HOOFDSTUK V.
De overtreding van artikelen 169 en 153bis.

 
 

Edelachtbare Heeren Rechters,

Het eerste gedeelte van onze rede is thans geëindigd. Gij hebt kennis gemaakt met den aard en de beginselen der P.N.I., benevens met onze overtuiging in groote lijnen.
In het begin van ons betoog, hebben wij reeds verklaard, dat onze bedoeling met deze uiteenzetting der beginselen van de P.N.I. en onze overtuiging in het kort, geenszins is om ze hier te propageeren, maar enkel en alleen om te toonen den aard en de beginselen der P.N.I., opdat U, Edelachtbare Heeren zult kunnen begrijpen den oorsprong, de oorzaken van onze gezegden en handelingen, die gij in dit proces hebt te onderzoeken. En met hetgeen wij verklaard hebben omtrent de P.N.I., is thans duidelijk, dat de P.N.I. is een wettelijke vereeniging, een ,,partai" 1) is, die niet de bedoelingen heeft, welke haar thans ten laste worden gelegd. Zij heeft geen opstand in haar bedoeling, zij heeft niet in den zin het aanzetten van de menschen tot een opstand, zij wil geen stakingen, zij wil niet de overtredingen bedoeld in het art. 171 Strafwetboek, zooals wij straks nog verder zullen uiteenzetten. Zoodat het eerste gedeelte der beschuldiging van haar kracht beroofd is. Bovendien is: artikel 169 strafwetboek, volgens arrest H.R. 3 December 1894 W.R. 6586 en ook volgens Prof. Simons (leerboek van het strafrecht, dl. II, blz. 217) en Noyon aant. 3 ad. art. 140, bedoeld op vereenigingen die opgericht zijn met het vooropgestelde doel om haar leden tot het plegen van misdrijven aan te zetten. En de Partai Nasional Indonesia is niet opgericht met de bedoelingen die in de acte van beschuldiging zijn genoemd. De P.N.I. werd opgericht met een doel, dat verre van deze bedoelingen staat en verre daarvan ook stond zij gedurende haar drie-jarig bestaan. De Partai Nasional Indonesia is een vereeniging, die van haar geboorte tot heden, wettig is gebleven. En dit blijk t ook uit het eerste gedeelte van onze rede. Onwaarschijnlijk is het, dat wij, die weten dat alleen nationalistische machtsvorming, waarvoor wij groote verschieten geopend hebben, dat wij, die weten, dat wij ons ver hebben te houden van alles, wat onnuttig is, en moeten vermijden, dat wij een aanval te verduren krijgen, wij, die weten, dat de vrijheid niet in één ademtocht verkregen worden kan, dat wij, die dit alles weten, opzettelijk ons aan waaghalzerijen hebben vergrepen en art. 153bis en 169 hebben willen overtreden. Neen, Edelachtbare Heeren Rechters, het is geenszins noodig, dat wij dergelijke staaltjes uithalen om ons doel te bereiken. Wij hebben slechts al onze krachten in te spannen op de moderne machtsvorming, een openlijke machtsvorming even als die van het proletariaat in Europa. Want met die machtsvorming, met een macht, die reëel en groot is en waarvan de deelnemers zich bewust zijn, met een macht die het nationalisme tot kern heeft, gewapend is met de vier eigenschappen, en de massa tot drager heeft, met deze macht kunnen wij grootsche dingen tot stand brengen. Inderdaad, zonder bommen, zonder dynamiet, zonder waaghalzerijen, die opzettelijk tegen de openbare orde of het gezag gericht zijn, of zonder mee te doen aan een vereeniging met een misdadig doel, zonder zich te vergrijpen aan welk door de wet verboden feit ook!

 

,,Ketidah Tentraman en de Ramalan 30". 2)

En nu zoudt U ons kunnen tegenwerpen: ,,Hoe is het nu mogelijk, dat U niet schuldig zijt volgens art. 153bis en art. 169. Een ieder toch weet, dat er onder het volk in het afgeloopen jaar onrust was! Hoe is het nu mogelijk, dat gij onschuldig zijt, overal toch fluistert het volk, dat er dit jaar iets zou gebeuren. Dit moet toch een oorzaak hebben!
Zeker, Edelachtbare Heeren Rechters, als er werkelijk onrust onder het volk was, als er werkelijk gefluisterd is, dat in 1930 iets plaats zou vinden, dan moet er een oorzaak voor zijn! Er is niets dat geen oorzaak heeft, er is geen gebeurtenis, die geen causaal verband heeft met een andere! Echter, in dit geval, zouden wij de oorzaak zijn? Met zekerheid antwoorden wij: Neen! Niet wij zijn de oorzaak!... Vele getuigen hebben verklaard dat wij opvoeden tot orde. En menschen die tot orde opvoeden, kunnen toch niet opzettelijk overtreders van art. 153 en 169 van het Strafwetboek, kunnen toch niet de oorzaak zijn van de onrust in het volk of van de geruchten, die door het volk gaan. Welke is dan de oorzaak? Er zijn vele oorzaken; gedeeltelijk ligt de oorzaak in de algemeene overtuiging van het volk, ook voordat wij in de beweging kwamen! dat er dit jaar ,,iets zou gebeuren; voor een gedeelte ook in het streven van hen, die onze beweging vijandig gezind zijn en haar benadeelen willen door allerlei dreigementen tegen de desamenschen te richten, door valsche berichten, dat b.v. de beweging in dit jaar (1930) tot ,,wanordelijkheden zou overgaan; voor een gedeelte ook in de ellende van het volk zelf, zooals wij eerder hebben uiteengezet, waardoor het zoo ontvankelijk is voor dergelïjke geruchten: voor een gedeelte misschien ook in het dreigement van de Communisten, die, toen hun organisatie enkele jaren geleden vernietigd werd, dreigden: ,,Wacht u voor het jaar 1930 .... maar genoeg, Edelachtbare Heeren Rechters. Duidelijk hebben wij naar voren gebracht, dat vòòrdat onze beweging kwam, die onrust reeds bestond. Hadji August Salim verklaarde volgens het dagblad ,,Sin Po van 13 Jan. j.l. dat er: ,,In Koedoes een Kiay woont, die vijftig leerlingen heeft, djimats verkoopt en leerde dat in het jaar 1930 een belangrijke gebeurtenis plaats zou hebben. De beroemde Javaansche Boedjangga Kyaj Ronggowarsito (r) leerde ook dat in 1930 een buitengewone gebeurtenis plaats zou hebben, zooals het dagblad Darmokondo dato 8 Januari j.l. meldde. Ja zelfs een regeeringskrant, de Poestaks Soenda, die door het bureau voor de Volkslectuur wordt uitgegeven, bevatte een paar maanden terug een advertentie, die als volgt luidt:

,,Kaanehan tahoen 1930!!

Titaoen poengkoer keneh djalma satanah Pasoendangoejoer iboer, pada mareun g nag bedja jeu dina tahoen 1930 bakal aja kadjadian anoe aneh. Sararea pada samar kama pidjadieunana, serta taja noe terang. Ajeuna nembe kahartos, sihoreng noe matak ngageundjleunkeun teh boekoe kaloearan Bale Boestaka, tjarios: Pangeran Kornel nja eta menak Soenda anoe linoehoen, loehoeng elmoena, gede wawanenna, saintjak-intjakna toeladeun woengkoel.
Koe margi eta sadaja oerang Soenda perloe karagoengan yeu boekoe, komo ari oerang Soemedang mah, wantoe Pangeran Kornel teh beunang diseboetkeun poepoendjoegganana. Daleh oerang Soemedang oge sami bae perloena mah soegan djadi pitoeloeng ngaloehoengkeun boedina. Yeu boekeo sanes moeng sae roepina bae, nanging ge teu kinten maherna, perloe diaraos koe soegri anoe keur ngaroelik basa.

Pangaosna sahidji moeng... f 0.70.

Hetwelk beteekent:

Iets bijzonders in 1930!!

In het afgeloopen jaar is de bevolking van geheel Pasoendan in beroering gebracht door het bericht, dat er in 1930 iets bijzonders zou gebeuren. Iedereen was benieuwd wat het zijn zou, maar niemand wist er het rechte van. Thans is het bekend geworden, dat hetgeen de opschudding veroorzaakt heeft, een boek is, uitgegeven door de Bale Poestaka, handelende over Pangeran Kornel, een Soedaneeschen edelman met een edel karakter, groote wijsheid, grooten moed, een waar voorbeeld voor iedereen.
Daarom hoort elke Soendanees dit boek te lezen, bovenal de menschen uit Soemedang, immers Pangeran Kornel is hun held. Maar evengoed de menschen die niet uit Soemedang zijn, hooren dit boek in hun bezit te hebben, opdat het hun een hulp zij bij de veredeling van hun karakter. Het boek ziet er niet alleen mooi uit, maar het is ook uitstekend geschreven, en zij, die werken voor de verbetering van de taal, hooren dit boek in hun bezit te hebben.

