Wapenhandel naar Indonesië

een bijdrage aan het debat bij het Vredesdiner,
georganiseerd door het
Haags Vredes Platform,
Den Haag, 18 oktober 1996

Martin Broek

Allereerst wil ik de organisatoren van deze bijeenkomst van harte bedanken voor de uitnodiging. Mij is gevraagd te spreken over de wapenhandel met Indonesië. Aan dit verzoek zijn een tweetal vragen toegevoegd:
  1. de Nederlandse politiek t.o.v. verdachte landen en
  2. waar loopt Indonesië kans op conflicten met haar buurlanden door regionale spanningen. En dat allemaal in maximaal vijftien minuten. Ik zal me beperken tot deze twee vragen en daar een aantal kanttekeningen aan toevoegen.
  1. De Nederlandse politiek t.o.v. verdachte landen.
    Allereerst even kort: Wat zijn verdachte landen? Zijn verdachte landen Noord-Korea, Libië en Irak of behoren ook de landen met een ondemocratisch regime zoals Turkije, Nigeria en Indonesië tot deze categorie.

    De praktijk van het Nederlandse wapenexportbeleid hangt af van de algemene politieke visie op het betreffende land. Een leverantie aan Irak lijkt uitgesloten, terwijl Indonesië tot de belangrijkere afnemers voor Nederland behoort. De Nederlandse richtlijnen op het gebied van wapenhandel laten zich over het algemeen gemakkelijk samenvatten. Er zijn verschillende toetsings criteria die worden gehanteerd door Buitenlandse Zaken die kunnen leiden tot een negatief advies aan het Ministerie van Economische Zaken betreffende een levering. Dit advies van BuZa is doorslaggevend.
    Die criteria zijn:

    1. er wordt bij de toetsing aandacht geschonken aan de mensenrechten situatie in het land van bestemming;
    2. een land mag niet in staat van oorlog of conflict verkeren, danwel in een spanningsgebied liggen;
    3. er kunnen internationale embargo's tegen het land van kracht zijn; en
    4. tenslotte dient in het geval van ontwikkelingslanden de leverantie in een redelijke veilgheidsbehoefte te voorzien teneinde het economische vermogen van een land niet onnodig te belasten.

    De criteria zouden goed kunnen zijn, maar met een beetje hersengymnastiek zijn er voor de overheid bijna altijd wel argumenten te vinden waarom in een specifieke geval een levering door zou moeten kunnen gaan. 'De mensenrechten situatie verbeterd en het afzien van levering op dit moment zou contra-produktief werken,' zegt men dan bijvoorbeeld. Uiteindelijk zijn wapenleveranties onderdeel van een breder politiek besluit m.b.t. economie en buitenlandse politiek. Een standaard alinea in de brieven van Buitenlandse en Economische Zaken bij vragen over wapenhandel luidt:

    "Het uiteindelijke advies komt tot stand nadat de diverse factoren die bij militaire en strategische leveringen een rol spelen zorgvuldig tegen elkaar zijn afgewogen."
    En dan weet je dus nog niets. Het is heel mooi om de richtlijnen te kennen en er over te bomen maar eigenlijk moeten mensen uit de vredesbeweging de kat de bel aan binden onafhankelijk van die richtlijnen als dit volgens hen noodzakelijk is. Of je daarbij die richtlijnen wel of niet gebruikt is een kwestie van eigen tactiek en ideologie. De inleidingen van beide heren voor mij geven die noodzaak wat mij betreft voor Indonesië wel aan.

  2. Over naar de tweede vraag: regionale spanningen

    Een week gelden kregen bisschop Belo en Ramos Horta de Nobelprijs voor de Vrede. In Washington was er vervolgens een press briefing van het Ministerie van Buitenlandse Zaken en ook van het Witte Huis, waar de persvoorlichters stevig aan de tand werd gevoeld over de levering van F-16 vliegtuigen.

    "(...) je steunt de militaire dictatuur wanneer [je F-16's] levert,"
    zei een aanwezige.
    "Maar je versterkt ook de belangen van de VS in de regio"
    antwoorde het Witte Huis. In Nederland noemen ze dit
    'het zorgvuldig afwegen van verschillende factoren die tot het uiteindelijke advies leiden.'
    Tegen wie moet Indonesië zich eigenlijk verdedigen vroeg een aanwezige op voorlichtings bijeenkomst van Buitenlandse Zaken. 'Geen Speculatie naar de toekomst' was het antwoord. Het is zeer ondiplomatiek dergelijke gevaren aan te wijzen. Dat hoef je van regeringen dan ook nauwelijks te verwachten. Duidelijk maakte de antwoorden wel dat wapenleveranties een duidelijke politieke component hebben en dus niet alleen om het directe economische gewin, zoals je nogal eens hoort in de vredesbeweging.

In Nederland was het de bekende G.B.J. Hilterman die het onderwerp 'de politiek van wapenleveranties' aanroerde om kritiek te uiten op Minister Pronk, nadat deze zich tegen wapenleveranties aan Indonesië had uitgesproken. Het AVRO-orakel trof de spijker op zijn kop toen hij stelde dat China een voortdurend assertiever houding aanneemt en het hem niet zou

"verbazen als het Westen - en niet alleen het Westen - er weinig voor zou voelen de Indonesische factor te verzwakken."
Het wordt door politici zelden uitgesproken, maar waarschijnlijk is dit een belangrijke reden voor de leveranties van hoogwaardige defensiegoederen aan Indonesië en de verklaring dat een aantal militairen in Indonesië blijft pleiten voor de aanschaf van dure marineschepen. Voor Indonesië is een verdediging tegen China een belangrijke doelstelling van het Defensiebeleid. Dit wordt duidelijk door de versteviging van de bewapening van de Natuna eilanden, zie kaart, die worden omringt door olievelden. Bovendien worden vele oefeningen door Indonesië rond de eilanden gehouden met als doelstelling de verdediging ervan; verder is er een verandering aanbracht m.b.t. tot de aanleg van bases en is de indeling van de militaire distrikten veranderd, waardoor de Natuna eilanden meer prioriteit krijgen. Of het echter in het belang van een oplossing van het dreigende conflict is om de bewapeningsspiraal in de regio te steunen is de vraag. Ik denk het niet.

