w. z. politioneel optreden, is de troepenmacht ontoereikend. Tracht een bivakcommandant al eens een groep af te zonderen tot contrôle- wegwerken, gampong-reiniging, bruggebouw, traceeren, wegopname, passencontrôle in de gampongs e. d., dan is deze gouverneur er vlug bij op de journalen in de margine de meest hatelijke opmerkingen te plaatsen. Kortweg : gampongpatrouilles worden verboden, contrôle-wegwerken en al dergelijke verrichtingen mogen door den troep niet meer gedaan worden. De volle aandacht moet gewijd worden aan het opsporen en onschadelijk maken van kwaadwilligen. De geheele actie moet daartegen gericht zijn. En dit geheel in strijd met de Algemeene instructie voor colonne- en patrouillecommandanten, zooals die omschreven staat in de C. O. 54 van 8 Juni 1905 punt 1 sub c. Leest de kantteekeningen op de journalen van de bivaks Panton Laboe, Lho Soekoen, Goentji, Meulaboh, Lam Meulo, Bireuën en andere in de tijdvakken van begin 1905 tot heden, vooral gedurende het "medebestuur" van den overste Van der Maaten, en aanmerkingen als de volgende zullen u treffen :

deze patrouillecommandant schijnt bij voorkeur in de gampongs te loopen ; 't is dan ook veel prettiger in een huis dan in een bosch te slapen."
of

    wie gaf u den last die brug met troepen te laten bouwen ? soldaten dienen te patrouilleeren";

of

    gampongpatrouilles mogen niet meer gemaakt worden, contrôle- wegwerken is overbodig",
      - en dergelijke.
 

Nieuwe heer, nieuwe wet!
Ook deze stelling wordt hardnekkig toegepast op Atjeh. Heeft een bivakcommandant zich ingewerkt in de toestanden en den geest der bevolking van zijn gebied ; is hïj op de hoogte van de namen der hoofden van verzet en hunne schuil-plaatsen in dat gebied ; heeft hij een weinig het vertrouwen weten te koopen" of krijgen van enkele spiounen of hoofden ; heeft hij de nooden der bevolking leeren begrijpen ; heeft hij de wegen, ligging der gampongs en namen der hoofden en hunne gewoonten van zijn streek leeren kennen ; heeft hij zijne soldaten en zijne soldaten hem leeren hegrijpen en zïjn ze geoefend in zijn geest op te treden en te patrouilleeren, dan wordt hij plotseling zonder eenige reden overge-plaatst en kunnen èn hij èn zijn opvolger zich nog eens opnieuw in een voor hun vreemden toestand inwerken ; vaak tot groote desillusie of vermaak der bevolking en hoofden. Het is uitzondering als een bivakcommandant 6 maanden met dezelfde officierenop éen post zit. Waardoor men ook krijgt dat reeds lang afgedane kleine rechtszaken door hoofden en bevolking opnieuw worden voorgebracht bij den nieuwen commandant of civiel gezaghebber. De gevolgen kan ieder zich denken. Wie niet tevreden is met een eens genomen beslissing, wacht tot de komst van den nieuwen commandant en waagt nog eens een kansje.

Voeg hierbij nog de fatale menschelijke eigenschap van afbreken wat een voorganger opbouwde, en ge zijt in het ideale land "der ordre, contre-ordre, désordre".

In het Lho Seumawesche zou door het restaureeren der zwaar verwaarloosde irrigatiewerken een stuk van duizend bouws sawahgrond weer bruikbaar worden, waardoor tevens de daar wonende bevolking bevrijd zou worden van den jaarlijks terugkomenden hongersnood.
- Na maanden van voorbereiding, vergaderen met hoofden, correspondeeren met den civiel gezaghebber, opnemen en in kaart brengen van het terrein enz. enz. werd het geheele werk geraamd op zesduizend gulden. Vrijwillig bood de bevolking aan dit bedrag zelf te betalen - het "wegenfonds"  diende tot verfraaiing der plaats Lho Seumawe - en wel bij maandelijksche afbetalingen naar verhouding van de individueele draagkracht. De eerste penningen waren gestort, maar ziet... de bivakcocumandant werd plotseling overgeplaatst, omdat hij daar reeds lang gezeten had (6 maanden) en... de uitvoering van het nuttige werk laat nu nog op zich wachten. Dit gebeurde in begin 1905.
Eenige hoofden vroegen een bivakcommandant, een school te willen oprichten. De bivakcommandant correspondeerde met den civiel gezaghebber. Er waren 14 leerlingen-liefhebbers, die tot nu toe per tram elken dag naar Lho Seumawe's hoofdplaats moesten rijden. Nog vóor de civiel gezaghebber een beslissing genomen had, werd de bivak-commandant overgeplaatst. Van de oprichting van een school kwam niets, de opvolger vond dit waarschijnlijk onnoodig.
Wegen worden aangelegd door een bivakcommandant, door zijn opvolger afgekeurd en, parallel met de oude, nieuwe aangelegd.
Door den eenen commandant worden concessies verleend om pinang -, klapper -, peper - of zijde - cultuur omhoog te helpen : zijn opvolger trekt de concessies in, waardoor uitgestrekte velden met jonge aanplant afsterven en de ondernemingsgeest der bevolking wordt gedood.
De Atjeher kan geen vrede hebben met deze regeeringsmethode. Zijne despotische hoofden verkiest hij boven ons anarchistisch bestuur.

