HOOFDSTUK II.

Het Imperialisme in Indonesia.


Edelachtbare Heeren Rechters,

Wij hebben U dus geschilderd het Imperialisme in Azië buiten Indonesia.

En in Indonesia? Wij kennen het allen zoo goed, Edelachtbare Heeren Rechters. Wij weten hoe in de 17e en 18e eeuw de vereenigde Oost-Indische Compagnie, daartoe gedreven door de hevige concurrentie van Engeland, Portugal en Spanje, overging tot het scheppen van haar monopolie-stelsel. Wij weten op welke een strenge en wreedaardige wijze zij dit monopolie-stelsel trachtte te vestigen en te handhaven. Wij weten hoe in de Molukken duizenden levens er aan opgeofferd werden. Wij weten hoe geheele rijken hiervoor werden vernietigd, hoe millioenen aanplanten muscaat- en pepernoten jaarlijks werden uitgeroeid. Wij weten hoe het rijk van Makassar hiervoor werd veroverd, hoe zijn handel werd vernietigd, zoodat duizenden inwoners van Makassar hun bestaan verloren en gedwongen werden met zeerooverij een bestaan te vinden. Wij weten hoe op Java met de politiek ,,divide et impera", door de verdeel-en-heersch-politiek, zooals Prof. Veth of Clive Day of Raffles haar noemen, de rijken één voor één onderworpen werden, hoe het economisch bestaan van het volk door dit stelsel van monopolie, contingenten en leverantiën neergedrukt, ja zelfs vernietigd werd.
Wij weten.... genoeg, Edelachtbare Heeren Rechters!

De manier, waarop de Oost-Indische Compagnie haar monopolie vestigde, hoe zij dat consolideerde, hoe zij dat handhaafde, is elk, die meer belezen is, reeds voldoende bekend.

Maar, Edelachtbare Heeren, indien wij hier toch eenigszins willen uitweiden over dien tijd van de Oost-Indische Compagnie en over den tijd van het Cultuurstelsel, dan is het, omdat de gevolgen daarvan nu nog in de Indonesische samenleving voelbaar en merkbaar zijn, zoodat ook de beginselen der P.N.I. er mee in verband staan.

Prof. Snouck Hurgronje, die wij, het zij ons veroorloofd, hier willen aanhalen, schrijft:
,,Nu kan men zeggen, dat het nutteloos is stil te staan bij verleden zonden, waaraan het tegenwoordige geslacht niet schuldig is, maar.... het effect van die twee eeuwen wanbeheer op de geesteshouding der Inheemsche bevolking tegenover het Westen, mag bij de beschouwing der ,,vraagstukken allerminst buiten rekening blijven. 1)

Daarom bieden wij U nogmaals onze verontschuldiging aan voor het geven van meeningen van enkele Europeesche intellectueelen over het cultuurstelsel en de Compagnie: ,,de compagnie beheerscht de hoofden en legt deze verplichtingen op, die ze afwentelen op de bevolking. De compagnie is hebzuchtig eerder dan wreed, maar het gevolg is hefzelfde: Onderdrukking! 2)
Zoo schrijft Prof. Colenbrander, en Prof. Veth zegt:

,,Wreedheid behoort niet tot hare heerschende ondeugden, maar hare kortzichtige.... inhaligheid heeft misschien meer kwa ad gesticht dan ze door wreedheid had kunnen doen. Zelfs de gruwelen van Nero troffen slechts weinige slachtoffers in zijn nabijheid en lieten de welvaart der Provinciën ongedeerd, maar een slecht ingericht Bestuur is een algemeene ramp. 3)

Niet altijd wreed, maar dan toch zeer vaak. Laat ons hooren wat Prof. Colenbrander zegt over de vestiging van het monopolie in Ambon en Banda:
,,Coen (Jan Pieterszoon,Coen) is in deze gansche zaak, die een vlek op zijn nagedachtenis wierp, met een onmenschelïjke wreedheid opgetreden, die zelfs Compagnie's dienaren te kras was.... Tot de bewindhebbers toe heeft het koele verhaal zijner executiën in Coen's brieven vervat onthutst.... ,,'t Zal wel ontzag, maar geen gunst baren" .... zoo oordeelen de lieden zelven, ter wille van wier winsten een bloeiende bevolking.... nagenoeg was uitgeroeid4)
Prof. Kielstra: schrijft: 5)
,,Het handelsmonopolie moest door de onzen worden verworven, en, was het eenmaal verkregen, dan werd zonder bedenking elk middel toegepast, dat voor zijn han dhaving dienstig was. Voor de belangen dier bevolkingen voelden onze machthebbenden bitter weinig; de Mohammedanen en Heidenen waren in het oog der Christenen minderwaardig; naar de opvattingen van dien tijd vormden zij - men bezigde graag Bijbelsche uitdrukkingen - een ,,verkeerd en verdraaid geslacht", dat, wanneer het de Compagnie weerstreefde, desnoods vernietiging verdiende."
Van Prof. Dietrich Schäfer geven wij het volgende citaat:
,,De pogingen, die zij deden, ook de naburige Australische eilanden binnen het bereik van hun werkzaamheid te brengen, hebben we reeds vermeld. Toen het bleek dat hier voor het toenmalige bedrijf niets te halen viel, beperkte men zich - tot de uitbuiting van de reeds vroeger genoemde gebieden.
,,De wijze waarop deze plaats had, heeft men niet ten onrechte de meest meedoogenlooze genoemd, waarvan de koloniale ervaring weet te verhalen. 6)
Als slot een beschouwing van Prof. Snouck Hurgronje:
,,Het eerste bedrijf der eerste Nederlandsch-Indische tragedie heet Compagnie, en begint bijna gelijk met de 17e eeuw. De hoofdacteurs hebben aanspraak op onze bewondering om hunne onverschrokken energie, maar het doel, waarvoor zij werkten, en de door hen gebezigde middelen waren van zulken aard, dat men, zelfs bij volle betrachting van den regel, de faits et gestes met den maatstaf van hun tijd te meten, vaak moeite heeft om zijn afschuw te bedwingen.
,,Het experiment begon zoo, dat bewoners van Indië in aanraking kwamen met het uitschot der Hollandsche natie, die hen met zooveel geringschatting behandelden als zij verdroegen, en wier taak het was alle krachten in te spannen tot verrijking eener groep aandeelhouders in het moederland. De ambtenaren van dit gecharterde lichaam, door hunne broodheeren al te kort gehouden, maar niet minder belust op winst, vertoonden een beeld van corruptie dat het ergste wat men Oostersche volkeren aanwrijft, in de schaduw stelt. 7)

De periode van het Cultuurstelsel.

Dit was een schildering van het imperialisme ten tijde van de Oost-Indische Compagnie. Met de verdwijning van de Vereenigde Oost-Indische Compagnie omstreeks 1800, verdween echter niet het monopoliestelsel, verdween niet het stelsel van winst door dwang. Integendeel.... na de periode van de commissies en van het Engelsche tusschenbestuur, die het tijdvak van 1800 tot 1830 vulden, na ,,het tijdvak van den twijfel" zooals Stokvis 8) het noemt, het tijdvak van den strijd tusschen de oude ideologie en de nieuwe der Fransche Revolutie, kwam het dwangarbeidstelsel, dat nog meedoogenloozer, nog drukkender, nog moordender was... het stelsel van dwangarbeid bij het cultuur-stelsel, dat als een zweep neerstriemde op de hoofden en ruggen van ons volk! Ook bij dit cultuurstelsel, Edelachtbare Heeren rechters, is het niet noodig om uit te weiden over zijn wreedheid; ook van dit cultuurstelsel is het kwaad èn door hen die het ervaren hebben èn door de geleerden, die zijn geschiedenis hebben bestudeerd, erkend. Maar ook van dit cultuurstelsel zijn de gevolgen nu nog te merken, en gaat er invloed uit op het standpunt van de P.N.I. (zooals wij straks zullen aantoonen).