De prijs is slechts... f 0.70.

Edelachtbare Heeren Rechters, een regeeringskrant bevatte deze woorden, die zoozeer voedsel gaven aan het geloof van het volk! U zoudt kunnen tegenwerpen: ,, Het is slechts een advertentie.
Goed! maar valt het U niet op Edelachtbare Heeren Rechters, dat in die advertentie voorkomen de volgende woorden: ,, Titaoen poenkoen keneh, dalma-djalma satanah Pasoendan goejoen iboer, pada mareunang bedja jeu dina tahoen 1930 bakal aja kadjadian anoe aneh , d.i. dat: sedert het afgeloopen jaar de men schen van geheel Pasoendan in opschudding zijn gebracht door het bericht, dat in het jaar 1930 iets bijzonders zou gebeuren? Bewijst dit niet, dat de geruchten en het geloof omtrent deze gebeurtenis in 1930 bij het volk niet vreemd meer waren, en dat zij zijn geworden ,,briasa". (s) Kunnen wij er ons over verwonderen dat die ,,onrust hoe langer hoe meer ,,insloeg"?

Maar wij, wat hebben wij aan het volk verkondigd? Wat hebben wij geleerd in verband met het geloof van het volk betreffende het jaar 1930?
Niet wij hebben hieraan voedsel gegeven, niet wij hebben dat geloof aangewakkerd en versterkt, maar wij hebben de geruchten bestreden, ontkend, voor leugens uitgemaakt. Want wij begrijpen: dat het niet goed is, dat het volk een ijdele hoop heeft en wij weten: de ons vijandig gezinden buiten dit geloof van het volk uit, om onze beweging te benadeelen, zij exploiteeren opzettelijk dit geloof van het volk om gemeene provocaties te beproeven. En als de provocatie gelukt, dan zijn wij het, die eraan moeten gelooven. Inderdaad, Edelachtbare Heeren Rechters, ,,de onrust van het volk en de geruchten omtrent 30 zijn niet veroorzaakt door ons, wij hebben niet opgehitst; ,,de onrust en de ,,geruchten zijn vergroeid met een geloof van het volk, dat ook al vóór onze beweging bestond; onze beweging nu valt toevallig samen met dat geloof van het volk! Onze beweging heeft echter deze geruchten bestreden, ze voor leugens uitgemaakt, het volk volledig ervoor gewaarschuwd en onderwezen, dat die geruchten omtrent 30 ongegrond zijn! De verdenking, dat wij opgehitst hebben moeten wij met zekerheid en overtuiging terugwijzen! Maar het vraagstuk van den komenden Pacific-oorlog, zou dit geen bewijs ervoor zijn, dat wij leugenachtige berichten rondstrooien om het volk in ,,onrust te brengen, een bewijs dat wij inderdaad art. 171 Strafwetboek overtreden hebben? Inderdaad, Edelachtbare Heeren Rechters, hebben wij het Pacific-vraagstuk behandeld, wij hebben gezegd dat er een Pacific-oorlog zou komen. Wij ontkennen dit niet. Wij ontkennen echter, dat dit een leugenachtig bericht is. Wij ontkennen echter, dat onze bedoeling met het verkondigen van deze meening, van den komenden Pacific-oorlog, is, onrust te stichten onder het volk. Deze meening over den Pacific-oorlog is het eerst verkondigd door Europeesche geleerden, zooals wij straks zullen aantoonen, deze meening verkondigen wij niet om onrust te stichten, maar opdat het volk dra gezond en sterk zal zijn, weldra een natie wordt! In het begin van onze rede hebben wij reeds uiteengezet, dat de tegenwoordige wedloop naar grondgebied een wedloop op leven en dood is tusschen de imperialistische machten, Engeland, Amerika en Japan. Wij hebben toen reeds gezegd, dat de prijs van den wedloop tusschen deze drie machten is: China. Wij hebben gezegd, dat wie China beheerscht, de geheele Pacific beheerscht, dat wie de Chineesche huishouding in zijn macht heeft, de huishoudingen van het geheele Oosten, economisch en militair, beheerscht. Wij hebben gezegd, dat om dezen zoo hoogen prijs te verkrijgen , de imperialistische machten Engeland, Japan en Amerika een geweldigen oorlog zouden willen riskeeren: den Pacific-oorlog! De Pacific-oorlog beperkt zich niet alleen tot deze imperialistische machten, maar zal er een zijn, die de vesten van de geheele wereld schudt, de geheele Pacific in vernietigingsgevaar brengt. Wij als een volk, dat aan de Pacific woont, wij hooren te begrijpen, dat de hevigheid van dien oorlog natuurlijk ook zijn invloed zal doen gelden op ons land, dat het vuur, dat in de Pacific zal oplaaien, ook zijn hitte zal doen voelen in onze streken. Wij behooren te begrijpen, dat indien het Indonesische volk geen sterke natie wordt, indien de ordening van de Indonesische samenleving niet verbeterd en steviger wordt gemaakt, wij niet in staat zullen zijn, niet sterk genoeg zullen zijn om den invloed hiervan te weerstaan, en waarschijnlijk niet in staat ons staande te houden, indien b.v. de staart van één dezer draken ons raakt. Daarom hebben wij het Indonesische volk vaak op dit gevaar, dat van den kant der Pacific dreigt, gewezen. Niet met het doel om de rust van het volk te verstoren, niet om het volk vrees aan te jagen, maar om bij het volk de overtuiging te wekken, dat het noodig is dat het zoo gauw mogelijk een natie wordt.

Wij hebben nooit beweerd dat wij wisten, wanneer de Pacific-oorlog zou uitbreken; wij weten ook niet, waar hij precies zal uitbreken; wij weten alleen, dat indien de teekenen, die nu te zien zijn, niet bedriegen, die Pacific-oorlog zeker eens zal moeten uitbreken! Evenals elk mensch, die een verre visie had, de komst van den grooten oorlog van 1914 1918 voorvoeld heeft, zooals bijvoorbeeld de schrijver van ,,The War of Steel and Gold", H. N. Brailsford, het zoo concreet gedaan heeft, zoo is het een ieder, die de ontwikkeling van het Amerikaansche, Engelsche en Duitsche Imperialisme heeft gevolgd en bestudeerd, ook duidelijk, dat deze Pacific-oorlog noodzakelijk eens zal uitbreken. En evenals de oorlog van 1914 1918 zijn profeten heeft gehad, bijv. de schrijver van ,,The War of Steel and Gold" zoo heeft ook de Pacific-oorlog nu zijn voorspellers, zooals bijv. Ernst Reinhard in zijn werk ,,Die imperialistische Politik im fernen Osten", Karl Haushofer in zijn ,,Geopolitik des Pazifischen Ozeans", Hector G. Bywater in zijn ,,Seapower in the Pacific" en ,,The Great Pacific War". Nu zou men nog kunnen zeggen: de Pacific-oorlog heeft zijn voorspellers, maar dit zijn de bolsjewisten, die leugens rondstrooien!
Ernst Reinhard is geen bolsjewiek, Karl Haushofer geen communist, Hector Bywater geen lid van de 3e Internationale of van het Sovjet Executief Comité ! Ernst Reinhard is een rechtschapen burger van Zwitserland, die nog wel zitting heeft in de Nationalrat, Karl Haushofer is Professor aan de beroemde universiteit van München in de Geopolitik, Hector Bywater maakt deel uit van de Engelsche marine! De veronderstelling, dat deze voorspellingen alleen afkomstig kunnen zijn van onrustzaaiende en krankzinnige bolsjewisten, is totaal onjuist. Niet de ,,krankzinnige bolsjewieken, ook niet de bommenwerpers hebben deze waardevolle literatuur over de Pacific geschapen, maar neutrale en objectieve menschen, die hun beweringen staven met een overmaat van klaar feitenmateriaal. Inderdaad: wie van dit feitenmateriaal in Reinhard s ,,Imperialistische politik im fernen Osten", in Haushofer's ,,Geopolitik des Pazifischen Ozeans" of in Hector Bywater's ,,Seapower in the Pacific" heeft kennis genomen, wie in die boeken heeft gelezen hoe Japan, Engeland en Amerika zich voorbereiden met het uitrusten der bewapening; wie de uiteenzetting van deze schrijvers heeft gelezen, beweringen die onweerlegbaar zijn door het overstelpende, vaststaande feitenmateriaal, waardoor zij gestaafd worden; wie met aandacht de voorspellingen van deze schrijvers heeft gelezen, die moet tot de overtuiging komen, dat de Pacific-oorlog eens moet uitbreken!

