Uit Ewald Vanvugt, Nestbevuilers
Zie ook Vanvugt, Nieuw Zwartboek van Nederland overzee (uitg. Aspekt 2011).


David Pietersz. de Vries. Gravure van Cornelis Visscher uit 1653

David Pietersz De Vries

(1593-1655)

 

 

De eerste Europese tekenaar van de Indianen

David Pietersz de Vries heeft als een van de allereersten de kusten van Amerika verkend. Al in juli 1613, twintig jaar oud, kwam hij als kapitein van zijn eigen schip en vrije handelaar uit de Nieuwe Wereld terug in Amsterdam. In 1597 was door de regering in Den Haag aan een consortium van Zeeuwse en Amsterdamse reders octrooi verleend voor de vaart op Noord-Amerika. Eerst werd alleen gezeild voor de kabeljauwvangst; na een paar jaar kwam de lucratieve bonthandel met de kustbewoners erbij. De Engelsman Huds on zocht in dienst van de Oost-Indische Compagnie via het noordwesten een vaarroute naar Java en hij ontdekte in 1609 de `Groote Rivier' (die later zijn naam kreeg). Vier Amsterdamse reders richtten in 1614 een Compagnie van Nieuw-Nederland op, die van de regering het alleenrecht kocht voor vier jaar handelsvaart op Noord-Amerika. Het octrooigebied was afgebakend tussen 40 en 45 graden noorderbreedte: dat is vanaf even ten zuiden van de Hudsonmond tot in Canada. Door de `Oost-Rivier', achter `Lange-Eilant', lag het eiland Manhattan, al snel door de Hollanders in gebruik genomen als stapelplaats van vrachten en voorraden. Op Manhattan werd Nieuw-Amsterdam gesticht. Ongeveer vijftig kilometer stroomopwaarts werd de eerste handelspost gebouwd, traditiegetrouw Fort Nassau genoemd. Het was niet moeilijk met de plaatselijke mensen vriendschaps- en handelsverdragen te sluiten, aanvankelijk was de bonthandel profijtelijk voor beide partijen. De Indianen voerden de kostbare pelzen aan vanuit ver in het noorden. In het zuiden werd de ook door Hudson ontdekte `Zuid-Rivier' (Delaware) verder verkend.

Bij de oprichting van de West-Indische Compagnie (in 1621) kwam ook dit gebied onder haar octrooi; bijna uitsluitend Amsterdamse reders voeren erheen. Twee jaar later besloot de bevelhebber, directeur-generaal Pierre Minuit, alle kolonisten bij het Fort Amsterdam op Manhattan bijeen te brengen. In de zomer van 1626 kocht Minuit zoals welbekend voor `snuysterijen' (de befaamde `kralen en spiegeltjes' uit menig reisverhaal) ter waarde van zestig gulden Manhattan van de Indianen. Enkele jaren later werden ook Lange-Eiland en Staten-Eiland van de Indianen `gekocht'.

Om de Indianen uit haar nieuwe bezittingen te verdrijven en het land te bevolken met Europeanen greep de WIC naar een middel dat al eerder door koloniserende Zeeuwen in Suriname was toegepast. Thuis gesloten contracten met particuliere ondernemers, de zogenoemde `privilegiën' en `exemptiën', zouden vanaf 1629 het risico op privé-kapitaal afwentelen. De ondernemers of `patroons' werden als een soort leenheren van de Compagnie beschouwd: zij mochten zelf een gebied uitkiezen, dat zij van de Indianen moesten `kopen'. De frontbreedte aan de kust of de rivier zou vier mijl bedragen, maar voor de diepte landinwaarts werd geen grens gesteld. Elke patroon beloofde binnen vier jaar vijftig Europese kolonisten in te voeren. Hij kreeg het recht steden te stichten en daar de rechtspraak te regelen. Hij uitsluitend mocht jacht, visserij, maalderij en andere onmisbare beroepen uitoefenen.