Laat ons daarom eerst hooren wat de geleerden hiervan zeggen:
,,De uitbuiting der bevolking, waaraan nu bijna geen andere grens gesteld was dan haar physiek uithoudingsvermogen, kon ongehinderd plaats vinden , schrijft Prof. Gongrijp 9) en elders:
,,Niet alleen dus berustte het systeem op dwang; die dwang was in de donkere eerste twintig jaren van het hier besproken tijdvak, zwaarder dan het juk der contingenten, wier heffing in hoofdzaak aan de inheemsche hoofden werd overgelaten. Het cultuurstelsel werd verzwaard door de activiteit van den Europeeschen ambtenaar: deze beteekende een verzwaring van den druk van het stelsel en tegelijkertijd zijn technische verbetering en groote rendabiliteit.
,,Geen cultuur is zulk een plaag geweest als die van indigo. Toen deze in 1830 op roekelooze wijze in de Preanger was ingevoerd, werd ze tot een ware volksramp. In het district Simpoer van dat gewest werden de mannen uit een aantal dessa s gedwongen om 7 maanden onafge broken, ver van hun woningen, aan de indigovelden te werken; al dien tijd hadden ze in hun eigen voeding te voorzien. Bij hun thuiskomst vonden zij hun rijstgewas vernietigd. Gedurende de vijf eerste maanden van 1831 werden 5000 mannen met 3000 buffels uit hetzelfde district gedwongen, de gronden te ontginnen voor een opgerichte fabriek. Toen die arbeid was afgeloopen, ontbraken de indigostekken. Eerst twee maanden later, nadat de alang-alang, het gevreesde onkruid het ontgonnen terrein reeds bedekte, ontving men indigozaad uit Batavia. Mannen, vrouwen, kinderen werden nu opgejaagd om de velden opnieuw te spitten.
,,Meer dan eens brachten zwangere vrouwen haar kinderen onder den zwaren arbeid ter wereld."

En Stokvis schrijft: 10)
,,Nog in 1866 waren er streken, waar de koffieplanter 4 à 5 ct. per dag verdiende, terwijl hij 30 ct. noodig had voor zijn levensonderhoud. In de indigocultuur werd in vele gevallen f 8.- per jaar uitbetaald... Er waren loonen in de koffiecultuur van f 4.50 per jaar en per gezin, dus 90 ct. per persoon....
,,In de Preanger zag dezelfde schrijver (Vitalis) de hongerende menschen als geraamten langs de wegen wankelen. Sommigen waren zoo uitgeput, dat zij het hun als voorschot toegediende voedsel niet konden opnemen; zij stierven...
,,...volksverhuizingen kwamen ook in de cultures veel voor en op groote schaal. Het was de eenige mogelijke redding uit de ellende.
,,Stokslagen en geeselingen waren aan de orde van den dag en op vele indigovelden was de geeselpaal een gewoon verschijnsel.
,,Het ging hier om een volk, dat niet wettelijk maar feitelijk in slavernij verkeerde. Het had de vrees voor zijn hoofden in zich opgenomen; die hoofden weer hadden de vrees voor den overheerscher geleerd. Al wat er nog aan durf en vrijheidsgeest in den Javaan geleefd had, was verloren onder den ruwen handel der compagnie, en de kwade fout van Van den Bosch was, dat hij het reeds ontwrichte volk opnieuw onderwierp aan een uitmergeling, welke in wezen volslagen gelijk was aan het Compagnie-systeem. Ze was erger en schuldiger! De Compagnie had geen aansprakelijkheid te aanvaarden of aanvaard. Zij dreef negotie met de middelen van den harden negotiant. Van den Bosch vertegenwoordigde den staat zelf, 'n moederland, dat zooveel had goed te maken. ,,Alle middelen, welke de koloniale verhouding weerzinwekkender konden maken dan ze van nature reeds is, hebben hij en zijn opvolgers gebezigd. Het opleggen van een Westersche, dus meer eischende productie-methode aan een tropische agrarische gemeenschap is reeds een druk, maar zwaarder nog is het leed dat de machtsdrift van het vreemde ras medebrengt ....

Nog twee aanhalingen, Edelachtbare Heeren, voordat wij eindigen met het geven van citaten over het cultuurstelsel. Twee aanhalingen van Prof. Kielstra en Prof. Veth:
,,Men wist in Nederland niet, of veinsde niet te weten, dat in Indië alle uitgaven voor onderwijs, openbare werken, politie en zooveel meer, steeds tot een uiterst minimum werden teruggebracht om de ,,batige sloten" te hooger te kunnen opvoeren; en, wat nog erger was, dat de bevolking door den haar opgelegden dwang zoozeer in de teelt van haar eigen voedingsmiddelen werd belemmerd, dat in verschillende gewesten armoede en ellende, hongersnood en volksverloop ontstonden. 11)

En: ,,zelfs voor hen die in het cultuurstel sel een weldaad, zoowel voor Java als voor het moederland zien, - voor Java omdat het den Javaan tot den arbeid opleidde, voor het moederland omdat het zijn schatkist vulde, - moet dunkt mij de hypocrisie stuitend zijn waarmede het werd ingevoerd. 12)
Aldus deze twee professoren.

Edelachtbare Heeren Rechters! De Oost-Indische Compagnie heeft de huishouding van Indonesia ontwricht, het cultuurstelsel heeft de huishouding van Indonesia evenzeer ontwricht. En nu zouden de Edelachtbare Heeren misschien ook nog kunnen denken: "Het is waar, de V.O.C. en het cultuurstelsel waren schadelijk, het is waar, dat de V.O.C. en het cultuurstelsel vijanden waren van het Indonesische volk, het is waar, dat de V.O.C. en het cultuurstelsel het Indonesische volk in ellende en schande gestort hebben, maar is dit niet oude koeien uit de sloot halen?"
Het is waar, Edelachtbare Heeren, de misdaden van de V.O.C. en de misdaden van het cultuurstelsel behooren tot het verleden, maar het nationale hart kan dit niet gemakkelijk vergeten.
,,De herinnering der menschen aan geleden onrecht is lang; gedaan onrecht wordt spoedig vergeten", zoo zegt Sanders. En bovendien zijn, zooals wij het ook reeds gezegd hebben zooals Prof. Snouck Hurgronje het voor dien ook reeds gezegd heeft, - de naweeën van de V.O.C. en het cultuurstelsel van deze beide monopoliestelsels, nu nog niet vergeten, op dit oogenblik nog worden zij weerspiegeld in de Indonesische samenleving zoodat de politiek en de actie van de ,,Partai Nasional Indonesia zooals wij het straks zullen toonen, er door beïnvloed worden!

In het midden van de 19e eeuw kwam het ,,moderne kapitalisme", op ,,vrije arbeid" en ,,vrije concurrentie" steunende, in Nederland op. Toch werd het cultuurstelsel, dat berustte op dwangarbeid en dat in de eerste plaats winsten opleverde voor den Nederlandschen Staat en niet zoozeer het belang van het particulier Hollandsch kapitaal op den voorgrond stelde, niet direct opgeheven. Niet omdat de Nederlandsche Staat niet gaf om het belang van het particulier Hollandsch kapitaal, niet omdat de Staat zijn eigen belang hooger achtte dan dat van zijn bourgoisie, maar alleen omdat de Nederlandsche bourgoisie dat cultuurstelsel nog noodig had om het kapitalisme in Nederland tot bloei te kunnen brengen. Henriette Roland Holst schrijft in haar boek ,,Kapitaal en Arbeid in Nederland" het volgende: 13)
,,Het was practisch gehandeld van de bourgoisie in de vijftiger jaren en een gezonde uiting van klassebewustzijn, dat zij het cultuurstelsel niet in den hoek wierp eer zij er alles had uitgehaald wat het kon geven... het gevaar bestond, dat ongeduldige en te haastig vooruitstrevende geesten al te spoedig den Javaan de zegeningen van vrijen arbeid had willen verschaffen en het cultuurstelsel, die erfenis der autocratie, door het particulier initiatief vervangen. Mochten echter enkelen zoo gezind zijn, de bourgoisie in haar geheel was wijzer. Zij voelde als klasse vóór alles belang te hebben, ten eerste, bij amortisatie der schuld, ten tweede: bij de ontheffing van handel en bedrijf door vermindering van rechten en belastingen, die alleen door het onder 1 genoemde kon tot stand komen, ten derde: bij bouw van spoorwegen en waterwegen. Zonder de natie op groote kosten te jagen, die bij de op zuinigheid gestelde Nederlanders, het vuurtje van conservatisme aangeblazen zouden hebben. Dit alles was noodig voor de individueele exploitatie van Indië kon beginnen, want nationiaal-crediet, spoorwegen en havens in het moederland moesten van die exploitatie de steunpunten zijn. Al die goede dingen leverden de Indische baten, dus de Indische baten moesten voorloopig behouden blijven.

