Vragen van het lid Marijnissen (SP) aan de minister van Buitenlandse Zaken over het gebruik van het Rode Kruis symbool bij militaire acties.
(Ingezonden 16 december 1999)

1
Hoe verklaart u de tegenstrijdige verklaringen van Kolonel De Mars, toenmalig Nederlands militair attaché, en toenmalig Nederlands ambassadeur Paul Brouwer over hun kennis vooraf van de militaire operatie op 9 mei 1996 in Geselema, Irian Jaya? 1)

2
Klopt het dat kolonel De Mars bij elk overleg met zijn Britse collega Helberg en Indonesische militairen van KOPASSUS in Timica betrokken is geweest?

3
Hoe beoordeelt u de verklaring van Ivor Helberg, toenmalig Brits militair attaché dat Westerse huurlingen wel degelijk in Timica aanwezig waren?2)

4
Bent u bereid uw Britse collega te vragen de door Engeland gemaakte evaluatie van de gijzelings- en bevrijdingsactie in Irian Jaya ter beschikking te stellen en aan de Kamer te doen toekomen?

5
Hoe beoordeelt u de verklaring van Nick van den Berg, toenmalige leider van Executive Outcomes dat vijf huurlingen van zijn organisatie in Timica aanwezig waren, adviezen hebben gegeven aan KOPASSUS en de Nederlandse en Britse militaire attachés en een helicopter-aanvalsteam getraind?

6
Bent u bekend met het feit dat het ICRC een onderzoek heeft ingesteld naar de toedracht van de bevrijdingsacties omdat zij de verklaringen in het IHRSTAD rapport over het gebruik van de Rode Kruis helicopter voldoende serieus vonden? 3)

7
Bent u, gezien de intensieve Nederlandse betrokkenheid bij deze kwestie, bereid contact op te nemen met het ICRC de resultaten van dit onderzoek te bespreken? Zo nee, waarom niet?

8
Waarom wilt u geen oordeel geven over het rapport van IHRSTAD over de bevrijdingsacties en met name de daarin vermeld getuigenverklaringen over het gebruik van een Rode Kruis helicopter en de betrokkenheid van blanke huurlingen? 4) Bent u bereid dit alsnog te doen?

9
Welke bronnen heeft u gebruikt voor uw antwoord 4) op eerdere kamervragen dat u niets is gebleken van het gebruik van een Rode Kruis helicopter en huurlingen? Bent u bereid bronnen die het tegenovergestelde beweren te betrekken bij een hernieuwde beoordeling?

10
Hoe beoordeelt u de verklaring van ICRC medewerker Silviana Bonadei dat er op 8 mei geen sprake was van het beëindigen van de onderhandelingen over vrijlating van de gijzelaars en de afspraak dat het ICRC op 9 mei zou terugkeren om deze onderhandelingen te hervatten? Hoe verhoudt zich deze verklaring met uw antwoord 4) op eerdere gestelde kamervragen en de verklaring van ambassadeur Brouwer over deze kwestie dat het Rode Kruis op 8 mei had besloten dat verdere bemiddeling zinloos was?



 

1. VPRO Argos, Radio 1,5 november 1999 (11.00-12.00 uur)

2. De Australische documentaire 'Blood on the Cross' van Mark Davis
(transscript op www.abc.net.au/4corners/stories/s39706.htm)

3. Persbericht ICRC, Geneve, 27 augustus 1999

4. Aanhangsel Handelingen nr. 358, Vergaderjaar 1999-2000
 
 
 

Antwoord


Antwoord van minister Van Aartsen   (Buitenlandse Zaken).
(Ontvangen 18 februari 2000), zie ook Aanhangsel Handelingen nr. 586, vergaderjaar 1999-2000

1
Er is geen tegenstelling tussen de verklaringen van beiden.
Hoewel de militaire actie niet meer als een verrassing kwam, waren noch ambassadeur Brouwer, noch kolonel De Mars vooraf op de hoogte gebracht van de bewuste actie en het tijdstip waarop deze plaats zou vinden. Op basis van het vele overleg dat ambassadeur Brouwer in Jakarta en kolonel De Mars ter plekkemet de Indonesische overheid hadden, kon worden aangenomen dat KOPASSUS (Indonesische militairen) na het afbreken van de onderhandelingen een militaire actie ernstig overwoog.