Waarom moesten de troepen weg uit het landschap Sawang en vervangen worden door marechaussées, die te Leuho (Peusangan) in bivak kwamen? De bevolking was in Sawang tot rust gekomen. Berichten omtrent den vijand kreeg de bivakcommandant van Goentji voldoende. De bevolking was het oorlogvoeren moe en verlangde naar rust en orde.
Prachtig !  zegt de gouverneur. Sawang is rustig, ergo kunnen de troepen daar weggehaald worden ; dat bezuinigt en bevredigt de bevolking. Maar Z.H.Ed.G. vergat, dat met het weggaan der troepen Sawang zou worden een gewild fourageer- en rustoord voor alle kwaadgezinde elementen uit Peusangan en Boeloeh-Blang-Ara en de goedgezinde bevolking meer dan ooit zou worden overgeleverd aan de willekeur der djahats.
En aldus geschiedde ! Nauwelijks was de Compeuni weg of het bivak der Koninklijke Petroleum Maatpij., dat eerst beschermd werd door onze troepen, werd hij herhaling aangevallen ; transporten dier Maatschappij lastig gevallen, personen, die de Compeuni vroeger diensten hadden bewezen, vermoord ; gampongs gebrandschat enz. enz. ; totdat de maréehaussees er zich mee gingen bemoeien en in twee weken meer "dooden maakten" dan vroeger in een vol jaar door de infanterie in Sawang gemaakt kòn worden. En dank zij het welwillend optreden dier maréchaussée-patrouilles liep dra de geheele gampong Goentji en een groot deel der Blang Pandjang naar den vijand over. Het "verantwoordelijkheidssysteem" had ook hier gewerkt: schuldig of onschuldig, toch strafbaar ! -

De ervaring op Atjeh leert, dat het zeer onoordeelkundig is in een rustige streek marechausees te laten patrouilleeren of te leggen. De bevolking wil nu eenmaal geen marechaussees, haat en vreest ze. Deze vechtsoldaten bij uitnemendheid behooren in woelige streken, in het gebergte en de bosschen te ageeren en daar voelt het korps ook meer voor.
Het was een grove politieke fout Sawang van troepen te ontblooten, maar nog grooter fout daar marechaussees te laten patrouilleeren.
Arme bevolking ! !

Thans lezen we weer dat de havens Idi en Bajan gesloten worden. Waarom? Om de Atjeh - tram rendabel te te maken. Het gevolg is, dat die plaatsen thans wegkwijnen; tal van Chineesche toko's zijn gesloten en uit vrees, dat het welvarende Segli het zelfde lot te wachten staat, wordt de daar afgebrande keudé maar niet eens meer opgebouwd. Is dat handel en nijverheid bevorderen ? Is dat cultures opheffen?
Over de opvatting van dit laatste heerschen te Koeta Radja trouwens rare begrippen.
Der bevolking in Groot-Atjeh werd aangezegd klapperboomen aan te planten en er werd zeer geijverd voor den aanplant van een "tweede gewas". Hij, die aan den wil van den controleur of assistent-resident te Koeta Radja niet spoedig genoeg gehoorzaamde, werd kort en bondig opgevat door een patrouille en in de gevangenis gestopt - (begin 1907). - En zoo gebeurt het in geheel Atjeh.
Van een vermindering der partij van verzet in geheel Atjeh is dan ook geen sprake, wel van het tegendeel.