Modern-imperialisme.

Nadat de voorwaarden voor het moderne kapitalisme alle waren vervuld, nadat het nationaal krediet weer gezond was en spoorwegen, waterwegen, havens gereed waren, nadat het moderne kapitalisme sterk was geworden, begon zijn surpluskapitaal de behoefte te gevoelen om Indonesia binnen te dringen, - het moderne imperialisme werd geboren.
Onophoudelijk heeft toen het moderne imperialisme gerammeld aan de poorten van Indonesia, die niet vlug genoeg voor hem geopend werden, onophoudelijk hoorden de wachters van die poorten de strijdkreet van de ongeduldig geworden kampioenen van het modern-imperialisme ,,naar vrijheid!" ,,naar vrijen arbeid!". En eindelijk in 1870 werden die poorten geopend! Als steeds sterker wordende winden, als een aanzwellende bandjir, als het binnenvallen van overwinnende troepen in een overwonnen stad, drong, nadat de Agrarische en de Suikerwet de Waal in 1870 door de Staten-Generaal in Nederland waren aangenomen, het particulier kapitaal Indonesia binnen, richtte overal suikerfabrieken op, legde theetuinen, tabakstuinen e.a. aan, ontgon mijnen van allerhande soort, riep spoor, tram- en scheepsbedrijven en andere fabrieken in het leven. Het oude imperialisme verzwakte meer en meer, stierf af, het moderne imperialisme nam zijn plaats in, de staatsexploitatie maakte plaats voor de exploitatie door het particulier kapitaal.
De exploitatie-vorm veranderde, maar was er ook verandering voor het Indonesische volk? Neen, Edelachtbare Heeren Rechters, de stroom van rijkdommen die Indonesia verliet, werd hoe langer hoe grooter, de ,,drainage" nam toe!
,,In den kolonialen strijd van 1848 - 1870 ging het uitsluitend tusschen dwangcultuur en vrijen arbeid; men zag een intensieve herhaling van de meeningtwisten uit de twijfel-periode na den val der Compagnie; ook nu duidelijkheid bij het behoud en onhelderheid bij de oppositie. De conservatieven blijven het koloniaal-bezit als bron voor staatswinst beschouwen, de oppositie gruwde van de verwerking van het koloniale land als ,,wingewest". Zuiver en menschlievend was hun streven naar een vrij arbeidend en rein bestuurd Indië met ruime ontwikkelingskansen; maar met de besten hunner voorloopers deelden zij het bijna sympatieke zelfbedrog, alsof het vrije kapitaal slechts behoefde binnen te treden om Indië uit den staat van wingewest te zien bevrijd. Toch, voor het verzwakte volk ging het slechts om wisseling van exploitant. Het zou wel gedaan zijn met de kwade vermenging van staatskapitalisme en staatsbestuur, onder moederlandsche verhoudingen, welke volkszeggenschap terughielden; maar de nieuwere koloniale geschiedenis heeft toch al geleerd, dat de verdwijning van het cultuurstelsel slechts de overwinning van den eenen exploitant op den anderen beduidde. Het wingewest kreeg nieuwe aandeelhouders. Het particuliere kapitaal wierp verhoogden invloed op den staat en dan ook in het koloniale staatsgebied. En nimmer vloeide het ,,batig-saldo rijker dan juist onder den nieuwen exploitant; het volgde slechts stillere wegen",.... zoo schildert Stokvis het. 14)
En is de beeldspraak van Multatuli voor dit cultuurstelsel niet raak, indien hij het vergelijkt met: ,,Een net van buizen, zich in het oneindige splitsend en verdeelen tot millioenen fijne buisjes, alles op de borst van millioenen Javanen uitloopend, alle in verbinding met de hoofdbuis, waarop één flinke stoomzuiger pompt; terwijl bij particuliere exploitatie ieder avonturier toegang kreeg tot alle buizen en zijn eigen stoommachine kon doen werken op de bron." 15)
Is deze vergelijking niet juist?

Edelachtbare Heeren Rechters, met deze twee citaten is de algemeene aard van het moderne Imperialisme in Indonesia voldoende geteekend. Inderdaad, voor het Indonesische volk zijn de veranderingen sedert 1870 slechts veranderingen in de wijze waarop het economisch wordt uitgebuit; voor het Indonesische volk blijven het oud-imperialisme en het modern-imperialisme, imperialismen, beteekenen zij beide diefstal van Indonesia s rijkdommen, drainage.

,,Beschaving", vrede, bevolkingsaanwas, verkeersmiddelen, etc.

O zeker, het moderne imperialisme brengt ,,beschaving , het moderne imperialisme schept een vreedzame samenleving, brengt vrede. Het moderne imperialisme veroorzaakt een sterke bevolkingsaanwas, het moderne imperialisme schept verbindingswegen, brengt spoorwegen, legt havens en goede scheepsverbindingen aan, maar wegen al deze dingen, bezien van den kant van de Indonesische samenleving, op tegen den ramp teweeggebracht door dit particulier initiatief?
Ach Edelachtbare Heeren Rechters, hoevelen zijn er niet wier blik verblind wordt door de vele kapitalen en de voortbrengselen van de Westersche beschaving, die in ons land komen, en meenen dat het moderne imperialisme alleen vooruitgang brengt. Hoevelen zijn er niet die bedrogen worden door den schijn,waarmee het moderne imperialisme zich omgeeft en zeggen: ,,wat zijn de tijden heden anders dan de tijden van de Compagnie en het cultuurstelsel. Zeker bedriegt deze schijn! Naar Kautsky's woorden is de imperialistische politiek: ,,verschillend van de oude politiek der uitbuitingskoloniën, die daarin slechts objecten van plunderingen zag, van samenschrapen van rijkdom, die men als kapitaal het moederland binnensleepte. Integendeel, het is een politiek, die juist kapitalen aan de koloniën toevoert, cultuurwerken in deze landen opbouwt, schijnbaar dus niet meer verwoestend, doch juist cultuurbevorderend werkt. 16) Maar wat is het wezen van de ,,cultuur dat het moderne imperialisme brengt van die zoogenaamde ,,rust en vrede". J. E. Stokvis besluit zijn beschouwing over de Oost-Indische Compagnie als volgt: ,, die vrede echter beteekende een verloren strijd, vaak een heldenstrijd...... om de nationale vrijheid; de sterke toename van het zielental was de voortplanting van ontwrichte en misbruikte tropenvolken .... 17) En elke zinsnede uit dit citaat mogen wij ook gebruiken ter schildering van de periode van het moderne imperialisme; bovendien beteekent bevolkingsaanwas niet altijd welvaart zooals Peter Maszlow in zijn boek ,,Die Argrarfrage in Ruszland zegt. In Europa is de bevolkingstoename bij de lagere klassen veel sterker dan bij den middenstand en bourgeoisie, beteekent dit dat het proletariaat in grootere welvaart leeft dan de bourgeoisie? En de wegen, de spoorwegen, de scheepsverbindingen, de havens, - zijn die dan geen zegen voor het Indonesische volk? O zeker, wij erkennen het nut van deze moderne verkeersmiddelen, wij erkennen den invloed ten goede voor de betrekkingen en den vooruitgang van he t volk, wij erkennen dat het Indonesische volk al deze dingen zeker gemist zou hebben, indien ze er niet waren. Maar buiten allen twijfel staat, dat deze moderne verkeersmiddelen de beweging van het moderne kapitaal vergemakkelijken. Buiten allen twijfel staat, dat die verkeersmiddelen het kapitaal vergemakkelijken zich op zijn arbeidsveld te bewegen, grooter te worden, zich overal voort te planten, met het gevolg dat de volkshuishouding er nog meer door in de war raakt!
Karl Kautsky schrijft in zijn ,,Sozialismus und Kolonial Politik (bldz. 41) : ,,De verbetering der communicatie- en productiemiddelen zou inderdaad de productiekracht der economisch achterlijke landen beduidend vergrooten, indien ze niet samenviel met de steeds groeiende toename van militaire lasten en buitenlandsche schulden. Door deze factoren wordt die verbetering slechts een middel om uit arme landen meer producten te persen als anders, er zooveel uit te persen, dat niet alleen de eventueele meerproductie daardoor opgezogen wordt, die uit de technische verbeteringen geboren wordt, maar ook zóó veel, dat de hoeveelheid producten, die in het land ten behoeve der producenten overblijft, afneemt. Onder zulke omstandigheden wordt de technische vooruitgang; tot een middel van roofbouw en verarming.
Dit is een opvatting van ,,rood". Maar ook Kolonial-Direktor Dernburg, de leider van het Duitsche Imperialisme, vóór den grooten oorlog, geen ,,opruier" dus, - Kolonial-Direktor Dernburg schrijft hierover als volgt: ,,Maar de ervaringen van alle koloniseerende volken wijzen uit, dat groote koloniale gebieden zonder spoorwegen een onzeker economisch, niet te ontsluiten bezit blijven". 18)