Wij lezen er, hoe Japan druk in de weer is om de olieconcessies op Sachalin te krijgen voor zijn vloot; wij lezen er, dat de zoogenaamde ,,Ontwapeningsconferentie te Washington niet anders is dan een list van Amerika om Japan te binden door vast te stellen, dat zijn vloot niet meer tonnage bevatten mag dan 315000 ton slagschepen, 81000 ton hulp-schepen, terwijl de schepen van iedere partij niet grooter mogen zijn dan 40.000 ton, en het maximum kaliber voor de kanonnen op 406 m.M. vast-gesteld wordt. Wij lezen er hoe alle partijen de mooie officieele bedoelingen ontduiken, door meer kleinere kruisers te bouwen, twee typen, die in den grooten oorlog van 1914 1918 veel meer ,,efficient zijn gebleken dan de te groote slagschepen. Wij lezen er, hoe Japan gedurende de weinige jaren slechts na deze conferentie 30 nieuwe kruisers, 77 nieuwe destroyers, 73 nieuwe duikbooten liet maken, hoe Engeland alle moeite doet om 13 nieuwe kruisers te bouwen, 4 nieuwe destroyers, 6 nieuwe duikbooten, hoe Amerika koortsachtig werkt aan het bouwen van 19 nieuwe kruisers, 106 nieuwe destroyers en 48 nieuwe duikbooten.  3)

Wij lezen er waarom Engeland zijn vlootbasis van Malta naar het Oosten, en wel naar Singapore, aan de Pacific, heeft verplaatst, en waarom Amerika zijn zinnen zoo op Oceanië heeft gezet en alle moeite doet om het van Frankrijk af te koopen, n.l. om zijn zeeversterkingen, die reeds groot genoeg in aantal zijn, nog meer te vermeerderen. Wij lezen er dat Amerika geregeld en vaak door vlootmanoeuvres de kracht van zijn vloot op de proef stelt, vooral onder zijn minister voor de marine, Wilbur, in 1923 manoeuvres om de Panamabasis, in 1924 om de Antillen en Virginia-basis, in 1925 om de Pearl Harbour en de Hawai- basis op de proef te stellen; en hoe daarna Amerika een Pacific-kruisvaart organiseerde, bijgewoond door vertegenwoordigers van 40 der grootste Amerikaansche bladen, om het Amerikaansche publiek een imperialistischen geest bij te brengen. Kortom, wij lezen er hoe deze drie imperialistische staten als razenden zich spoeden te bewapenen! En wie waarde hecht aan het feitenmateriaal en de gevolgtrekkingen in die boeken, zooals wij dit doen, die moet tot de overtuiging komen, dat noodzakelijk het moment komt, waarop de Pacific een heksenketel wordt zooals er nog nooit tevoren een geweest is in onze gansche geschiedenis!

Gelijk drie leeuwen, die zich klaar maken elkaar te bespringen en reeds dreigend, tandenknarsend hun klauwen toonen, gelijk drie reuzenslangen, die dreigend hun muil openen om hun vijand te verslinden, gelijk drie octopusvisschen, die hun vangarmen rondslingeren om hun vijand te vernietigen, zoo maakt Engeland zich klaar te Singapore, Japan in eigen land en op de eilanden Mariana, Marshall en Bonin, Amerika in Dutch Harbour, op Hawaii, Tutuika, Guam en Manilla!

Edelachtbare Heeren Rechters, wie zou nièt in de komst van den Pacific-oorlog gelooven , indien hij deze feiten van voortgaande bewapening ziet? Wie zou de juistheid van de berekeningen omtrent het uitbreken van dezen oorlog kunnen loochenen met het feitenmateriaal voor oogen, dat Reinhard, Prof. Haushofer en Bywater ons voorzetten?

Wie zou kunnen zeggen, dat de komst van den Pacific-oorlog een ,,logenachtig bericht is, zooals bedoeld door art 171 Strafwetboek, indien hij weet, dat geleerden van naam als Reinhard en prof. Haushofer en een marine-specialist van een vermaardheid als Hector Bywater, dien oorlog voorspellen, na ernstig en gedegen onderzoek?

En niet alleen wordt de komst ervan voorspeld, maar Hector Bywater weet in zijn boek ,,The Great Pacific War" zelfs den gang van dien oorlog tot in bijzonderheden te vertellen. Hij vertelt ons, dat die oorlog zal uitbreken, omdat Japan, dat bedreigd wordt door een revolutionnaire beweging, de binnenlandsche moeilijkheden afleiden wil. Hij voorspelt, dat in het begin van den oorlog Amerika lam geslagen zal worden, doordat een enkel Japansch oorlogsschip het Panamakanaal weet te vernietigen met een geweldige dynamietontploffing, dat Manilla en de Philippijnsche eilanden door Japan veroverd zullen worden, dat één Amerikaansche vloot geheel vernietigd zal worden.

Vervolgens zet hij uiteen, dat na al deze slagen het Amerikaansche volk in hevige verontwaardig ontsteekt, dat vervolgens de geheele nog bestaande Amerikaansche vloot dan in een gevecht van leven en dood met het Japansche geraakt bij Guam, en dat hierna pas de vrede gesloten wordt.

Ernst Reinhard echter zegt van deze beschrijving het volgende:
,,hij heeft haar zeker klein gedacht, als hij haar als een duel tusschen twee staten vooruitzag. Dat zal de botsing zeker niet zijn." 4)

Dat zal de botsing zeker niet zijn! meent dus Reinhard, de oorlog zal veel grooter zijn. Is het niet noodzakelijk, dat het Indonesische volk spoedig sterk wordt, spoedig zijn samenleving consolideert, spoedig een natie wordt, om in staat te zijn den invloed van dezen oorlog te weerstaan, een invloed, dien wij, die hier aan den Pacific wonen, onvermijdelijk moeten ondergaan?!
Het is jammer, Edelachtbare Heeren Rechters, dat wij niet voldoenden tijd hebben, om hier lang en breed den inhoud van deze drie boeken te behandelen, maar wij kunnen toch niet nalaten, enkele citaten daaruit te geven, en indien U het noodig mocht vinden, kunt gij er U zelf verder van overtuigen. Laat ons eerst hooren, wat Reinhard zegt: ,,Japan wil het probleem van het verre Oosten naar zijn zin oplossen. Maar wat zijn machten, wat zijn trusts willen, dat past Amerika en Morgan niet. De strijd om de buit blijft bestaan. Wanneer zal hij uitbreken? Deze vraag heeft Amerika te beantwoorden. (p 215). ,,....Amerika wapent zich ....Het bouwt niet alleen zijn vloot, maar houdt ook zijn station in den pacific gereed. Van Dutch-Harbour op de Aleuten over Hawaii naar Tutuila en Guam tot de Philippijnen toe, strekt zich één wijdgespannen boog uit van Amerikaansche vestingen, een boog, die Japan in het Noorden en het Zuiden als een tang omklemt. Japan merkt de stalen greep van dezen tang. Maar ook Engeland bespeurt hem. (p. 224).

