Antwoord van de heer Van Aartsen, Minister van Buitenlandse Zaken, op vragen van de het lid Van Middelkoop


Onder verwijzing naar de brief van de Griffier Uwer Kamer van 23 maart 2000, kenmerk 2990008770, waarbij gevoegd waren de door het lid Van Middelkoop overeenkomstig artikel 134 van het Regelement van Orde van de tweede Kamer bij U ingediende vragen, heb ik de eer U in bijlage deze mijn antwoord op de gestelde vragen te doen toekomen.


Vraag 1

Zijn onlangs in Papoea (het vroegere Irian Jaya) negen Papoealeiders beschuldigd van samenzwering tegen de staat?


Vraag 2

Is de reden van deze beschuldiging het deelnemen aan evenementen waarvoor destijds door de autoriteiten toestemming is gegeven?


Antwoord

Het is juist dat de Indonesische politie onlangs negen Papoea's in staat van beschuldiging heeft gesteld, onder andere wegens hun rol bij het vlaghijs-incident in Jayapura op 1 December 1999 en het seminar in Sentani van eind februari jl. Genoemde evenementen waren ruim van tevoren aangekondigd en nooit ondubbelzinnig verboden door de autoriteiten.


Vraag 3

Wilt u bij de Indonesische autoriteiten om opheldering vragen over doel, redengeving en wettelijke grondslag van genoemde beschuldiging?


Vraag 4

Wilt u eveneens informeren bij de Indonesische regering hoe deze justitiële actie zich verhoudt tot de door president Wahid beloofde politieke dialoog over de toekomst van Papua?


Antwoord

Ik heb deze kwestie op 29 maart jl nadrukkelijk onder de aandacht gebracht van de Indonesische minister voor Mensenrechten, Hasballah Saad, met wie ik en marge van de VN-Mensenrechtencommissie in Geneve een ontmoeting had. Ik heb de minister ook in meer algemene zin aangesproken op de gespannen situatie in Papua/Irian Jaya. Minister Hasballah zegde toe zich van de details van de zaak op de hoogte te stellen en deze persoonlijk aandacht te geven.



Terug