En de toestand in ons land? De bewijzen ervan in ons land?
,,Java bezit spoorwegen en tramlijnen, talrijke erfpachtslanden: zijn ontgonnen en in exploitatie gebracht, er zijn vele suiker- en indigo-fabrieken verrezen..., maar heeft dit alles kunnen verhinderen, dat de welvaart in plaats van vooruit, achteruit is gegaan? 19) schrijft ex-Assistent-Resident Schmalhausen, en Prof. Gonggrijp schrijft: ,,Deze uitrusting van Indië met moderne verkeersmiddelen was het noodzakelijk complement van de ontwikkeling der particuliere nijverheid met haar voor de wereldmarkt bestemde massaproducten... Een groote en duidelijk zichtbare invloed op de welvaart van de massa der inheemsche bevolking hebben de moderne verkeersmiddelen.... nog niet gehad. 20)

,,Noodzakelijke complementen".

Noodzakelijke complementen voor den groei van het particuliere kapitaal! Hoevele noodzakelijke complementen kennen wij!
Er is een regeling van erfpacht gebaseerd op de ,,Gewetensopstopper -domeinverklaring 21) voor de ondernemingen in het gebergte; er is een grondhuurregeling voor de dichtbevolkte vlakten; er is een regeling van arbeidscontract voor de ondern emingen, die gebrek aan werkvolk hebben; ,,vrede en orde en ,,staatsafronding maakten een eind aan de onafhankelijkheid van de rijken Atjeh, Djambi Korintji, Lombok, Bali, Boni e.a.; er is een onderwijsstelsel, dat een verfijnd proletariaat in het leven r oept; er is een art. 161 W. v. S., dat het stakingsrecht van den arbeider ontkent, terwijl er in het geheel geen arbeidersbescherming bestaat, zoodat hij geheel is overgelaten aan de macht van zijn werkgever. Inderdaad bezit het particuliere kapitaal geno eg noodzakelijke complementen, het moderne imperialisme bevindt zich in Indonesia een paradijs!

Vier vormen van het moderne imperialisme.

Het imperialisme groeit hoe langer hoe meer tot een reus met een grooter wordenden kop en langer wordende armen. Het oude imperialisme was in de eerste plaats een systeem om levensmiddelen te betrekken, het moderne imperialisme is een reus geworden met vier shakti s (verschijningsvormen).
Ten eerste: Indonesia blijft een land, waaruit levensmiddelen betrokken worden. Ten tweede: Indonesia wordt een land, dat de grondstoffen voor de Europeesche fabrieken levert. Ten derde: Indonesia wordt een afzetgebied voor de producten van de Westersche fabrieken.

Ten vierde: Indonesia wordt een operatie-terrein voor de honderden, duizenden, millioenen guldens kapitaal. Niet slechts van het Nederlandsch kapitaal, maar sedert de intree van de ,, Open-deur-politiek ook van het Engelsch, het Amerikaansch, ook van het Japansch e.a kapitalen, zoodat het imperialisme in Indonesia nu Internationaal is.
Vooral de vierde functie van het imperialisme, die van Indonesia maakt een exploitatiegebied van het buitenlandsch kapitaal, is de belangrijkste en neemt steeds in belangrijkheid toe! In 1870 bedroeg het getal van de in erfpacht uitgegeven gro nden in bahoe s, 22) 35.000, in 1901 was dit reeds 622.000, in 1928: 2.707.000 en indien wij er de land-bouwconcessies bij rekenen, wordt dit getal voor het jaar 1928: 4.592.000! De oppervlakte van het gebied, dat met rubber is beplant, bedraagt niet minder dan ± 488.000 bahoe s, met een opbrengst van ongeveer 141.000 ton, van de theecultures ± 132.000 bahoe s, met een opbrengst van ± 73.000 ton; van de koffiecultures ± 127.000 bahoe s, met een opbrengst van ± 55.000 ton; van de tabakscultures ± 79.000 bahoe s, met een opbrengst van ± 65.000 ton; van de suikercultures ± 275.000 bahoe s, met een opbrengst van 2.937.000 ton. 23) Edelachtbare Heeren Rechters, millioenen, ja milliarden bedraagt het imperialistische kapitaal, dat van Indonesia s rijkdommen profiteert! Dr. F. G. Waller sprak voor de algemeene ledenvergadering van het Verbond van Nederlandsche Werkgevers aldus: 24) ,,De Ondernemersraad schat de belastbare winst van de Indische bedrijven: suiker, rubber, tabak, thee, koffie, kina, aardolie, mijnbou w, bankinstellingen en nog een aantal kleinere bedrijven, in 1924 op 490 millioen gulden, in 1925 op 540 millioen gulden. Bij schatting kan men aannemen, dat hiervan 70 pCt. door Nederlandsche beleggers wordt ontvangen, dat is dus rond 370 millioen gulden . Wanneer wij het bedrag kapitaliseeren tegen de hooge rente van 9 of 10 pCt., dan zou de waarde der bedrijven thans het reusachtig bedrag van 3700 millioen gulden à 41.000 millioen gulden zijn. Dit cijfer maakt natuurlijk geen aanspraak op nauwkeurigheid, maar wel geeft het de orde aan van de waarde van het Nederlandsche bezit in Nederlandsch-Indië , en mij is gebleken, dat langs geheel anderen weg gemaakte becijferingen tot dezelfde resultaten voerden. Nu is het geheele in Nederland in de vermogensbelasting aangeslagen vermogen 12 miIliard, zoodat ons Indische bezit niet minder dan ? van ons volksvermogen bedraagt. 25)

Meer dan 4000 millioen alleen Nederlandsch kapitaal, Edelachtbare Heeren Rechters, het totaal van alle vreemde kapitalen, die in Indonesia hun operatie-terrein vinden, zou dan volgens het principe, dat Dr. Waller bij zijn berekening gebruikte, zijn ± 6000 millioen gulden!