,,De spanning groeit. Geen ventiel opent zich. Heden is de oververhitte ketel nog in staat den sterken druk te weerstaan. Maar de concurrentie, der Amerikaansche en Japansche trust's in China sleept er gestadig nieuwe brandstof bij, werpt dag aan dag olie in het vuur. Eens moet de dag komen, waarop de stoomdruk den ketel met geweldige kracht tot explosie brengt!....
,,Als vanwege China een oorlog uitbreekt, dan wordt het zeker een wereldoorlog in den waren zin des woords.... Wij zullen allemaal moeten meedansen, als de dood de Chineesche doodenwijs ten gehoore geeft. (227). Edelachtbare Heeren Rechters, aldus luidt de voorspelling van den bekwamen geleerde. Wij van de P.N.I. zien ten volle het gevaar in, dat ons volk bedreigt met dezen geweldigen oorlog. Wij voelen ons verplicht, het volk op dit gevaar te wijzen, wij gevoelen ons verplicht het volk aan te sporen, om spoedig sterk te worden, spoedig een natie te worden. Want wij, wij herhalen het nog eens, wij zijn ervan overtuigd, dat ons volk, dat aan dit strijdveld ligt, noodzakelijkerwijze een invloed ervan zal ondervinden, die onze economie en onze samenleving in gevaar brengt. Wij zeggen niet, dat de Pacific-oorlog nog dit jaar zal uitbreken. Wij zeggen ook niet dat hij binnenkort zal uitbreken. Wij herinneren er slechts aan, dat met het bestaan van den wedijver tusschen Amerika, Japan en Engeland, die oorlog onvermijdelijk uitbreekt. Edelachtbare Heeren Rechters, hier in Indonesië zijn wij het ook niet alleen, die dit beweren! Dr. Ratu Langi sprak in den Volksraad op de zitting van 14 Juni 1928, dus al veel eerder dan wij, over de komst van dezen Pacific-oorlog, en later schreven ook het A.I.D., de Preangerbode en de Javabode over dezen komenden oorlog! Verspreidden zij een ,,leugenachtig bericht ? Hadden zij de verstoring van rust en orde op het oog? Dr. Ratu Langi sprak aldus: ,,Intusschen, bij de krachtsinspanning in sini dan sana-groep (q) wordt door de Westersche groep al te zeer uit het oog verloren, dat de staatkundige toekomst van Indonesia ook, en voor een belangrijk deel, beheerscht zal worden door de evolutie der internationale situatie in het z.g. uiterste Oosten.... Men onderdrukt, psychologisch gesproken, eenvoudig het feit, dat het koloniale vraagstuk van Indonesia een deel is van het groote Pacific-vraagstuk, en dat dit land niet kan ontkomen aan het lot, actief wellicht, maar zeker passief betrokken te worden in een conflict in den Pacific, waarbij geweldige machten tegen elkaar zullen opbotsen.... ,,Trachten wij ons den toestand te realiseeren: over Azië heeft zich een netwerk geweven van economische, politieke en strategische activiteit. De egoïstische, economische motieven voorop, zooals altijd, en daar na volgen scheepsladingen etisch humanitaire leuzen over beschaving brengen etc. Drie dingen, zegt Max Reinhard (bedoeld wordt Ernst Reinhard, Edelachtbare Heeren Rechters), heeft het vreemde kapitaal in China gezocht, markten voor zijn waren, grondstoffen voor zijn grondstofbasis, en goedkoope arbeidskrachten voor zijn fabrieken.... Wat van China gezegd werd, geldt mutatis mutandis voor vele andere pacificgebieden, alleen, het pacific-vraagstuk vindt zijn exponent in China om de afmetingen die de kwesties daar hebben en omdat wij daar, als het ware onder onze oogen het treurspel zien afspelen van een onafhankelijk land, dat overgeleverd is aan een nietsontziend egoïsme van zekere machts-combinaties.

,,Maar het is duidelijk dat dit alles, de pachtgebieden, de invloeds- en  interessesfeeren of opendeur-politiek.... noodzakelijk een toestand van spanning moet veroorzaken in den zin, dien van den Bergh van Eysinga daaraan hecht. Deze moreel eenzijdige relaties, waarvan gezegd wordt, dat zij alleen gehandhaafd kunnen worden, zoolang de vreemde naties krachtig genoeg zijn om op haar handhaving te blijven staan, al die wijzen van ingrijpen zijn even zoovele haarden, waarop conflicten zullen groeien, conflicten, die zullen uitvlammen tot ver over de grenzen van het Rijk van het Midden.

,,Want, in hun wedijver om economische voordeelen stuit het Westen thans echter op tegenstand, passief en actief. Passief van de regeneratieve krachten van het Oosten zelf, en actief van een Oostersch rivaal.. en dat is Japan.

,,Bij dezen toestand zullen antithese en antagonisme groeien en verscherpen, totdat zij eenmaal hun normale oplossing zullen moeten vinden in een catastrophaal conflict, waarbij diplomatie en staatsmans-kunst moeten terugtrekken achter de monden van kanonnen en mitrailleurs.
,,Het voorspel dezer cafastrophale oplossing is reeds zichtbaar en de voorteekenen zijn niet te misduiden, als men maar zien wil en zich niet laat misleiden door gelegenheids: en hoeraspeeches, die ten slotte geen greintje pit hebben....

,,.... Oost-Azië is het schaakbord geworden van de internationaal economische en militaire penetratie-politiek; wij zien stuk na stuk naar voren schuiven en wederom terugtrekken; Duitschland trekt zich terug van Kiautsjau, Japan posteert er een zijner stukken, Amerika geeft Jap, knooppunt van telegraafkabels, prijs. Japan plaatst daar een ander stuk. Japan breidt zijn vloot sedert den wapenstilstand van 1918 uit met 19 kruisers, 54 destroyers en 45 onderzeebooten, waartegenover Engeland in Singapore een vlootbasis bouwt, en Amerika zijn vloot met een nog grooter aantal uitbreidt en de steunpunten Hawaii, Tutuila en Guam versterkt.

,,En hieronderdoor, aan de publieke contrôle ontsnappend, werken pionnen, stukken van lager orde, die vlechten het netwerk waarop straks het tournooi gespeeld zal worden, en grande style....

,,....Maar intusschen kunnen te avond of te morgen de tegen gerichte strevingen boven den bodem van Oost-Azië tot manifeste botsingen komen, en een heksen-sabbath ontketenen ook over deze landen en zonder onzen wil. Wat dan? Hoe is de positie van Indonesia in dit catastrofale conflict, dat niet kan uitblijven....?

Edelachtbare Heeren Rechters, Dr. Ratu Langi is noch Communist noch Links-socialist, noch Socialist. Dr. Ratu Langi staat bekend als een zeer gematigd iemand. Dr. Ratu Langi is dus niet iemand, die licht overgaat tot het verspreiden van ,,logenachtige berichten". En toch spreekt ook Dr. Ratu Langi over een komenden Pacific-oorlog, ,,de heksensabbath", het ,,catastrophaal conflict", zegt hij, ,,kan niet uitblijven" en het Oosten zal verschroeien ,,te avond of te morgen"! Maar wanneer wij het zijn, die dit verkondigen, dan is het plotseling een ,,logenachtig bericht geworden! Kan het zijn, dat het bericht, indien wij het verspreiden, plotseling bedoelt te zijn een middel om de rust en orde te verstoren? Is het mogelijk, dat het, door ons verkondigd, plotseling een grond wordt tot het toepassen van art 171 van het wetboek van strafrecht?

Immers neen, Edelachtbare Heeren Rechters!
En toch.... wij staan voor u terecht,.... beschuldigd van ons te hebben vergrepen aan art. 171. En welk een samentreffen der omstandigheden.... terwijl wij hier gehoord worden in verband met de Pacific-kwestie, terwijl wij hier als aangeklaagd en voor U staan, mede voor deze kwestie, werden gedurende midden October j.l. door Japan groote vlootmanoeuvres gehouden, welke het A.I.D. berichtte met een mededeeling van de Associated Press, dat luidt als volgt: ,,De voorbereidingen begonnen reeds op 7 dezer.... toen eenheden van de blauwe vloot naar hun concentratiepunt Koere vertrokken en de vijandelijke schepen in het geheim opereerden in de zuidelijke wateren, tot zelfs in de buurt van Formosa toe. Iets verder dan Formosa.... liggen de Philippijnen, maar niemand zou zoo ondiplomatiek zijn er ook maar op te zinspelen, dat de aanval van dien kant komt! Terwijl wij terecht moeten staan voor hetgeen wij in verband met het Pacific-vraagstuk gezegd hebben, bevat het A.I.D. de Preangerbode van 6 October 1930 een beschouwing over het uitbreken van het Pacific-Conflict als een practisch-actueel vraagstuk en wel als hoofdartikel met den titel: ,,De Vlootwet", waarin gepleit wordt voor de aanname van de begrooting tot uitbreiding van de Nederlandsch-Indische vloot, om de neutraliteit te kunnen bewaren in den Pacific-oorlog, die onvermijdelijk zal uitbreken. Terwijl wij hier ons hebben te verantwoorden voor hetgeen wij in verband met deze kwestie gezegd hebben, publiceert de Javabode een artikelenserie van de hand van ,,Observer", die schrijft, dat de spanning in den ,,Pacific van dien aard is, dat de minste aanleiding voldoende is voor het doen uitbreken van den Pacific-oorlog. 5) Nogmaals vragen wij: Moeten wij veroordeeld worden indien ook wij deze kwestie bespreken, is het mogelijk, dat wij plotseling verspreiders van ,,logenachtige berichten tot verstoring van rust en orde worden, indien ook wij verkondigen de komst van den Pacific-oorlog die ook door R. Ratu Langi ook door de Preangerbode, ook door de Javabode verkondigd worden? Wat betreft het aanzetten tot opstand en staking, indien de oorlog zal zijn uitgebroken! Wij hebben nooit hiertoe aangezet. Wij hebben nooit direct noch indirect, bedekt noch onbedekt hierop gezinspeeld, of op welke handeling dan ook, die bij de wet verboden is. Wij hebben, zooals wij reeds eerder gezegd hebben, slechts aangespoord, opdat het volk spoedig een natie worde om krachtig genoeg te zijn dien invloed van den Pacific-oorlog (in de eerste plaats den economischen invloed) te weerstaan, een invloed, dien wij niet kunnen ontwijken, omdat wij aan den Pacific wonen! Meer dan tien getuigen hebben dit bevestigd, Edelachtbare Heeren! En bovendien, hoe is het mogelijk, dat wij zouden aansporen tot staking, waar wij niet te maken hebben met vakvereenigingen; hoe zou het mogelijk zijn, dat wij tot staking zouden hebben aangezet, waar ons standpunt t.o.v. staking duidelijk in het manifest van de P.N.I., gepubliceerd in de Bantang-Priangan, nummers 9 10, is uiteengezet en die wij U ter beschikking hebben gesteld? Hoe is het mogelijk, dat wij verkondigd zouden hebben, dat de Pacific-oorlog in 1930 of anders althans zeer spoedig zou uitbreken, en dat bij het uitbreken ervan wij onze vrijheid zouden veroveren, waar gebleken is, dat geen enkel lid van de P.N.I. in het bezit van wapenen is bevonden, welk soort wapen dan ook, om er den opstand mee te beginnen, dat er niet één geweer, niet één revolver, niet één zwaard is gevonden, waar dan ook?