Het vernuftige stelsel berustte op landroof: door de noodzaak voor de patroons om winst te maken is Nieuw-Nederland vanaf het begin een wingewest geweest. Alle controle op de administratie van het WIC-opperhoofd ter plaatse ontbrak en vanaf het begin kwamen onder de autoriteiten veel `eigenbaatzoekers' voor. Met Minuit voorop vulden zij onbeschaamd hun familiefortuinen aan, vooral met de privé-winsten in de bonthandel en het smeergeld bij de uitgifte van patroonslanden.

David Pietersz de Vries heeft als vrije ondernemer op zijn tochten over de zeven zeeën vaak overhoop gelegen met ambtenaren. Toen hij voor de tweede keer op Manhattan aankwam, was gouverneur Minuit in 1631 door de Heeren Negentien, de directie van de WIC in Amsterdam, teruggeroepen omdat hij schreeuwend corrupt was. Wouter van Twiller, de nieuwe bevelhebber, was een dronkaard en losbol van de gemeenste soort. Zes jaar (1633-1638) vulde hij zijn zakken met de verboden handel in beverpelzen. Kapitein De Vries kreeg vreselijk ruzie met de gouverneur en hij vertrok woedend naar Nederland. Evenals Minuit werd Van Twiller wegens wanbeheer door Heeren Negentien afgezet.

Na de wisseling van de gezagvoerder is De Vries in 1638 voor de derde en laatste keer naar Nieuw-Nederland gegaan, nu als passagier op een Compagniesschip, niet om er handel te drijven, maar om er langer te blijven. Voor rekening van zichzelf en anderen stichtte hij op Staten Eiland een kolonie, later uitgebreid met de kolonie `Vriesendael', stroomopwaarts voorbij Fort Nassau. (1) De Vries leerde zijn buren goed kennen, hij is de eerste Europeaan die Noordamerikaanse Indianen heeft getekend tijdens hun typische bezigheden zoals de hertejacht of een groepsdans.

De nieuw aangetreden gezaghebber Willem Kieft was een geletterd man die in het Latijn correspondeerde en planten en mineralen verzamelde en naar het vaderland zond. Maar hij was ook een tirannieke regent, opvliegend van aard, zonder enig begrip voor de plaatselijke mensen. Hij verwierf grote stukken land in wat nu de counties Queens en Westchester zijn. Eind 1639 besloot hij bij de Indianen belasting te innen in de vorm van bevers, mais en wampum (indianengeld). In dit gebied woonden twee Indianenvolken, de Algonquins en de Mohawks, die vaak met elkaar in oorlog waren. Rond Manhattan leefden de Weckquasgeek-, Hacksack-, Tappan- en Raritan-stammen die tot de Algonkins behoorden. Zij moesten betalen voor het onderhoud van het garnizoen en de veiligheid van hun land, maar toen zij weigerden, werden ze hard gestraft. De Indianen namen wraak. Omdat de bevers en otters in hoog tempo werden uitgeroeid, verdween de pelshandel van Manhattan naar Rensselaerswijck. Op Zuid-Manhattan hadden de Indianen dus niets meer te bieden en zaten eigenlijk de kolonisten alleen maar in de weg. David de Vries heeft als ooggetuige verslag gedaan van Willem Kiefts daden. In 1641 en 1642 leidde Kiefts redeloos bewind steeds weer tot oorlog.