Zesduizend millioen gulden, dat een jaarlijksch gemiddeld dividend afwerpt van 10 pCt.! En hoevele vreemde ondernemingen zijn er niet, die een dividend van 30, 40, ja soms meer dan 100 pCt. uitkeeren!

Wij weten van de Sumatra-tabak-Maatschappijen, dat zij in 1924 een dividend uitkeerden van 35 pCt., wij weten, dat de kina-cultuur eens een dividend van 170 pCt. uitkeerde! En daarom verwonderen wij er ons niet over, dat Colijn zei, dat het buitenlandsche kapitaal moet doorgaan op Indonesia af te komen als de "mieren op den suikerpot . 26)
 

Uitvoer, invoer, uitvoeroverschotten.

Millioenen guldens bedraagt de uitvoerwaarde van de producten der ondernemingen van het buitenlandsch kapitaal. In 1927 bedroeg de uitvoerwaarde van koffie 74.000.000 gulden. De uitvoerwaarde van thee 90.000.000 gulden; de uitvoerwaarde van tabak 107.000.000 gulden; de uitvoerwaarde van aardolie 155.000.000 gulden; de uitvoerwaarde van suiker 360.000.000 gulden (vóór de groote concurrentie van Cuba zelfs meer dan 400.000.000 gulden); de uitvoerwaarde van rubber 417.000.000 gulden; de totale uitvoer bedraagt aldus niet minder dan 1.600.000.000 gulden. 27)

Kortom, elk jaar verlaten rijkdommen ter waarde van minstens 1.500.000.000 gulden Indonesia!
En de invoerwaarde? Edelachtbare Heeren Rechters, Indonesia is een kolonie, waar, zooals wij het reeds eerder gezegd hebben, de vierde functie van het imperialisme de belangrijkste is: alle koloniën zijn er in de eerste plaats tot operatieterrein tot exploitatiegebied voor het buitenlandsch surplus-kapitaal. Zulk een kolonie heeft altijd een grootere uitvoer dan invoer; de rijkdommen, die naar buiten gaan, zijn veel grooter dan de rijkdommen, die binnenkomen. Een van de kenmerken van onze ontwrichte huishouding: Uitvoer-overschot en geen invoer-overschot en ook niet ,,les produits changes contre les produits". Het uitvoer-overschot in Indonesia wordt steeds grooter. In de tachtiger jaren is dit uitvoer-overschot geweest ± 25.000,000 gulden, in de jaren 90 ± 36.000.000 gulden, aan het einde van de 19e eeuw 45.000.000 gulden, omstreeks 1910 145.000.000 gulden, in de laatste jaren 700.000.000 gulden 28) en in 1919 is het record bereikt van 1.426.000.000 gulden. 29) Daaruit blijkt, dat Indonesia een paradijs is voor de imperialisten, dat zijn gelijke niet vindt in de geheele wereld: ,,Bij vergelijking der internationale cijfers.... blijkt, dat geen enkel ander land een uitvoer-overschot heeft, dat percentueel zoo hoog is, als dat van Nederlandsch-Indië.
Zoo schrijft Prof. van Gelderen, hoofd van het Centraal Kantoor van de Statistiek. 30)

Het volk.

En het Indonesische volk?
Mr. Brooshooft, geen socialist, antwoordt hierop in ,,De Ethische Koers in de koloniale politiek als volgt:

,,Het antwoord is kort en goed, wij duwen het in den afgrond! Wij drijven het in denzelfden poel van ellende, die in de Westersche Maatschappij millioenen tot aan den hals omsloten: de uitbuiting van den man, die niets heeft d an zijn arbeid door den bezitter van het kapitaal, dat is van de macht. 31)

