Inleiding.


Edelachtbare Heeren Rechters,

    Toen wij op den 16den Juni 1930 uit de dagbladen kennis namen van de openingsrede van den Gouverneur-Generaal in den Volksraad, waarin o.a. de verklaring voorkwam, dat wij voor den rechter zouden worden gebracht, begrepen wij, dat hieruit een geruchtmakend proces zou voortkomen.

Immers, sedert 28 December 1929, den dag waarop de invallen en de arrestaties zijn gehouden, die de Indonesische samenleving in hevige beroering brachten, is, tot op heden, de politieke atmosfeer van dit gebeuren vervuld gebleven.

De belangstelling betrof niet onze personen, maar gold de beteekenis van dit proces, dat immers gericht is tegen een beweging, die sedert haar geboorte steeds in het middelpunt van de belangstelling heeft gestaan, zoowel van vriend als vijand. De belangstelling en de opschudding die verwekt zijn, overtreffen die voor het beruchte proces tegen afdeeling B (a) en die voor de processen tegen de P.K.I. (b), zij hebben zelfs hun gelijke niet in de geheele geschiedenis van de Indonesische beweging. De oorzaak hiervan kan geen andere zijn dan dat dit proces gericht is tegen een beweging die volgens de woorden van Middendorp is ,,vleesch van het vleesch en bloed van het bloed der geheele Nationalistische beweging in Indonesia".

Het zou overbodig zijn nog te vermelden dat dit proces is een politiek proces. Uit den aard der zaak is het niet mogelijk bij het onderzoek die politieke gedachten, die aan de beginselen van de beweging, waartoe ook wij behooren, ten grondslag liggen, te scheiden van die welke de kern van ons denken, de drijfveer van ons handelen vormen. Het is in dit onderzoek zelfs noodzakelijk in de gerechtszaal politieke problemen te betrekken, opdat U, Heeren Rechters alle beginselen en het karakter van onze beweging zult mogen begrijpen, opdat U al onze gedachten zult begrijpen, opdat U alle oorzaken, alle bedoelingen van ons handelen, van onze gezegden zult begrijpen, die nu het object vormen van Uw onderzoek.

Edelachtbare Heeren Rechters, wij twijfelen er niet aan, wij vertrouwen erop, dat U, welke politieke overtuiging U ook moge hebben, bij dit onderzoek neutraal zult staan. Het is daarom dat wij alleen maar onze schouders kunnen ophalen voor de wijze waarop verschillende Hollandsche dagbladen, als b.v. de A.I.D., Preangerbode en vele anderen, die ons vijandig gezind zijn, U trachten te beïnvloeden, door b.v. als van-zelf-sprekend voor te stellen, dat er ,,natuurlijk van ,,vrijspraak geen sprake kan zijn". Op deze wijze geven zich deze bladen bloot. Ze toonen, welke moraal zij er op na houden.

De rechter in een politiek proces.

Wij weten niets van Uw politieke inzichten af, het is ook niet noodig dat wij dat weten. Maar wij vertrouwen erop dat Heeren rechters de waarschuwing van Mr. Dr. Schumann, dat:

"het zoo verleidelijk is om, in den opruier tevens te straffen den tegenstander op politiek gebied." 1) voor U overbodig zal zijn en dat de woorden van Prof. Molengraaff, die aldus luiden: ,,aan de zijde waar onze sympathie is, door ons allicht ook het recht wordt gevonden" 1) voor U evengoed overbodig zijn, ofschoon U waarschijnlijk, zooals Mr. van Houten het zegt behoort tot hen die: ,,ook menschen zijnde, niet altijd staan buiten een conflict". 1)
maar: ,,midden in de politieke beweging staan" en ,,een werkzaam aandeel in elken strijd nemen".

Wij herhalen het nog eens: Wij vertrouwen erop dat U, Heeren Rechters, de neutraliteit zult betrachten. En indien wij U onze politieke overtuiging uiteen zetten, indien wij straks de aard en de beginselender P.N.I. tot in den breede verklaren en al onze inzichten of onzegedachten aan U voorzetten, indien wij straks in deze gerechtszaal de politiek zullen betrekken, dan is het niet omdat wij propaganda willen maken voor onze politieke overtuiging, maar opdat U, Heeren Rechters, zult leeren kennen de beginselen, den aard en de actie der P.N.I., opdat U onze politieke inzichten zult kunnen beoordeelen, begrijpen en dus ook de bedoeling en de beteekenis van al onze gezegden en handelingen, welke U, Heeren, hier in dit proces zult onderzoeken. Dit en dit alleen is het doel van deze rede van ons.