Ik las in een schrijven van een marechaussee-luitenant op Leubo (Peusangan) aan een zijner collega's de volgende zinsnede, die merkwaardig veel overeenkomst heeft met het (hiervoren) zesde punt van aanval uit de rede Thomson, n.l. : wij zijn alleen baas op het stukje grond, waarop het bivak - en de vierkante meter, waarop de patrouille staat." - En verder : 't is een wanhopige toestand hier, je schiet tien djahats neer en er komen er twintig bij. Die kerels hebben ook niets meer te verliezen dan hun leven en daar geven ze niet om." (Einde 1906).

Behalve doorslaande bewijzen van gebrek aan wijze bestuursmaatregelen en insinueerende aanmoedigingen tot ruw en wreed optreden tegenover den Atjeher, treedt, de tegenwoordige gouverneur van A, en O. ook vaak onoordeelkundig op tegen de eigen ondergeschikten.
Hierover willen wij kort zijn, als geheel liggend buiten het kader van ons betoog, doch willen het toch even aanstippen om de conclusie te kunnen trekken, dat de achteruitgang van den toestand op Atjeh ook voor een deel geweten kan worden aan den slechten geest onder officieren, kader en manschappen, de eigenlijke werktuigen der pacificatie.
Gaf de gouverneur bij den eersten Cajoe-tocht reeds teekenen van hardvochtigheid, thans moeten de officieren vaak de meest onheusche, meest kwetsende kantteekeniiigen op hunne journalen lezen en onder-teekenen.

Ieder toch op Atjeh weet, hoe op den eersten Cajoe-tocht een koorts-lijder, die te ziek was om de colonne te volgen, door den commandant van geweer en wapenen beroofd op het eenzame boschpad werd achtergelaten, ten prooi aan wilde beesten en den bloeddorstigen vijand. Deze soldaat, wij meenen, dat hij Lengkong heet, kwam in dwangarbeiders-costuum meer dan half naakt in één onzer bivaks (Panthelon) en werd later "gek" verklaard. Misschien wel gek door de uitgestanen angst en de ontberingen.
Een ijverig, voortvarend luitenant had in Pedir een der voornaamste oelama's  neergelegd en kreeg kort daarop op een zijner journalen de volgende berisping : "een karbouw zou het beter gedaan hebben".
Een ander was éen, zegge éen week in een voor hem totaal vreemde streek en bevolking bivakcommandant. Een groot deel der schuwe bergbewoners was even vóor zijn optreden naar den vijand overgeloopen ; onrust, onzekerheid en vrees brachten de gemoederen in gisting. Na deze week werd de bivakcommandant afgelost, omdat hij geen berichten kon inwinnen.
Troepen op excursie mogen niet meer overnachten in éen onzer bivaks, waardoor de malle toestand geschapen werd, dat patrouilles, die tegen den namiddag in ons bivak kwamen op de keudé" (passer) van dat bivak overnachtten, opdat vooral niet, in het journaal zou behoeven te worden vermeld, dat in een bivak" werd overnacht. Zelfs hoofd-offcieren deden mee aan dit flauwe spel.
Enkele bivaks kregen eens in de twee weken een transport slachtvee. Bij circulaire werd bevolen, dat in den vervolge geen enkele koe meer mocht doodgaan. De soldaten diende zulk een gestorven koe zelf te betalen.
Evenzoo werd per order gelast, dat prauwen met vivres nooit meer mochten omslaan. Totdat onder de oogen van den gouverneur zelf op de reede van Meulaboh twee prauwen omsloegen.
Zeker, de bedoeling, waarmee die orders werden uitgevoerd, was goed. Te lichtvaardig liet men wel eens koeien sterven" en prauwen omslaan", de order zelf echter kon niet worden opgevolgd.
Onbillijk is ook de order, dat voortaan alle op patrouille of excursie meegevoerde en bedorven of op marsch verloren vivres zullen moeten worden vergoed door de dragers. d. z. de dwangarbeiders.
Voor spionnendiensten mogen geen uitgaven meer in de boekposten voorkomen. Atjehers moeten voortaan kosteloos berichten geven ! ! ! !
Onuitvoerbaar was ook de koelie-order. Voortaan werd verboden vrïje koelies tegen betaling in te huren als dragers op patrouilles en excursiën. Moet een patrouille door gebrek aan dwangarbeiders haar toevlucht nemen tot inhuur van dragers, dan is daarvoor eerst de toestemming noodig van den gouverneur zelf. Dit moet belemmerend werken op de actie, daar het aantal dwangarbeiders in alle infanteriebivaks ontoereikend is en toestemming tot inhuur van vrije, koelies zeer zelden gegeven wordt.
Wat zijn nu de gevolgen van deze bezuinigingsmaatregelen? De gevolgen zijn, dat alle bivaks een geheim fonds of geheime reserve hebben om bovenstaande uitgaven toch te bestrijden. Dit fonds wordt verkregen door boeten op te leggen en niet, in het "officieele" kasboek in te boeken. Mij zijn tal van bivaks bekend met een z.g.n. "dubbele" boekhouding, d. w. z. één officieele en één officieuse.
Een ander gevolg van het verbod van inhuur van vrije koelies is, dat, de bivakcommandant er op uit is zooveel mogelïjk gevangenen te maken, onder opgave van kinderachtige motieven, als:  het niet schoon zijn der erven, het niet hebben van een pagger op voorgeschreven hoogte om die erven enz., enz., en hij gebruikt deze gevangenen als dragers of wel hij gelast de bevolking voortaan dragersdiensten in heerendienst te verrichten. Beide middelen vinden praktijk op Atjeh.