Ach, Edelachtbare Heeren Rechters, er zijn zoovele Nederlanders, die er geen vermoeden van hebben, in welk een ellende het Indonesische volk leeft, er zijn zoovele Nederlanders d ie meenen, dat het Indonesische volk het goed heeft.
En toch,.... voldoende ook is het aantal Nederlanders, die in boeken artikelen en redevoeringen wijzen op die ellende van het Indonesische volk, - genoeg blanke geleerden zijn er die dit erkennen! De ellende van het Indonesische volk moet erkend worden door hen, die oprecht willen onderzoeken. De ellende van het volk is geen ,,praatje", geen ,,ophitserij van de ,,raddraaiers", de ellende van het volk is een realiteit, die gemakkelijk met cijfers is aan te toonen. En bovendien, Edelachtbare Heeren Rechters, het bestaan van de uitvoer-overschotten alleen, - dat ook geen ,,praatje" is, maar een vaststaand feit, vastgelegd door de cijfers van de statistiek, - het bestaan van het feit, dat er veel meer rijkdommen naar buiten gaan dan binnenkomen, is al voldoende voor hen, die een beetje begrip hebben omtrent economie, om te begrijpen dat het is een scheeve verhouding, dat hier is geen evenwicht. Maar niet alleen is er ,,on-evenwicht", maar het on-evenwicht wordt steeds grooter! D. G. M. Koch schrijft bij een beschouwing van deze uitvoer-overzichten: ,,Het spreekt vanzelf dat een dergelijk stelselmatig onttrekken van jaar op jaar toenemende bedragen aan Indië dit land schatten doet onthouden, die voor zijn economisch e ontwikkeling zouden kunnen dienen. 32) En bovendien, Edelachtbare heeren Rechters, heeft de regeering niet zelf het bestaan van de ,,mindere welvaart moeten erkennen, toen de regeering enkele jaren geleden de ,,mindere welvaart commissie" benoemde? Heeft niet minister Idenburg zelf gesproken over de chronische nood ,,die zich thans in een groot deel van Java openbaart 33) zoodat ,,de economische toestand van een groot deel der bevolking te wenschen overlaat ? 34) Heeft niet deze minister van koloniën erkend het bestaan van de ,,drainage", al meende hij dat het aanduiden van deze kwaal gemakkelijker is dan een middel te vinden om haar te bestrijden ? 35) En groot is het aantal andere Nederlanders uit dien tijd, dat dit mede erkende; Pruys van der Hoeven, ex-lid Raad van Indië: schrijft in zijn boek ,,Veertig jaren Indische dienst" :
,,In het lot van den Javaan is in de laatste 40 jaren weinig verbeterd. Buiten de aristocratie en eenige landsdienaren vindt men nog altijd maar één klasse, levende van de hand in de tand. Een meer welgestelde stand heeft zich nog niet kunnen vormen, daarentegen heeft men in latere jaren een proletariaat zien ontstaan, vroeger alleen op de hoofdplaatsen bekend. 36) H.E.B.Schmalhausen schrijft in zijn werk ,,Over Java en de Javanen":
,,Ik was er zelf getuige van, hoe vrouwen - na een paar uur geloopen te hebben op de plaats harer bestemming aankwamen om dan te ondervinden, dat zij aan het snijden geen deel konden nemen, omdat er te veel helpsters waren. Sommigen barstten in tranen uit en gingen wanhopig aan den kant van den weg zitten. Zulke toestanden kan men eerst leeren begrijpen na een langdurig verblijf in de binnenlanden, wanneer men tenminste genoeg belang stelt in land en volk om steeds de oogen open te houden! ,,Wij maakten.... de berekening.... naar juiste gegevens en kwamen tot het resultaat dat de waarde van de verdiende padie hoogstens f 0.09 per dag bedroeg. ,,Om de onnoozele waarde van 9 centen door zwaar werk in de brandende zon te verdienen, loopen, zooals wij zeggen, vrouwen dikwijls uren ver en worden dan soms nog afgewezen. Zulke feiten werpen een helderder licht op de wezenlijke toestanden dan tallooze verslagen en redevoeringen (pag. 14).
En Mr. Brooshooft schreef zijn beroemde gezegde: ,,Wij duwen het in den afgrond , terwijl ook in de Staten-Generaal deze kwestie van de ,,inzinking een punt van heftige discussie was. Vooral van Kol heeft onophoudelijk hierop gehamerd, onophoudelijk gesproken over de ,,uitgemergelde gewesten", over de noodlijdende koloniën", over de ,,physieke achteruitgang van menschen en vee". 37)
Zoo waren de toestanden in de verloopen jaren. Zijn zij nu veranderd? Zijn zij nu verbeterd?
Edelachtbare Heeren Rechters, daar straks hebben wij met cijfers aangetoond, dat de drainage uit Indonesië niet af- maar toeneemt, reusachtige afmetingen aanneemt, dat het ,,onevenwicht" steeds onevenwichtiger wordt! Voor diegene die begrijpen willen, moeten deze grooter wordende drainage beteekenen een steeds toenemende verarming van het volk, dat om de woorden van Mr. Brooshooft te gebruiken ,,nog meer in den afgrond geduwd wordt"! Indien er zooals wij gezien hebben, in den tijd van Pruys v. d. Hoeven reeds sprake was van ,,een proletariaat, vroeger alleen op de hoofdplaatsen bekend", en in den tijd van Mr. Brooshooft de ,, uitbuiting van den man, die niets heeft dan zijn arbeid, door den bezitter van het kapitaal", indien wij reeds in dien tijd een proletariseeringstendenz duidelijk waar kunnen nemen - hoe groot is dan deze tendenz nu, nu het imperialisme hoe langer hoe intenser werkt.
In het werk van Dr. Huender ,, Overzicht van den Economischen toestand der Inheemsche bevolking van Java en Madoera" lezen wij:
,,Was in 1905 ruim 71 procent van de volwassen bevolking betrokken bij het landbouwbedrijf, de laatste mededeelingen in den volksraad.... leeren, dat thans nog 52 pCt uitsluitend inkomsten uit het landbouw-bedrijf heeft.... 38) En Prof. v. Gelderen van het Centraal Kantoor voor de Statistiek schrijft: 39) ,,De uitheemsche bedrijfsontwikkeling heeft uit zich zelve de strekking deze grondverhouding: ondernemer en kapitaal, dus winst: buitenlandsch-arbeid, dus loon: Indisch, telkens weer en geleidelijk op steeds grooter schaal te reproduceeren. Zij oefent daarmee zeer zeker de vraag uit naar arbeidskracht en verschaft in den vorm van loon aan een toenemend deel van de bevolking ook inkomen. Maar zij doet dit op deze, zeer eenzijdige wijze. Zij maakt de inheemsche bevolking tot een natie van loontrekkers en daarmee van Indië een loontrekker onder de naties."
,,Een natie van loontrekkers" en ,,een loontrekker onder de naties". Edelachtbare Heeren Rechters dit geeft geen hoop voor de toekomst! Dit geeft geen perspectief voor de toekomst indien het zoo doorgaat! Is het daarom niet de plicht van ieder nationalist dezen toestand met al zijn krachten te bestrijden? Is dit niet reeds voldoende rechtvaardiging voor onze beweging?
,,Een natie van loontrekkers! - en tegen welke loonen! Wat is het loon b.v. dat het voornaamste bedrijf in Indonesië uitbetaalt aan een gewonen arbeider. Volgens het Statistisch Jaaroverzicht: gemiddeld f 0 . 45 voor een mannelijke en f 0.35 voor een vrouwelijke. 40) Inderdaad heeft Dr. Huender het bij het rechte eind als hij schrijft: ,,De suikercultuur is voor de Indonesische grondgerechtigden nadeelig; de loonen, die zij uitkeert aan de bij haar werkzame Indonesiërs zijn zoo al niet te laag om er het leven bij te houden, toch zeker ,,minimumloonen. 41) En niet alleen in de suikercultuur vinden wij deze ,,minimumloonen . Overal zijn deze minimumloonen, zoolang de Indonesische huishouding een ontwrichte huishouding is; zoolang het Indonesische volk is een ,,minimumlijdster zooals Dr. Huender het noemt, 42) zoolang zal overal hier het minimumloon zijn, - zoolang zal immers het volk gedwongen zijn deze loonen te aanvaarden om er het leven bij te houden . Prof. van Gelderen toont in zijn werk het causaal verband aan tusschen een ontwrichte huishouding en de lage loonen in de Indonesische samenleving, loonen die naar zijn meening geen ,,Ertragslohn" maar ,,Erhaltungslohn" zijn, een loon, dat samenvalt met de kosten van het bestaansminimum! 43)

En het volksbestaan? Reeds eerder hebben wij gezien, dat Dr. Huender het volk ,,minimumlijdster" noemt.

,,Het moeilijke en beklemmende van den economischen toestand op Java en Madoera ligt juist hierin, dat voor de bevolking, die tot de grens van haar kunnen belast, ,,minimumlijdster" schijnt te wezen, blijkbaar verscheidene der van overheidswege ter verbetering ondernomen maatregelen ondoeltreffend zijn.... 44)

Prof. Boeke in zijn: ,,Het zakelijke en het persoonlijke element in de koloniale welvaartspolitiek", schrijft:
,,De keuterboer, de armoedige Javaansche padiplanter...., heeft niet alleen zelf een ellendig bestaan, maar kan zoo goed als geen invloed uitoefenen op de welvaart van zijn omgeving; de schamele overschotten van zijn bedrijf staan niet toe dat, buiten de eerste levensbehoeften, verderliggende behoeften van eenige beteekenis bevredigd worden door andere maatschappelijke groepen, die wachten op wat hij te vragen en te b ieden heeft. Het voornaamste wat hij maatschappelijk bewerkt is een druk op het loonpeil." 45)
,,Een ellendig bestaan" noemt Prof. Boeke, die toch waarlijk geen bolsjeviek of ,,opruier" is, het. Cijfers, Edelachtbare Heeren? Volgens de berekeningen van Dr. Huender zijn de inkomsten van een gezinshoofd gemiddeld f 161.-, waarvan voor belasting ongeveer f 22.50 af gaat - zoodat de netto-inkomsten dus zijn f 161.- - f 22.50 = f 138.50, honderd-acht-en-dertig gulden en vijftig centen in twaalf maanden! Dit is nog geen twaalf gulden in de maand; nog geen veertig centen per dag; dit beteekent, indien wij elk gezin rekenen op vijf personen, nog geen f 0.08 per persoon per dag! Waar inderdaad is het dat, sedert Pruys v. d. Hoeven gezegd heeft dat een groot deel van het Indonesische volk leeft met ,,vandaag eten en morgen geen" ; sedert Mr. Brooshooft gezegd heeft dat het volk ,,in den afgrond wordt geduwd", sedert van Kol zijn beschuldigingen uitte, dat Indonesia is een ,,noodlijdende kolonie" en haar ,,uitgemergelde gewesten" noemde, sedert hij sprak van ,,de achteruitgang van mensch en vee", het Indonesische volk steeds in den afgrond, steeds in een noodlijdende kolonie geleefd. Waar is het dat de voortdurende drainage die wij reeds eerder hebben genoemd niet nagelaten heeft invloed op de toestanden uit te oefenen; dat het moderne imperialisme niet nagelaten heeft de vervloekte uitwerking van zijn eigenschappen te toonen! Men zou kunnen zeggen: ,,hoe kan het moderne imperialisme nu een kwaad zijn, de suiker brengt geld in de Indonesische samenleving, immers loonen en grondhuur; de rubber, de thee, de koffie, de kina leggen slechts de bosschen die ver van het volk liggen, open; petroleum wordt uit de uiterste diepte van den grond gehaald, - alles brengt voordeel aan het volk en de gelegenheid tot loondienst!" Zeker, - zeker brengt de suiker geld ,,binnen"; zeker treft de onderneming met ,,erfpacht" het volk niet; zeker wordt de petroleum uit het diepst van de aarde geboord; zeker schept dit alles gelegenheid tot loondienst voor het volk. Maar laat ons hooren wat Prof. Snouck Hurgronje hierover heeft te zeggen, laat ons hooren hoe het vreemde kapitaal de welvaart van het volk ,,verzorgt": ,,De voordeelen, die de Inlandsche bevolking aan het Europeesche kapitaal dankt, zijn bijproducten van den arbeid der ondernemers, niet en zeker niet in de eerste plaats door hen bedoeld. Hun doel is.... geld verdienen; gesteld eens dat de ,,suikerpot" - om Colijns beeld te gebruiken - begon leeg te raken, doordien een of meer der aan den bodem ontwoekerde producten een prijscrisis doorleefden, dan kropen de mieren fluks weer in den grond, zonder zich iets aan te trekken van het lot der 35 of 50 millioen, die dusver den suikerpot gevuld hielden..."