2
Het is aannemelijk dat er, als in dergelijke situaties gebruikelijk, ook vertrouwelijk intern overleg binnen KOPASSUS was. Bij dergelijk intern overleg waren kolonel de Mars en zijn collega Helberg niet betrokken.

3
Ivor Helberg verklaart in het tv-programma waaraan de vraag refereert dat er velen zijn die hun diensten als huurling hadden aangeboden, maar «dat hij zich niet voor kon stellen dat de Indonesische of Britse regering de medewerking van een derde partij zou zoeken». Ook de Nederlandse regering heeft geen contact met huurlingen gezocht en zich niet van huurlingen bediend.

4
Uit navraag bij het Britse ministerie van Buitenlandse Zaken blijkt dat er geen evaluatierapport voor publicatie beschikbaar is.

5
Ten tijde van de gijzeling waren bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken, noch Ambassade Jakarta, noch bij de defensie-attaché ter plekke, aanwijzingen bekend die duiden op betrokkenheid van Executive Outcome bij de gijzelingszaak.
Eerst later werden dergelijke geruchten bekend, als ook door het Australische TV-programma naar buiten zijn gebracht.

6 en 7
Ik ben bekend met de persverklaring die het ICRC op 27 augustus heeft uitgegeven naar aanleiding van de rol van het ICRC tijdens de gijzeling.
Deze verklaring besluit met de conclusie dat het ICRC geen directe getuigen of duidelijke bewijzen heeft gevonden voor het gebruik van een helicopter met Rode Kruis-symbolen tijdens de bevrijdingsactie. Het onderzoek dat het ICRC heeftingesteld zal naar verwachting in februari worden afgerond. Naar aanleiding van het onderzoeksresultaat zal ik bezien of eventueel nader overleg met het ICRC nuttig is. Ik zal het onderzoeksresultaat doorzenden aan de Kamer.

8
Ik acht de poging van IHRSTAD licht te doen schijnen op de gebeurtenissen weliswaar op zich waardevol, maar uiteindelijk beperkt bruikbaar. Uit het rapport blijkt immers dat het zeer gecompliceerd is eenduidige aanwijzingen te vinden die de verschillende getuigenverklaringen bevestigen. Bovendien blijken verscheidene getuigenverklaringen vaak tegenstrijdig. Mede in het licht van deze tegenstrijdige verklaringen wacht ik verdere resultaten van het onderzoek af dat het ICRC zelf heeft ingesteld.

9
Voor de beantwoording zijn de archieven van het Ministerie, handelende over de bewuste gijzeling geraadpleegd en is kennis genomen van de inhoud van de bewuste aflevering van het VPRO-radioprogramma ARGOS. Voorts zijn toentertijd betrokken ambtenaren, alsmede ambassadeur Brouwer geraadpleegd. Kolonel De Mars is reeds buiten dienst. Deze is voor de beantwoording van deze vragen overigens wel geraadpleegd. Ik ben uiteraard bereid kennis te nemen van nieuwe bronnen.

10
In de persverklaring van 27 augustus 1999 wordt duidelijk beschreven dat het ICRC op 8 mei 1996, bij monde van ICRC-afgevaardigde Henry Fourrier aan Kwalik, de belangrijkste gijzelnemer, mededeelde dat het ICRC zelf geen bemiddeling meer nastreefde omdat Kwalik zijn woord niet hield en de gijzelaars niet als beloofd vrijliet. Aan Kwalik werd toen ook meegedeeld dat de vrouwelijke ICRC-afgevaardige (Sylviana Bonadei) in het gebied zou blijven en na enkele dagen wederom contact zou zoeken met Kwalik om zonodig medische hulp te kunnen verlenen aan de gijzelaars (onder hen bevond zich de Nederlandse Martha Klein die op dat moment ruim zeven maanden in verwachting was). Het ICRC heeft toen voorts aan Kwalik verteld (als ook in de ICRC persverklaring van 9 mei aangegeven) tot zijn beschikking te blijven. Indien hij zelf zou aangeven van gedachten te zijn veranderd, zou het ICRC dan weer een mediërende rol kunnen spelen bij de vrijlating.


Terug