Alle verkeerde maatregelen wreken zich immers altijd direct op de bevolking, wier klachten toch niet gehoord worden in Buitenzorg of Den Haag.

Veel, zeer veel zouden wij nog kunnen schrijven over de heeren-diensten en het boetestelsel, de kanker en pest voor de pacificatie.

Wij zouden kunnen vertellen hoe een majoor, civiel-gezaghebber van Pedir, de bevolking in heerendienst liet verhongeren; wij zouden u kunnen aantoonen, dat de in heerendienst in wording zijnde Gajoeweg de oorzaak is van alle klewangaanvallen en beroering in Peusangan, zooals ook deze gouverneur beaamde in een gesprek met éen zijner luitenants te Bireuën en in spijt van de verklaring van den Minister, dat de onrust in Peusangan niets te maken heeft met het werken aan den grooten Gajoeweg, enz., enz., enz.

In verband met het boetestelsel zouden wij kunnen wijzen op de zg. kooien of toetoepans in de bivaks, waar wanbetalers moeten brommen; over duizenderlei dwaze boeteopleggingen, dank zij het gemeen-verantwoordelijksheidsstelsel"; over het z.g. "wegenfonds" zouden we het kunnen hebben; over de twee onnoodige vredesparken in Koeta Radja, het overdadig groote marechaussée-kampement te Lho Soekoeo, waar geen marechaussée ligt, de slechte gasverlichting te Lho Seumawe, de thans vervallen renstallen te Lho'Nja, enz., enz,, enz., alles opgebouwd uit geïnde boeten van den Atjeher, waaraan de Atjeher niets heeft.
Wij zouden een geschrift uitgebreider dan dit kunnen samenstellen zonder uitgepraat te raken over het vooze boete- en heerendienststelsel.

Voor den Atjeher wordt niet veel gedaan. Er is voor hem een moskee op Koeta Badja gebouwd, die bijna altïjd leeg staat ; voor landbouw en veeteelt wordt in de Onderhoorigheden niets noemenswaard gedaan ; voor cultures worden hier en daar door sommige civiel-gezaghebbers onbeduidende voorschotten gegeven, doch totaal onvoldoende en tegen zware borgstelling ; voor den handel wordt niets gedaan, hij wordt tegengewerkt, (sluiten der havens) ; rijke keudé's zijn er bijna niet meer; nijverheid bestaat niet, wordt ook niets voor gedaan.

Patrouilleeren, neerleggen, onschadelïjk maken, kosteloos wegen aanleggen, beboeten en verbannen vormen het huidig Atjeh-programma.