In die zin moeten we denk ik ook tegen de levering van Nederlandse onderzeeërs aan Indonesië zijn. Van een dergelijke levering door de RDM is al twee en een half jaar sprake. Onlangs werd er uitgebreid bij stil gestaan door de journalisten/onderzoekers Colijn en Rusman in Vrij Nederland. Zij ontrafelden de actieve bijdragen van de Nederlandse overheid. Die bestond uit het verlenen van onderhandelingsdiensten en het goedkoop over doen van afgedankte onderzeeërs aan de werf, waardoor deze ze samen met een nieuw gebouwde onderzeeërs, ontworpen met eveneens een van fikse overheidssteun zou kunnen verkopen.

Hoewel het conflict met China op de lange termijn het belangrijkste is zijn er ook een aantal kleinere conflicten. Een conflict dat de meeste aandacht trekt is dat met Maleisië over twee kleine eilandjes in de Celebes Zee: Saidipan and Ligitan. Waar Maleisië sinds 1991 toeristen heen lokt. Onlangs is een belangrijke doorbraak bereikt bij dit conflict. Indonesië heeft er mee ingestemd het Internationale Gerechtshof in Den Haag een bemiddelende rol te laten spelen om het al 30 jaar slepende conflict op te lossen. Het voortduren zou de economische samenwerking tussen beide landen kunnen gaan schaden en gebleken is dat beide niet instaat waren om het onderling op te lossen. Regelmatig zijn er kleine strubbelingen met de Filippijnen over visserijrechten in de territoriale wateren, waarbij Indonesië laat zien dat ze de grote broer is van die andere archipel en dus haar zin doordrijft. Een ander teken dat het niet alleen koek en ei is tussen de ASEAN-landen is de nogal openhartige uitspraak van Thailand dat dit land zijn luchtverdediging wel moet moderniseren wegens de aanschaf van gevechtsvliegtuigen door Indonesië en Maleisië. Er is zeker sprake van strubbelingen in Zuidoost-Azië waarbij Indonesië is betrokken, maar het is vooral de veiligheids politiek op lange termijn t.o.v. China die zorgen zou moeten baren.

Interne rol

Volgens mij is echter voor vredesactivisten van veel groter praktisch belang de interne rol van het leger in Indonesië. Het Indonesische leger heeft een geschiedenis van brute onderdrukking. Die hier al verhaald is. Het leger heeft tot taak de samenleving te controleren en slaagt daar tot op heden nog steeds in. Oost- Timorezen vertelden mij dat het onmogelijk is te protesteren omdat deze protesten onmiddellijk militair de kop in worden gedrukt, een aantal Indonesiërs hing dezelfde stelling aan. Het leger ligt als een bedwelmende deken over het land en grijpt in daar en wanneer dat nodig is. Niet alleen door gewelddadig optreden, maar vooral ook door intimidatie van mensen die opkomen voor hun rechten, van hen die de bevolking organiseren tegen de onderdrukking. Dat die intimidatie werkt is duidelijk, overigens niet overal en niet bij iedereen. Dat het leger indien nodig kan beschikken over wapens is bij deze intimidatie van doorslaggevend belang. Een belangrijk onderdeel in deze onderdrukking zijn de speciale troepen de KOPASSUS die sinds kort onder hoede staan van de schoonzoon van Soeharto, Prabowo en uitgebreid worden van 3000 manschappen naar 5000. Prabowo heeft overigens een deel van zijn opleiding gekregen bij de Duitse terreurbestrijdingseenheid GSG-9. Dat brengt me op een laatste punt. Niet alleen de handel in wapens, ook het geven van militaire opleidingen zouden een vast element moeten worden van campagnes tegen wapenhandel. Het bezoek dat de opperbevelhebber van het Nederlandse leger Van den Breemen in mei aan Indonesië bracht, maakte duidelijk dat de Nederlandse Defensie-top er geen probleem in ziet de meest op de interne rol getrainde Nederlandse militairen Indonesiërs op te laten leiden. Gelukkig is na openbaarmaking van dit nieuws en vragen in de Kamer dit programma (voorlopig) van de baan.

Ten slotte

Akties tegen wapenhandel blijven belangrijk. In Indonesië zijn groepen en personen die werken voor persvrijheid en vrijheid van organisatie, voor een meer partijen stelsel, tegen de repressie en voor een rechtvaardige verdeling van welvaart. Deze groepen worden onderdrukt door hun regering. 'Onze' wapens worden hierbij gebruikt en akties hiertegen kunnen een steun zijn aan die oppositie. Een duidelijk voorbeeld hiervan is de activist die vanuit de gevangenis de vier vrouwen in Engeland bedankte die een Hawk-gevechtsvliegtuig vernielden. Acties tegen wapenhandel zijn ook een kritiek op de steeds sterker wordende politiek hier, waarin mensenrechten heel vaak moeten concurreren met machtspolitieke en economische belangen.

Dank u,

Martin Broek
[back] [home]