 

Opzet, dat het Imperialisme is het gezag etc.

Maar de gezegden ,,vernietig het Imperialisme!", ,,vernietig het Kapitalisme!"; de gezegden, dat ,,het Imperialisme ons uitbuit", dat ,, het kapitalisme ons onderdrukt", zijn deze geen bewijzen ervoor, dat wij ons hebben vergrepen aan de art. 153bis en 169?
Wij antwoorden hierop: het is niet mogelijk, dat wij met opzet ons aan deze artikelen vergrepen. Wij hebben immers zooals meerdere getuigen voor U verklaard hebben, steeds opgevoed tot orde, steeds opgevoed tot geduld. Wij hebben immers steeds de leden, die de openbare orde in gevaar brachten, gestraft. Is het voor U waarschijnlijk, Edelachtbare Heeren Rechters, dat iemand, die onophoudelijk in de cursussen leert. ,,Houdt u ver van alle onverantwoordelijke daden!", en elk lid, dat de openbare orde in gevaar brengt, bedreigt met royement, leugenachtige berichten verspreidt omtrent komende gebeurtenissen in 1930, is het voor U waarschijnlijk dat zoo iemand plotseling een opzet heeft de openbare orde te verstoren, het gezag te ondermijnen, of andere ons in dit proces ten laste gelegde feiten? Zeer zeker, hebben wij gezegd: ,,vernietigt het imperialisme!", ,,vernietigt het kapitalisme!", zeer zeker hebben wij gezegd: ,,het imperialisme is een kwaad, het kapitalisme is een helsch product, het imperialisme brengt ons ten ondergang, het kapitalisme vernietigt het volk en dergelijke andere uitlatingen, maar is het mogelijk, dat wij met imperialisme zouden bedoelen het thans in Nederlandsch-Indië gevestigde gezag of de openbare orde, is het mogelijk dat wij met kapitalisme bedoelen de Nederlanders of andere vreemde volkeren? Het kapitalisme en imperialisme, Edelachtbare Heeren Rechters, zijn, zooals wij het in het begin van ons betoog reeds hebben uiteengezet, gestaafd met citaten van vele befaamde personen, het imperialisme en kapitalisme zijn niet de Nederlanders, noch de andere vreemdelingen, noch de Bestuursambtenaren, zij zijn geen lichaam of materie, het imperialisme en het kapitalisme zijn evenals alle woorden, die den uitgang ,,isme" hebben, begrippen, duiden een stelsel aan! Dit stelsel is het, dat schadelijk is, dit stelsel is het, dat ,,vernietigd moet worden", niet de vreemdelingen, niet de regeering, niet het gezag! Zouden wij zoo dom, zoo gek kunnen zijn, om te denken, dat het imperialisme - het gezag, het kapitalisme - vreemdelingen, wij, die op zijn minst toch academisch onderlegden genoemd kunnen worden? Zouden wij voor niets meer dan twintig jaar op de schoolbanken 6) gezeten hebben, meer dan tien jaar ons met sociale literatuur hebben bezig gehouden, gestudeerd hebben in sociale wetenschappen? Zouden wij niet weten het verschil tusschen imperialisme en kapitalisme eenerzijds en het gezag, de vreemdelingen anderzijds? En, Edelachtbare Heeren Rechters, in een van de producten, die de getuige Albreghs U getoond heeft, staat toch met zooveel woorden geschreven, dat wij een stelsel bestrijden en dat ,,wij niet de schuld geven aan Nederland en dat ,, niet alle Hollanders slecht zijn! In de aanteekeningen uit de leiderscursussen staat toch duidelijk geschreven, dat het imperialisme is een begrip, en in vele van de verklaringen van de getuigen is toch duidelijk vast te stellen, dat wij met dit woord imperialisme bedoelen een begrip, terwijl nog andere getuigen, zooals Doelhadi, Entjok, Soemarta, H. Mansoer, verklaard hebben, dat het woord imperialisme is afgeleid van het woord imperium, waaruit blijkt, dat wij, voordat wij zijn begonnen met het behandelen van het imperialisme eerst een zoo duidelijk mogelijken uitleg hebben gegeven van het begrip dat het aanduidt! En bovendien, is niet volgens onze politieke visie het ophouden van het vreemd gezag hier, nog geen garantie voor het ophouden van het imperialisme, d.w.z. dat na het ophouden van het vreemde gezag in Indonesia, het gedurende eenigen tijd nog tot operatieterrein van het vreemde kapitalisme zal dienen, dat er gedurende dien tijd nog vreemde suiker-, olie-, tabak e.a. belangen zullen blijven, zooals bijv. in China en Perzië , die beide onafhankelijk zijn en toch hard te lijden hebben van het vreemde imperialisme? Is volgens onze politieke visie niet de nationale regeering als dus het vreemde gezag er niet meer zal zijn behalve voor de nationale reconstructie, noodig als voorwaarde voor de bestrijding en de algeheele beëindiging van het imperialisme, zooals bijv. ook de socialisten de politieke macht beschouwen als een voorwaarde voor het beëindigen van het kapitalisme? Is dan volgens onze politieke visie niet duidelijk dat daarin imperialisme en gezag niet aan elkaar identiek zijn? Bovendien, hebben wij niet vaak in cursussen en openbare vergaderingen verklaard, dat het imperialisme in Indonesia internationaal is, d.w.z. dat wij sedert de opendeur-politiek ook nog het Amerikaansch, het Engelsch, het Japansch en andere imperialismen er bij hebben gekregen, het Nederlandsch imperialisme met een kapitaal van pl.m. f 4.000.000.000. en de andere vreemde imperialismen met een gezamenlijk kapitaal van pl.m. f 2.000.000.000. , terwijl toch het gezag in Indonesia alleen Nederlandsch is! Staat niet in de beginselverklaring van de P.N.I. met zooveel woorden geschreven, wat onder het imperialisme verstaan wordt, en dat het imperialisme internationaal is, een beginselverklaring, die wij hebben geschreven! Zijn wij niet gewoon bij het bespreken van het imperialisme in de cursussen of in de openbare vergaderingen een analyse daarvan te geven, een analyse in de vier vormen en deelen, die wij in het begin van ons betoog reeds genoemd hebben, en die ook in onze beginselverklaring staan beschreven, d.i. ten eerste in den vorm van het betrekken van levensmiddelen, ten tweede in den vorm van het betrekken van basisgrondstoffen voor de industrie in de vreemde landen, ten derde in den vorm van het gebruiken van Indonesia als afzetmarkt voor vreemde producten, ten vierde in den vorm van gebruiken van Indonesia als exploitatie-gebied voor het buitenlandsch surpluskapitaal. Wij vermelden de jaarlijksche opbrengsten van die kapitalen, d.w.z. van het in suiker belegde met een jaarlijksche opbrengst van pl.m. f 4.000.000.000. , van het in rubber belegde met pl.m. f 400.000.000. , van het in olie belegde met pl.m. f 150.000.000. enz., waaruit blijkt dat wat wij het imperialisme noemen niet is het gezag! Inderdaad, Edelachtbare Heeren Rechters, dat wij niet zouden weten het verschil tusschen imperialisme en het gezag, is ondenkbaar! Gij zoudt nog kunnen tegenwerpen: ,,Het is waar dat gij weet, dat het imperialisme niet is het gezag, dat het kapitalisme niet is de vreemdelingen, maar als gij zegt ,,vernietigt het imperialisme en het kapitalisme!", dan bedoelt gij het gezag en de vreemdelingen! Ook dit is onwaarschijnlijk, Edelachtbare Heeren Rechters! Immers wij verklaren aan elk nieuw lid, als wij hem de beginselen van de P.N.I. uitvoerig uiteenzetten, ook uitvoerig de beteekenis van de twee begrippen imperialisme en kapitalisme, hun vormen, eigenschappen en hun internationaal karakter, zooals wij daareven hebben uiteengezet. Wij geven immers speciale series cursussen over het imperialisme, series cursussen over hoe de kapitalisten van Europa een eigen stempel drukken op hun imperialisme in Azië , van het barbaarsche roof-imperialisme van Spanje van vroegere tijden tot het Nederlandsch monopolistisch-imperialisme in Indonesia, van het Engelsche half-monopolistische-imperi alisme in India tot het liberaal imperialisme van Amerika in de Philippijnen! Wij geven immers speciale cursussen over het kapitalisme, waarde-theorie, de kapitaalaccumalatie, over de kapitaalconcentratie, over de kapitaalcentralisatie, over de industrie ele reserve-armée enz.! Kortom, Edelachtbare Heeren, de woorden kapitalisme en imperialisme hebben wij zoo vaak reeds verklaard, dat het onwaarschijnlijk is, dat wij bij het gebruiken ervan in werkelijkheid het gezag en de vreemdelingen zouden bedoelen. Laat staan.... dat wij ooit gezegd kunnen hebben, dat het imperialisme = regent = wedana, tjimat (t), soldaat, dat wij ooit gezegd kunnen hebben dat het kapitalisme = vreemdelingen! Inderdaad, indien wij met het woord imperialisme bedoelden de Bestuursambtenaren of het gezag, ware het toch misschien het beste indien wij zeiden: imperialisme = gouverneur-generaal of het imperialisme = resident, Imperialisme = hoofdcommissaris van politie, enz! Neen, indien wij zeggen imperialisme, dan bedoelen wij ook imperialisme. Inderdaad zijn het kapitalisme en het imperialisme een kwaad, inderdaad moeten het kapitalisme en het imperialisme vernietigd worden, inderdaad hebben wij vijandschap gezworen aan het kapitalisme en het imperialisme. Wij wenschen een neiging of een stelsel te vernietigen, niet een gezag of een volk!