Waarom toch trekt het bestuur geen partij van de overgroote ijdelheid van den Atjeher? Waarom toch wordt steeds gestraft, nooit beloond? Stel b.v. een ordeteeken speciaal voor verdienstelijke Atjehers in en ik durf er voor borg staan, dat de ontvangers van zulke onderscheidingsteekenen van trots, dankbaarheid en verrukking, 's gouvernements beste onderdanen zullen worden.
Op Koeta Radja kwijnt de kleinhandel; de winkels, groote, mooie, statige gebouwen, kunnen zich met groote moeite staande houden.
Een ontevreden, duffe, saaie geest heerscht in die stad. Ieder officier, die zijn vier jaren 'vol" heeft, vraagt met spoed overplaatsing; alle gerenommeerde patrouillecommandanten uit de Van Heutsz-school zijn weggeloopen van Atjeh.
Colijn, Cristoffel, Vastenou, Veltman, Darlang, Scheepens, Verschuur en zoovele anderen, waar zijn zij gebleven en wie vervangen hen thans op Atjeh?
Waar is de opgeruimde, gezellige geest van 1903, '04 en '05, waardoor er niet aan gedacht werd het groote, interessante pacificatiewerk in den steek te laten; waardoor officieren met acht, ja, met twaalf onafgebroken Atjeh-jaren geen uitzondering waren? Zoekt hen thans!!!
Verbitterd is de bevolking, ontevreden de troep! Is het niet ongerijmd, dat waar de toestand precies dezelfde als in 1903 en het te pacificeeren gebied bijna verdubbeld werd door het aantrekken der Gajoe, Alas- landen en Serbödjadi, de toenmaligen troepenmacht met 1 bataljon werd verminderd?
Afdoende inmenging van het opperbestuur is hoog noodig, doch laat het belastingplan van 2 pct. van ieders inkomen op Atjeh de eerste jaren rusten.
Thans zal de Atjeher belasting betalen voor ondoelmatige wegen, die hij uit principe toch niet gebruikt; voor bescherming van persoon, goederen en veiligheid, die er niet is, enz. Laat ons den Atjeher eerst zich leeren schikken in een toestand van orde en regelmaat ; daarna kan het land tot ontwikkeling gebracht worden en de bevolking de uitgaven eener belasting dragen. Doch daartoe is noodig een belangrïjke versterking van troepen, waardoor ook het binnensmokkelen van de allernieuwste modellen repeteer-, en jachtgeweren en munitie kan worden tegengegaan (ik zelf maakte munitie van buitenlandsch fabrikaat met de cijfers 1905 en 1906 er op vaak buit) - vermeerdering van het aantal bivaks; andere en betere dislocatie der bivaks over het bezette gebied met infanterie in de tot rust neigende- en marechaussée in de woelige streken en in den overgang van vlakte in bergland  en.... een wijs bestuurder, met menschenkennis en ruimen blik, ennis van land en volk; met humaan karakter en strenge principes voor zich zelf en zijn ondergeschikten : met bestuurstalenten en een Van Heutsz-geest, d. w. z. actief, doortastend, geen bezwaren achtend.

Gematigd optreden en wijze bestuursmaatregelen zullen dan het Atjeh-pacificatie-stelsel maken tot een vruchtafwerpend, positief werk ; omdat dan aan de werkelijke pacificatie, d. i. rust en ontwikkeling van land en volk, gearbeid kan worden.
Onmacht, wreedheid, stelselloosheid, verbittering, haat, minachting, vrees en gebrek aan vertrouwen zullen dan gaan plaats maken voor macht, bezadigdheid en zooal niet goedschiksche onderwerping, dan toch berusting.
Hoopvol klinken de woorden van den Minister in de Memorie van Antwoord l906, waar Z.Exc. zegt, dat intusschen de correspondentie over de toestanden op Atjeh met den Gouverneur - Generaal nog niet is geëindigd en Z.Exc. onder diens aandacht zal brengen de te geringe troepenmacht in dat gewest, waarop door vele deskundigen wordt gewezen.
B r a v o,  M i n i s t e r  Fo c k ! ! Dan zou het geheele Nederlandsche volk, het geheele Nederlandsch-Indische leger en het geheele Atjeh-volk u dank verschuldigd zijn.
Doet een beroep op uw minister, gij Nederlandsch volk; vraagt uwen afgevaardigden met klem aan te dringen op vermeerdering van troepen op Atjeh. Nu duldt gij, dat daarginds een geheel volk langzaam, maar zeker vermoord en uitgeroeid wordt; dat uwe zonen moordenaarswerk verrichten: een ander groot deel in uitgestrekte vredesgarnizoenen geeuwt van verveling.
Vraagt uwen minister een eind te maken aan dat vandalisme op Atjeh, dat stelselloos dilettantisme in zijne uiting van onmacht barbaarsch.
Vraagt uwen minister er door overmachtig, krachtig optreden spoedig een einde aan te maken.
Vraagt uwen afgevaardigden eénstemmig momenteel eenige millioenen meer op de Indische begroting te brengen en troepen te zenden naar dat Atjeh ; zegt hun, dat deze geldbelegging over eenige jaren ruimschoots haar rente zal afwerpen, want Atjeh is een mooi en zeer rijk land!
Laat de schande van een vier en dertig jarig onvermogen om een primitief bewapenden onontwikkelden inlandschen stam ten onder te brengen niet nog langer onzen naam en geschiedenis bezoedelen. Ons nageslacht zal er ons voor danken.
Atjeh kán en móet gepacificeerd worden!"
 


[Terug] [Weduwe van Indi&eul;]