Zoolang, gelijk nu, de mieren zich om den suikerpot verdringen, dat wil zeggen, de Europeesche ondernemingen goede zaken doen, zijn de belangen van de Inlanders tegenover hun natuurlijk streven naar steeds grooter winst, niet veilig zonder een flink tegenwicht ... Men behoeft geen anti-kapitalist te zijn om de gevaren, waarmee de Inlandsche bevolking eener kolonie door het Westersche kapitaal bedreigd wordt, zeer ernstig te zien.

Laat ons de vaststaande waarheid gedenken, dat, zooals Prof. van Gelderen in zijn werk schrijft, het peil der loonen bepaald wordt door de productiviteit der maatschappij, - dat, indien de samenleving is een ,,Ernahrungs wirtschaft, het loon ook noodzakelijk een ,,Erhaltungs- lohn moet zijn! Laat ons bedenken, dat de toestand van het volk inderdaad overeenkomstig deze waarheid is, - dat het Indonesische voik over zijn geheel een minimum-lijdster is, dat het gewoon is alleen ,,minimum loonen, Erhaltungslohnen, te ontvangen. Laat ons bedenken dat het industrieele Imperialisme, dat streeft naar een grootst mogelijke winst en dus er belang bij heeft bij het bestaan van laagst mogelijke loonen, minimum-loonen, derhalve er ook belang bij heeft dat de Indonesische samenleving ontwricht blijft, dat het Indonesische volk blijft ,,minimum- lijdster , dat onze Wirtschaft blijft een ,,Ernahrungswirtschaft .

Prof van Gelderen schrijft:

,,Zou de productiviteit der Inlandsche voortbrenging en daarmee de huurwaarde der gronden merkbaar gaan stijgen, dan werd bij een gegeven cultuurwijze der Europeesche ondernemers hun bedrijf minder
rendabel. Een onmiskenbare belangentegenstelling, die van tijd tot tijd zich duidelijk voelbaar maakt. 46)

Het verschil in arbeidsproductiviteit bij aanwending van arbeid in het inheemsche en in het uitheemsche arbeidsproces, komt grootendeels den uitheemschen ondernemer ten goede. Hoe geringer dit verschil zou worden, doordat de productiviteit van den inlandschen arbeid in eigen sfeer (d.i. in laatste instantie de productiviteit van den inlandschen landbouw) zou gaan stijgen, des te meer verminderde deze andere bron van rendabiliteit van het uitheemsche grootbedrijf.

In het boek van Prof. Schrieke: ,,The Effect of Western Influance on Native Civilisations in the Malay Archipelago", vinden we een gezegde van Meyer-Ranneft, den tegenwoordigen voorzitter van Volksraad aangehaald, dat luidt: ,,Het bedrag verdiend door het kapitaal en industrieel bedrijf, wordt evenredig grooter naarmate de inheemsche levensstandaard inferieurder is". 47), terwijl Prof. Boeke nog verder gaat: ,,Zij, - (de uitheemsche ondernemers Sk.) -, vervullen in hoofdzaak de economische rol die de wereld van de kolonie verwacht. Zij weten uit Indië in het algemeen en uit den Indischen bodem in het bijzonder te halen wat er in zit en aan het gebied zijn grootste economische nuttigheid te verschaffen, zij brengen in hoofdzaak de producten voort, die de wereld-markt behoeft en zij verwachten en eischen daarbij van Indië niet meer dan goeden grond en goedkoope arbeidskrachten; de bevolking is voor hen niet meer dan een middel (voor zoover betreft de Javaansche bevolking) of noodzakelijk kwaad (voorzoover de inheemsche bevolking in de buitengewesten). Voor hen geldt ... slechts het aanbod op de arbeidsmarkt en de grondprijs; wat het aanbod vergroot en de prijs verlaagt komt hun ten stade. Zij zijn, zij moeten zijn, wat de Duitscher zoo kenmerkend noemt ,,Real-Politiker". De werkelijkheid en de zakelijkheid gaan voor, het ideëele en het persoonlijke element zijn voor hen onvruchtbaar of erger. 48)

M.a.w.: Het particuliere kapitaal heeft belang bij de improductiviteit en lage standaard van onze samenleving. Het moderne imperialisme werkt de vooruitgang van onze samenleving tegen, het moderne imperialisme is een rem voor onze sociaal-economische vooruitgang!
Inderdaad, waar is het, - dat het moderne imperialisme ,,van het Indonesische volk maakt een volk bestaande uit loontrekkers, van het Indonesische volk maakt een loontrekker onder de naties!" En welk een loontrekker, Edelachtbare Heeren Rechters!, - een loontrekker op minimumloon, een loontrekkende natie met een Minimum-wirtschaft! Kan het anders dat het nationaal hart tegen deze misdaad van het moderne imperialisme in opstand komt! En bovendien, - wie zal ooit de rijkdommen van Indonesia, die door de particuliere mijnbedrijven, zooals de kolenmijnbedrijven, of door petroleummaatschappijen, weggehaald worden weer aan ons teruggeven! Wie zal ooit ons deze rijkdommen weer terugbrengen?! Verloren zijn zij voor altijd voor de Indonesische samenleving, verdwenen in de zakken van de aandeelhouders van deze imperialistische bedrijven!
Prof. v. Gelderen schrijft: ,,Ook hierbij blijven alleen de productiekosten in het land. Het netto rendement valt den buitenlandschen kapitaalbezitters toe. Hieronder schuilt niet alleen de interest en de ondernemerswinst, doch bovendien de z.g. ,,mijnrente", de vergoeding voor het onvervangbare, monopolistisch deel, dat in de opbrengst van alle mijnen schuilt, die een hoogere dan de ,,grensproductiviteit" bezitten. Door afschrijving en reserveering kan de in den mijnbouw belegde kapitaalsom voor den bezitter behouden blijven. Het object dezer werkzaamheid, de kolen, de olie gaat onherroepelijk verloren! 49)
Onherroepelijk verloren! Een loontrekkende natie! Minimumloonen! Minimumlijdster! De sociaal-economische ontwikkeling tegengehouden! De mijnrijkdommen voor goed verloren! Geen verheugende dingen! En wat staat hier tegenover? Welke rechten heeft het volk, die opwegen tegen deze bedroevende economische toestanden? Welke rechten bezit, het Indonesische volk, die tot geneesmiddel kunnen dienen van onzen gewonden nationalen aard? Onderwijs? Och, in deze eeuw van beschaving zijn er in ons land nog geen 7 pCt. mannelijke alfabeten en vrouwelijke nog geen... ½ pCt.! 50)
En toch, de Hollandsch-Inlandsch-onderwijscommissie heeft een voorstel gedaan tot stopzetting van de uitbreding van Hollandsch-Inlandsch onderwijs! - Zijn de belastingen redelijk? Het rapport van Meyer - Ranneft en Huender toont ons, dat kang Marhaen (broeder Nietsbezitter), die een gemiddeld inkomen heeft van f 160.- per jaar, 10 pCt. van zijn inkomen aan belasting moet afstaan; dat in Europa zulk een hooge belasting pas geheven wordt op een inkomen van hooger dan f 8000 of f 9000 per jaar! Dat de belasting, die speciaal op kang Marhaen slaat, in 1919 reeds een bedrag van f 86.900.000 bereikt hebbende, onder het bestuur van G. G. Fock verhoogd werd tot f 173.400.000.- per jaar! Dat de desa-belasting daarom zeer zwaar was!