 

Radicale taal.

,,Maar waartoe dan die radicale taal!, waartoe het gebruik van de woorden ,,vernietig enz. of van de termen ,,onderdrukt , ,,brengt ons onder enz., indien zij niet dienden tot ophitsing om de openbare orde en rust te verstoren? zult gij vragen.
Zeker, Edelachtbare Heeren Rechters, gebruiken wij radicale taal. Onze taal is niet die van oude mannen, die reeds flauw vallen bij het hooren van het woord Vrijheid, onze redevoeringen zijn niet de preeken van de geestelijken in de kerken of van de djoeroe-chotbah (voorspreker) in de mesdjid. Wij zijn revolutionnair-nationalisten, radicale nationalisten, buffelkop-nationalisten. Onze taal is een uiting van onze vlammende nationale ziel, vlammend van verontwaardigng en vertwijfeling over het ongeluk en de ellende van ons volk. Wie zou niet treurig en bitter zijn, wie zou niet in vertwijfeling komen, indien hij het ongeluk en de ellende van het volk kent, zooals wijhet hierboven geschilderd hebben! Zooals de taal van haast alle leiders van ongelukkigen, van hen die in ellende verkeeren, zooals de taal van alle leiders van onderdrukten en uitgebuiten, van hen wier hart is vevuld met smart en vertwijfeling, zooals de taal van alle revolutionnairen en radicalen, wier innerlijk in vlam staat, vol radicale en bittere gezegden is, zoo is ook onze taal radicale en bittere taal, vol van schilderingen, voorbeelden, grepen uit de geschiedenis, die evenzeer in het teeken van de vlam en de kracht staan. Maar in geen van onze redevoeringen is onze taal bedoeld als opzet tot het zich vergrijpen aan art. 153bis, of het doen van misdrijven genoemd in 169! Indien Mr. Pieter Jelles Troelstra in het vuur van zijn rede uitroept, dat wij onzen knuppel moeten laten neerkomen op den troon van het kapitalisme; wanneer Jean Jaurès zijn hoorders onder den indruk brengt door zijn woorden: ,, deze ellende is thans ontwaakt en eischt zijn plaats onder de zon met het blanke lemmet vastomklemd in de hand ; wanneer leiders van het proletariaat laten hooren ,, voorwaarts ten strijde om het kapitalisme te vernietigen, voorwaarts ten strijde tegen de machthebbers ; indien wij in het parlement of op meetings, van welke partij dan ook, zoo vaak hooren: ,,sluit de rijen aaneen", ,,bestormt de vestingen van den vijand", ,,scherpt uw wapen zoo scherp mogelijk om onze verraders geheel uit te roeien ; indien Pastoor Van Lith hier het Indonesische volk toeroept: ,,....Laat hen misbruik maken van hun macht, indien zij dit verkiezen, gij zult groeien tegen de verdrukking, als staal gehard worden door het vuur, krachten winnen door zelfverweer, de krijgskracht leeren van Uw vijand, en reuzensterk door de kracht van het getal aaneengesmeed door volhardend samenwerken en samenvechten, ten slotte toch als overwinnaar uit den kamp te voorschijn komen , 7) wanneer wij dergelijke woorden hooren, denken wij dan dadelijk aan een werkelijken knuppel, aan een werkelijken troon, aan een werkelijk mes, aan een werkelijken oorlog, aan zwaard, aan bom, dynamiet, kanonnen, soldaten, bloed enz.?, zou dan den opzet van die leiders zijn het verstoren van de openbare orde en rust of het omverwerpen van het gezag of het plegen van een misdrijf welke door de wetten der betrokken landen verboden zijn? Indien Prof. Boeke zegt, dat de ,,Javaansche boer in zeer groote ellende leeft , indien Dr. Huender schrijft dat de toestanden hier het volk hebben gemaakt tot minimumlijdster, indien Van Kol zijn protest tegen het bestaan van ,,de drainage , die ons land maakt tot een ,,tot zijn merg uitgezogen volk laat hooren; indien Mr. Brooshooft zegt: ,,wij duwen den inlander in den afgrond, wij drijven hem in denzelfden poel van ellende, die in de Westersche maatschappij millioenen tot aan den hals houdt omsloten , en zegt dat hier is: ,,een uitbuiting van den man die niets heeft dan zijn arbeid door den bezitter van het kapitaal, d.i. van de macht . Zouden zij dan den opzet hebben van ophitsing tot het overtreden van de wet? Neen, Edelachtbare Heeren Rechters, zij hebben dezen opzet niet; zij s chrijven of spreken slechts met heftige woorden in hun redevoeringen, zij schrijven of spreken slechts met hun oratorisch talent, in opstellen en redevoeringen vol welsprekendheid en vol van schilderingen, beelden, die indruk maken. Zoo ook wij, waar wij vol vuur uitroepen: ,,vernietigt het imperialisme!", ,, bestrijdt het kapitalisme-imperialisme, dat ons uitzuigt, met al de krachten, die wij nog in ons hebben; ook wij hebben geen oogenblik den opzet gehad de openbare orde te bedreigen, het gezag omver te wer pen, of het plegen van welk misdrijf dan ook, dat door de wetten hier is verboden! Wij voeden integendeel steeds op tot orde en het eerbiedigen der orde, zooals door meerdere getuigen is bevestigd. Wij bedreigen zelfs onze leden met royement en passen het royement ook toe op leden die de orde in gevaar brengen! Inderdaad, Edelachtbare Heeren Rechters, hoe zou het mogelijk zijn, dat wij opzettelijk handelingen bedreven of met opzet bedoelingen hadden, zooals ons ten laste worden gelegd; hoe is het mogelijk, dat wij ons schuldig zouden hebben gemaakt aan het strafbaar gestelde bij de artikelen 153bis of 169, waar wij in de besloten en geheime leiders- cursussen zelfs overgingen tot het geven van een anti-revolutie-, een anti-putsch-theorie en de leiders opvoedden tot menschen, die de orde en de rust respecteeren; hoe is het mogelijk, dat wij, waar wij in deze geheime leiderscursussen, zonder bevreesd te behoeven zijn voor het oor van den politiespion! steeds die leiders opvoeden tot het betreden van den wettelijken weg, opdat onze machtsvorming ongehinderd kon plaats hebben en een zoo groot mogelijke macht kon baren, zooals immers door de vele leiders die U gehoord heeft getuigd is. Indien wij inderdaad zoozeer verzot waren op het verstoren van de openbare orde, indien wij werkelijk zoozeer verzot waren op het schenden van het gezag, indien wij inderdaad de bedoeling hadden het plegen van misdrijven, die ons met art. 169 ten laste worden gelegd, dan zou hier in deze leiderscursus de plaats zijn om onderricht te geven aan de subleiders, opdat die subleiders bij hun propaganda in kampongs en dessa s dit ,,vergif van ons overal zouden kunnen brengen, opdat ,,het gezag geschonden , de misdrijven genoemd in artikel 169 gepleegd werden! En wat is gebleken? Gebleken is het tegendeel, gebleken is, dat wij in ons ,,nest", in de leiderscursus niet vergif hebben geproduceerd en gebroed, maar dingen die, zij het ook bitter voor de imperialisten, geheel wettig zijn!