Het juridische gedeelte van de verdediging zal worden verzorgd door onze verdedigers, Mr. Sastromoeljono cs.

Edelachtbare Heeren, wij worden beschuldigd van dingen welke zeer gemakkelijk aanleiding zouden kunnen geven tot een subjectief oordeel, dus een niet-neutraal oordeel. Wij worden aangeklaagd ons te hebben schuldig gemaakt aan de strafbare feiten welke in de acte van beschuldiging ,,opstand" genoemd worden en onder art. 169, art. 161bis en art. 171 W.v.S. vallen. Wij worden aangeklaagd ons te hebben schuldig gemaakt aan feiten, die in het W.v.S. behandeld worden op een wijze die ruimte open laat voor subjectiviteit. Subjectiviteit kan er bestaan bij de interpretatie van wat er onder ,,onbedekt of bedekt", wat onder ,,voorwaardelijk", wat onder ,,bedekte termen", wat onder ,,openbare orde", wat onder ,,vergrijp", wat onder ,,ophitsen en aanzetten", wat onder ,,leugenachtige berichten", wat onder ,,economie en maatschappij" en dergelijke verstaan wordt. Vooral de artikelen 161bis en 153bis geven zeer gemakkelijk aanleiding tot een subjectief oordeel. Wij, politici van Indonesia, hebben sedert de creëering van deze artikelen niet opgehouden hiertegen te protesteeren en onze critiek te laten hooren. Wij beschouwen deze artikelen als een zeer groote belemmering voor het uitoefenen van het vereenigings- en vergaderingsrecht. Deze haatzaai-artikelen, deze ,,Digoel-rechten" beperken immers de vergader-rechten ten zeerste. Deze ,,haatzaai-artikelen" zijn berucht geworden als: ,,allerergerlijkst-elastieke bepalingen". Mendels noemde bij de algemeene beschouwing van de Indische begrooting in 1926 artikel 153bis: ,,een horribel strafwetartikel", dat hij in de laatste jaren nog niet had ontmoet. Hij zei: ,,maar laat men dan niet meer spreken van een rechtstoestand". Hij zeide: ,,het is de zuivere rechteloosheid", het is: ,,de terreur met de wet in de hand".

Edelachtbare Heeren, wij hopen en vertrouwen erop, dat in Uw handen dit artikel niet willekeurig gehanteerd zal worden.

En toch, met betrekking tot de elasticiteit van deze artikelen, met het oog op, zooals Prof. Simons zeide: ,,de vraag in hoeverre en op welke wijze het strafrecht rekening moet houden met de overtuiging van den dader" 1), of zooals Mr. Dr. Schumann zegt: ,,het feit dat de rechter rekening houden moet met de verschillende omstandigheden, .... met de meerdere of mindere welvaart der bevolking, met de meerdere of mindere provocatie", 1) is het noodzakelijk dat wij U alle bestanddeelen van onze politieke overtuiging uiteenzetten voorzoover het noodig is en alles wat met de P.N.I.-actie in verband staat, opdat U, Edelachtbare Heeren, gemakkelijk zult kunnen begrijpen, dat noch de P.N.I., noch wij schuldig zijn aan de ons ten laste gelegde feiten.Wij bieden U onze verontschuldiging aan, Edelachtbare Heeren Rechters, voor het feit, dat wij gedurende uren Uw aandacht vragen en dat wij vele aanhalingen uit verschillende boeken zullen gebruiken. Want deze verwijzingen zijn noodzakelijk om U te bewijzen, dat hetgeen wij zullen zeggen, vooral datgene, wat onaangenaam is om te hooren, geen verzinselen van ons zijn, maar steunen op de wetenschap van geleerde en eerlijke menschen. Op een vraag van den Voorzitter bij het verhoor hebben wij geantwoord, dat wij, hoe objectief wij er ook tegenover staan, in ons land en volk tegenwoordig veel meer zwarte zijden zien dan lichte. Wij zijn bekend als menschen, die klaar staan met hun critiek op het lot van land en volk. Inderdaad hebben wij vaak critiek erop uitgeoefend. Maar nooit valsche critiek. Steeds hebben wij de eerlijkheid en de waarheid betracht. Onze oprechtheid zal door die aanhalingen bekrachtigd worden en bewezen door enkele duidelijke getallen.

Na aldus U onze verontschuldigingen te hebben aangeboden, vangen wij onze eigenlijke rede aan.

1) Bij Duys, pleidooi Indonesische studenten.


[terug] [Weduwe van Indië] [top]