- En de hygiene? In geheel Indonesia zijn er slechts 343 gouvernements-ziekenhuizen; 51) het sterftecijfer is 20 pCt., in de groote steden is dit cijfer soms 30, 40, 50 pCt., zooals te Batavia, Pasoeroean of te Makassar! Werkgelegenheid op de eilanden buiten Java, het vraagstuk van den contractkoelie, van de Poenale Sanctie, die moderne slavernij, blijft ,,in beraad genomen"!

- Bescherming van arbeidersbelangen? Er is in het geheel geen bescherming van arbeidersbelangen. Er is in naam een arbeidsinspectie.
Het stakingsrecht, dat in de beschaafde landen een vaststaand feit is, wordt door het bestaan van artikel 161bis van het Wetboek van Strafrecht geheel te niet gedaan, verplaatst naar het rijk der verbeelding!
Vrijheid van vereenigen en vergaderen, vrijheid van drukpers? Edelachtbare Heeren Rechters laat ons onszelf oprecht vragen: Is er voor het Indonesische volk een vrijheid van drukpers, is hier in waarheid een recht van vergadering en vereeniging? Zoolang het Wetboek van Strafrecht nog altijd de elastische haatzaai-artikelen bevat, die bijna woordelijk overgenomen zijn uit het drukpersreglement, dat door Thorbecke ,,gewrocht der duisternis" genoemd werd, zoolang de ,,horribel strafwetartikelen" 153-bis-ter, die nog elastischer zijn, de veiligheid van elken journalist en elken leider, zooals wij nu, blijven bedreigen? Zoolang de exorbitante rechten een onbeperkte macht aan de regeering geven, om ervan gebruik te maken tegen elke beweging, die zij niet wenscht? Bestaan deze rechten hier, zoolang elke openbare critiek gemakkelijk ,,aangemaand" of ,,verhinderd" kan worden, zoolang elke vergadering bevolkt wordt met spionnen van de politie, zoolang elke leider bij elk van zijn bewegingen gevolgd wordt, zoolang het vergaderverbod zoo licht wordt uitgevaardigd, zoolang het ,, briefgeheim" , zooals wij verscheidene keeren met eigen oogen hebben kunnen aanschouwen, herhaaldelijk geschonden wordt? Wat blijft er van deze rechten over, indien elk rapport van een politiespion of elke anonieme brief reeds voldoende is om overal huis-zoekingen te houden, tientallen leiders in heehtenis te nemen en hen te verbannen? Edelachtbare Heeren Rechters, laat ons nog eens in gemoede ons afvragen: Is hier voor ons volk een vrijheid van drukpers en een vrijheid van vereeniging en vergadering, zoolang de uitvoering van de rechten beknot wordt door allerlei beperkingen, bemoeilijkt door allerlei belagingen. Neen immers! hier zijn die rechten niet! Door al deze beperkingen en bemoeilijkingen is die ,,vrijheid" slechts in naam een vrijheid; zijn de ,,rechten" slechts in naam rechten; door al deze beperkingen en bemoeilijkingen, is de ,,vrijheid van drukpers" het ,,recht van vrijheid van vereeniging en vergadering" niets anders dan een paskwil! Haast elke journalist heeft de ijzeren hand van de wet gevoeld, haast elke Indonesische leider heeft kennis gemaakt met de gevangenis, haast elke Indonesiër, die een radicale strijd begint, wordt beschouwd te zijn ,,gevaarlijk voor de openbare orde"! Er zijn in waarheid geen rechten die men het volk gegeven heeft om op te wegen tegen de vernietiging van de maatschappij, tegen de vernietiging van de volkseconomie door het moderne imperialisme; geen rechten zijn er, die men ons volk heeft overgelaten als sterking om de werking van het moderne imperialisme, dat onze huishouding en maatschappij ontwricht, te temperen.
 
 
 

1) Prof. Snouck Hurgronje: ,,Colijn over Indië", pag 33

2) Prof. Colenbrander: ,,Koloniale Geschiedenis" II, pag. 252.

3) Prof. Veth: ,,Java", II, pag. 250.

4) Prof. Colenbrander: ,,Koloniale Geschiedenis", pag. 117.

5) Prof. Kielstra: ,,Vestiging Nederlandsch gezag", pag. 12.

6) Prof. Schäfer: ,,Koloniale Geschiedenis", pag. 82.

7) Snouck Hurgronje: ,,Colijn over Indië", pag. 33.

8) J. E. Stokvis: ,,Van Wingewest naar zelfbestuur".

9) Prof. Gonggrijp: ,,Economische Geschiedenis Ned. Indië", pag. 123.

10) J. E. Stokvis: ,,Van Wingewest naar zelfbestuur".

11) Prof. Kielstra: ,,Vestiging van het Nederlandsch gezag".

12) Prof. Veth: ,,Java", II, pag. 410.

13) Pag. 85, 86.

14) Stokvis: ,,Van Wingewest naar zelfbestuur", pag. 92.

15) Roland Holst: ,,Kapitaal en Arbeid in Ned.", pag. 150.

16) Kautsky: Soz. und Kol. Pol. , pag. 43.

17) Stokvis: ,,Van Wingewest naar zelfbestuur", pag. 12 - 13.

18) Bij Parous: ,,Die Kol. Pol un der Zusammenbruch".

19) Schmalhausen: ,,Over Java en de Javanen", pag. 169.

20) Voorlezingen pag. 193.

21) Van Vollenhoven: ,,De Indonesiër en zijn grond".

22) Indonesische vlaktemaat = 71 Are.

23) Verg. Stat. jaaroverzicht 1928.

24) 30 September 1927, pag. 16.

25) Bij Duys.

26) Colijn: ,,Koloniale vraagstukken van heden en morgen", pag. 124.

27) Statistisch Jaaroverzicht 1928.

28) Verg. v. Gelderen. Voorlezingen, pag. 98.

29) D. M. G. Koch in de Vakbeweging, 1927, pag. 570.

30) Voorlezingen pag. 108.

31) Pag. 65

32) ,,De Vakbeweging", 1927, pag. 870.

33) Van Kol: ,,Ned.-Indië in de Staten-Generaal", pag. 112.

34) Van Kol: idem, pag. 112

35) Van Kol: idem, pag. 107.

36) Bij Sneevliet, ,,Proces".

37 Van Kol: Verg. Ned.iIndië in de Staten-Generaal 1897 - 1909.

38) Blz. 10.

39) Van Gelderen: voorlezingen pag. 116.

40) Verg. Stat. Jaaroverzicht 1928, pag. 193, en de cijfers van Dr. Huender.

41) Dr. Huender: ,,Overzicht van den economischen toestand op Java en Madoera", pag. 244.

42) Tot aan pag. 246.

43) Van Gelderen, voorlezingen pag. 67.

44) Tot aan pag. 246 Huender.

45) Pag. 11.

46) Van Gelderen, voorlezingen pag. 59.

47) Pag. 77.

48) Tot aan pag. 12, Van Gelderen voorlezingen.

49) Van Gelderen, voorlezingen pag. 123.

50) Tot aan pag. 86, v. Gelderen voorlezingen.

51) Stat. jaaroverzicht 56. 


[terug] [Weduwe van IndiŽ] [top]