Zeker, wij twijfelen er niet aan,.... de eieren die wij hier in de leiderscursussen en in de gewone cursussen gelegd hebben, zijn zeer bitter voor hen, die belang hebben bij het voortbestaan van de tegenwoordige toestanden! Wij hebben het tevoren ook niet geheim gehouden, dat de P.N.I. nastreeft het ordenen va n een nationalistische machts-organisatie, een machtsreus die zich bewust is van zijn kracht, een raksasa maha-shakti met de eigenschappen van Krishna Tiwikrama (u) Wij verklaren openlijk dat de P.N.I. slechts gelooft aan een dergelijke macht, tot het verkrijgen van concessies en verbeteringen in onze samenleving, die beheerscht wordt door de belangentegenstelling! Maar wij hebben ook reeds uiteengezet, dat deze machtsvorming en deze macht niet te maken heeft met bom of dynamiet, ook niet met misdrijven die verboden zijn bij artikel 153bis of 169 van het wetboek van strafrecht.
Nogmaals: het ei van de P.N.I. is een zeer bitter ei voor de imperialisten; en inderdaad vergeten de imperialisten niet ons in hun dagbladen verdacht te maken en dag in dag uit op ons te schelden, evenals in hun vergaderingen, en eischen zij onophoudelijk onze veroordeeling of onze verbanning, het verbieden van de P.N.I.-actie, er hoeft echter geen twijfel aan te bestaan, dat die P.N.I.-actie wettig is! Daarom, Edelachtbare Heeren Rechters, komen wij terug op de vraag: is het waarschijnlijk, dat wij den opzet hebben, bedoeld bij artikel 153bis, of dat wij ons hebben vergrepen aan artikel 169, wij, die getuige de verklaringen van vele getuigen, steeds hebben opgevoed tot orde; wij, die steeds ervoor hebben gewaarschuwd om niet in te gaan op een provocatie; wij, die de geruchten omtrent de zoogenaamde gebeurtenissen in 1930 heben ontkend; wij, die elk lid, dat de orde in gevaar brengt met royement bedreigen en die bedreigingen ook inderdaad uitvoeren, indien dit niet wordt nageleefd; wij, die blijkens de verklaringen van de zes subleiders in de leidercursus vaak hebben geleerd de orde hoog te hou- den, opdat onze machtsvorming ongehinderd plaats kan hebben, en anti-revolutie, anti-putsch, anti-geweld-theorieën leeren.

 


Waarvoor speciaal tot orde opgevoed wordt.

Zijn deze dingen nog niet voldoende om U, Edelachtbare Heeren Rechters van onzen onschuld t e overtuigen? Rijst misschien nog de vraag bij U, waarvoor wij dan speciaal opleiden tot orde, waarvoor wij speciaal opleiden tot anti-geweld, indien niet de orde inderdaad bedreigd wordt, en wij bang zijn voor de vruchten van onze eigen propaganda?
Edelachtbare Heeren Rechters, een dergelijke veronderstelling is niet juist. Weet, dat de P.N.I. leeft in een tijdperk, waarin de Indonesische lucht inderdaad vervuld is van het volksgeloof in ,,komende gebeurtenissen in 1930; waarin de herinnering van het volk aan de methoden van de P.K.I. en de Sarekat Rajat, die nog niet zoo heel lang zijn begraven, nog niet geheel verdwenen zijn; in een tijdperk, waarin de reactie niets onbeproefd laat om de P.N.I. ten ondergang te brengen door allerlei gemeene en lage provocaties! In zulk een tijdperk moet de P.N.I., die ook inderdaad een partij van orde is, en de vrede en de orde hooghoudt, meer nog dan anders den zin voor orde in de hoofden, harten en ge-beenten van het Indonesische volk inplanten. Want, behalve dat de P.N.I. inderdaad niet de openbare orde verstoren wil, wenscht zij, zooals reeds tevoren uiteengezet is, niet het kind van de rekening te worden indien er wat gebeurt buiten haar om! Immers de P.N.I. is reeds sedert haar geboorte door de reactie bestempeld als het zwarte schaap, de zondebok, die slechts kwaad kan veroorzaken. Informeert U maar eens bij Mr. Wormser, Edelachtbare Hecren rechters, die U dit zeker bevestigen zal....

 


De openbare vergaderingen te Pekalongan, Solo e.a.

Zijn deze dingen nog niet voldoende om onzen onschuld te bewijzen, Edelachtbare Heeren Rechters? Welnu, wilt U dan bij Datoek Toemengoeng, van het kantoor van Inlandsche zaken, informeeren of wij in een openbare vergadering van de P.N.I. te Pekalongan niet verklaard hebben, dat de P.N.I. slechts den ordelijken weg zou betreden. Gelieve dan te lezen het verslag van de P.P.P.K.I. openbare vergadering te Solo, kort voordat wij in hechtenis werden genomen, welke vergadering ook werd bijgewoond door de heeren Gobé e en Van der Plas van hetzelfde kantoor; wilt dan het verslag daarvan in de Locomotief van 28 December 1929 lezen, waarin gezegd wordt, dat wij de vroegere opstanden veroordeelen met de volgende woorden: ,, De vroegere pogingen tot verwerkelijking van de ,,revolutie in Sumatra, Atjeh, Borneo, Celebes etc. zijn alle symptomen van ellende onder de tani s, die actie voeren tot verbetering van hun lot. We moeten nu andere wegen inslaan om een duurzame verbetering te bereiken. Wilt het verslag hiervan in het dagblad Bintang Timoer van 30 December 1929 lezen, waarin geschreven staat, dat wij gezegd hebben: ,, De vroegere opstanden op Sumatra, Java, Celebes, Borneo e.a. zijn alle veroorzaakt, doordat de toestanden waar- onder het volk leeft zeer slecht zijn en het volk in beweging komt om zijn lot te verbeteren......
,,Wij wenschen nu dezen weg niet te nemen. Wij voeren nu een wettelijke actie om lotsverbetering voor het geheele volk te verkrijgen . En indien U dit nog niet genoeg is, wilt dan U wenden voor de juistheid van deze verslagen tot de heeren Gob ée en Van der Plas, of tot welken vertegenwoordiger van de regeering dan ook, die bij deze vergadering van de P.P.P.K.I. aanwezig is geweest! Inderdaad duidelijker kan niet blijken, dat het onwaarschijnlijk, ja onmogelijk is, dat wij schuldig kunnen zijn aan het ons ten laste gelegde in dit proces, wij die zoovele bewijzen hebben gegeven, dat wij steeds opgevoed hebben tot orde!

 


Mr. Kiewiet de Jonge.

Is het mogelijk, dat U, Edelachtbare Heeren Rechters, nog niet overtuigd zijt? Zoudt U nog kunnen twijfelen, indien U zich herinnert, dat wij in de maand December van het afgeloopen jaar een onderhoud hadden met den regeeringsgemachtigde Mr. Ir. Kiewiet de Jonge, waarbij wij hem verzochten om voor ons vergunning te vragen bij den resident van Midden-Priangan tot het houden van openbare vergaderingen, om voor de gansche wereld de berichten omtrent 30 voor leugens uit te maken, en het volk te leeren, vooral hen, die nog niet tot de P.N.I. zijn toegetreden, rustig te blijven en de orde hoog te houden?
Vergunning tot het houden van openbare vergaderingen? Ja, Edelachtbare Heeren Rechters, vergunning tot het houden van openbare vergaderingen, echter niet tot het houden van gewone openbare vergaderingen, maar openbare vergaderingen, waar wij die geruchten zouden bestrijden, en waar wij de theorie van de massa-actie, die de P.N.I. bedoelt, bekend zouden maken! Want, zooals wij reeds in het verhoor verklaard hebben, de resident van Midden-Priangan twijfelde aan hetgeen Saudara Gatot Mangkoepradja op een openbare vergadering gezegd heeft, n.l. dat de P.N.I. de vrijheid nastreeft zonder één druppel bloed te willen vergieten. Eens heeft de heer Kuneman ons gewaarschuwd, dat elke redevoering waarin het woord bloed voorkomt, al ware het het verbieden van bloedvergieten, door de politie zou worden aangemaand of geheel gestopt! Inderdaad, Edelachtbare Heeren Rechters, tot op den dag van heden begrijpen wij nog steeds niet, wat voor kwaad er in steekt om bloedvergieten te verbieden, inderdaad tot op den dag van heden is het verkeerde van de liefde voor menschenbloed nog een raadsel voor ons! Maar hoe het ook zij, wij hebben in de maand December gemeend, dat het zeer noodig was om het volk orde en rust te leeren. Niet in de eerste plaats het volk dat in de P.N.I. is georganiseerd, Edelachtbare Heeren Rechters, dit gedeelte is genoeg opgeleid in de besloten cursussen! Maar aan het volk buiten de P.N .I., het ongeorganiseerde volk, dat nog in duisternis leeft; aan het nog domme volk, dat gemakkelijk misleid kan w orden, door de provocateurs, dat gemakkelijk misleid wordt door een ,,Sarekat-Hedjo of een ,,Pamitran of andere misdadige vereenigingen. Tot dit volk buiten de P.N.I. wenschten wij het woord te richten. Voor hem wenschten wij de openbare vergaderingen, slechts in die openbare vergaderingen zouden wij tot hem kunnen spreken en hem opleiden! Deze opvoeding was toen zeer noodig, omdat hoe meer 1930 naderde, hoe meer die geruchten ,,insloegen , hoe ijveriger ook de agents-provocateurs in de weer waren om het volk dat nog niet in de P.N.I. georganiseerd was te misleiden, hoe meer de Pamitran-menschen het hoofd opstaken, hoe grooter het aantal menschen van de desapolitie werd, dat bevangen was met de ziekte ,,er is iets op til , kortom, met het naderen van 1930 g roeide de onrust buiten de rijen der P.N.I. De P.N.I, meende, dat het zeer noodig was om mee te werken tot het doen terugkeeren van de rust. De P.N.I. wenscht de onrust bij het volk niet En bovendien weet de P.N.I., zooals wij het reeds eerder gezegd heb ben, dat: indien er iets buiten de P.N.I. om zou gebeuren, zij toch het eerst de verdenking zou krijgen, zij het kind van de rekening wordt! Wij hebben aldus de bemiddeling van Mr. Ir. Kiewit de Jonge hiervoor aangevraagd. Mr. Ir. Kiewiet de Jonge zocht den heer Kuneman op en berichtte ons toen schriftelijk, dat wij ons persoonlijk moesten vervoegen bij den heer Kuneman en wel na onzen terugkeer van het congres en na onze tournée door Midden-Java. Echter, Edelachtbare Heeren Rechters,!.... de tournée was nog niet beë indigd, wij waren nog niet terug te Bandoeng, op den 29sten December werden wij te Mataram reeds vastgegrepen, in het bureau van politie gebracht en achter slot en grendel geworpen, en gehouden tot op den dag van heden! .... Dit is echter ten e enenmale het lot van een leider en wij dragen het met de gedachte, dat dit is ten behoeve van Iboe (moeder) Indonesia, maar wij vragen U, Edelachtbare Heeren Rechters, die het Recht dienen en het hebben hoog te houden: Is het waar-schijnlijk, dat wij, die een dergelijk verzoek tot den heer Kiewiet de Jonge hebben gericht, schuldig kunnen zijn aan de ons in dit proces ten laste gelegde feiten? Is het waarschijnlijk, is het mogelijk, dat wij, die overal openbare vergaderingen wilden houden om het volk deze o rde te leeren, den opzet zouden hebben die orde te verstoren, welke door de artikelen 153bis en 169 beschermd worden?

De verslagen der spionnen.
Het verzoek om intelligente en intellectueele spionnen.

Inderdaad kwamen bij de politie ,,ijzingwekkende berichten binnen van spionnen. De politie ontving vaak ,,sensationeele verslagen van haar rechercheurs, de politie zelf stuurde bij het parket vaak ,,ijzingwekkende verslagen in. Echter spionnenmoraal is nu eenmaal spionnen-moraal! Spionnen hebben nu eenmaal de eigenschap hun verslagen te bewerken tot iets ,,sensationeels , of iets ,,waardevols en ,,belangrijks , ten koste van de waarheid, en welk een kennis en een ontwikkeling hebben deze heeren spionnen!
Wij weten van het bestaan van politiek-politioneele overzichten, waarin wij stakingsopruier bij de posterijen worden genoemd, terwijl wij in werkelijkheid slechts bespraken het recht tot staken in elk beschaafd land en de intrekking van artikel 161bis wetboek van strafrecht wenschen. Wij weten van het bes taan van een politiek-politioneel-overzicht waarin staat, dat wij den steun van Japan voorspelden, terwijl een ieder weet, dat er misschien geen Indonesier is, die meer gekant is tegen Japan dan wij. Wij weten ook van het bestaan van een politiek-politioneel-overzicht, dat met een ,,stalen gezicht meldt, dat Mr. Iskaq op een P.N.I.-vergadering te Malang heeft gesproken, terwijl Mr. Iskaq nog nooit voor politieke zaken, ja misschien zelfs gedurende zijn geheele leven nog nooit in Malang is geweest!!.... Inderdaad, Edelachtbare Heeren Rechters, dit alles is ,,sensationeel , alles om van te ,,griezelen , maar dit alles is ook ,,tragisch ! Tragisch, zeer tragisch is het, zooals gebleken is in het afgeloopen jaar, toen deze ,,uiterst gewichtige en belangrijke verslagen meldden, dat de P.N.I. op 1 Januari 1930 revolutie zou maken, revolutie, die ten slotte ineenkromp tot een strafzaak nu, in dit proces! Verwondert het U Edelachtbare Heeren, dat bijv. zelfs Mr. Van Helsdingen in den Volksraad moest vragen om:

,,een scherper toezicht op de spionnen, die onrustwekkende onjuiste berichten aanbrengen, desnoods door onverbiddelijk zulke lieden te ontslaan?" 8)

Verwondert het U Edelachtbare Heeren, dat wij, die weten welk gevaar ons dreigt van kwaadwillende of domme spionnen, eens tot Mr. Ir. Kiewiet de Jonge het verzoek hebben gericht, aan de regeering om meer intellectueele spionnnen te vragen, die in staat zijn om redevoeringen te begrijpen, opdat de verslagen aan en van de politie niet meer zoo verwarringwekkend zullen zijn? Maar heeft U aan den anderen kant hiermee niet nog een aanwijzing voor de onwaarschijnlijkheid, dat wij schuldig kunnen zijn aan het ons ten laste gelegde in dit proces, wij die verzocht hebben om meer intelligente en intellectueele spionnen, opdat onze actie en onze cursussen behoorlijk zouden kunnen worden nagegaan, cursussen en een actie immers, die nooit één enkele reden hadden om niet open te kunnen zijn!

Er zijn misschien menschen, die er zich over verwonderen, dat een leider van een revolutionnaire partij en een non-coöperator besprekingen houdt met een regeeringsvertegenwoordiger. Slechts uiterlijk echter lijkt dit in strijd met onze beginselen, in wezen worden hierdoor onze beginselen niet geschonden: Onze samenkomst met den regeeringsvertegenwoor diger is niet voortgesproten uit onzen wensch om samen te werken, maar uit het feit dat de actie van de P.N.I. en de non-coöperatie van de P.N.I. niet is een actie of een non-coöperation a la nihilisme, maar een openlijke non-coöperatie! Wij strijden openlijk met de oprechtheid van een ksatrya(c), met open vizier! En omdat wij met open vizier strijden, omdat wij in onze actie niets te verbergen hebben, vreezen wij ook de rechercheurs en de andere spionnen niet, indien slechts die spionnen intelligent genoeg zijn om hetgeen zij hooren ook te begrijpen!

Moge de Edelachtbare Heeren nu, na hetgeen wij hier uiteengezet hebben van onzen onschuld overtuigd zijn!
 
 
 

1) Partij.
2) Vert.: De onrust en de Ramelan, 1930. Ramelan - de Mohammedaansche vastenmaand: 9e maand van het Mohammedaansche jaar. (noot v. d. vert)
3) Verg. Reinhard: ,,Imperialistische Politik im fernen Osten', pag, 211.
4) Ernst Reinhard: ,,Die imperialistische Politik im fernen Osten , pag. 224.
5) Zie ,,Java:Bode , 3 December 1930.
6) Wij hebben eerst de desaschool moeten bezoeken.
7) Past. v. Lith: De politiek van Nederland t.o.v. Nederlandsch-Indië, pag. 32.
8) Zie verslag A.I.D., 16 Juli 1930.


[terug] [Weduwe van IndiŽ] [top]