Begin 1643 werden de Indianen op Manhattan aangevallen door de Mohawks (volgens anderen door de Mohikanen). Meerdere honderden Indianen zochten bescherming in Nieuw-Amsterdam. Volgens een Kieft welgezind verslag werden de vluchtelingen gastvrij in het fort onvangen. Maar David de Vries en de andere tegenstanders van Kieft doen een ander verhaal. De Vries was als grootste privé-investeerder in de kolonie voorzitter van de Twaalf, een adviesraad van de gouverneur. Op vastenavond 24 februari 1643 vertelde Kieft met een borrel op aan tafel in aanwezigheid van De Vries, `dat hij van plan was de wilden de beck te doen vegen'. De Vries zei: `Gouverneur, laat dit werk achterwege. U wenst de wilden hun rug te breken, maar u zult onze natie ook vermoorden.' Maar Kieft kapte verdere discussie af: `Het woord is er uit, het moet er uit blijven.' Later bezochten de gouverneur en de raadsleden de zaal waar de soldaten paraat stonden om op Indianenjacht te gaan. De volgende avond, in de heldere winternacht van 25 op 26 februari, trok een legertje van tachtig kolonisten naar de Indiaanse vluchtelingen die achter Curlers plantage kampeerden. Veertig werden in hun slaap omgebracht. Dezelfde nacht overviel sergeant Rodolff met zijn soldaten de Indianen op Pavonia, achter het land van Jan Evertsen Bout. Vanaf de wallen van het fort hoorde De Vries de schoten. Toen de soldaten tegen de ochtend terugkwamen vertelden ze `dat ze tachtig wilden hadden gemassacreerd of vermoord...' Stervend nog meenden de Indianen dat zij onder bescherming van de Europeanen stonden en het slachtoffer waren van de Mohawks. De Vries heeft de massamoord opgetekend, met ijselijke details: `Veel wilden hadden ze in hun slaap omgebracht, terwijl ze sommige jonge kinderen van haar moeders borsten afrukten, voor de ogen van de ouders in stukken gekapt, en de stukken in het vuur en in het water gesmeten hadden. Andere zuigelingen hadden ze op houten bordjes gebonden en zo doorhouwen, doorstoken, doorboord en miserabel vermoord dat het een stenen hart zou vermurwen. Sommigen waren in de rivier gesmeten, en als de ouders en moeders de kinderen probeerden te redden, wilden de soldaten die niet weer aan land laten komen, maar ze lieten de ouden met de jongen verdrinken, kinderen van vijf en zes jaar, en ook enige stokoude lieden. Degenen die deze furie nog ontvlucht waren, en zich in de struiken en het riet verborgen hadden, toen die 's morgens tevoorschijn kwamen en om een stuk brood bedelden om zich tegen de kou te verwarmen, werden zij in koele bloede vermoord en in het vuur of in het water gestoten. Later kwamen enigen bij ons op het land gelopen, sommigen een hand, sommigen een been afgekapt, enigen droegen hun darmen in hun armen, anderen hadden zulke afgrijselijke houwen, kerven en wonden dat soortgelijk niet erger ooit gebeurd kunnen zijn. En die arme zielen, zoals ook velen van onze natie, wisten niet beter of haar partij was door andere wilden, de Mohawks, overvallen.' Het wachtlokaal waar de Indianen werden gefolterd lag binnen het fort, tegenover de kerk. De soldaten zijn door Kieft persoonlijk met extra soldij en een feestje beloond. Na de slachtpartij kwamen de Indianen op en rond Manhattan massaal in opstand. De Indianen van alle volken waren geschokt omdat de Europeanen een universeel recht hadden geschonden door ook vrouwen en kinderen te vermoorden. De Vries: `Toen de wilden beseften dat de Hollanders hun zo getracteert hadden, gaven ze al het mansvolk dat zij betrappen konden klop, maar het vrouwvolk of de kinderen hebben wij nooit gehoord dat zij enig leed deden.' (2)

Ook van de twee plantages of patroonslanden van David de Vries bleef niets over dan puinhopen en geblakerde velden; bijna alle bewoners waren gedood. De Indianen hebben de oorlog niet doorgezet. Eind maart kwam een gezantschap van drie mannen met een witte vlag naar Nieuw-Amsterdam. Geen van de Nederlanders durfde mee te gaan. David de Vries had ondanks zijn persoonlijke schade vertrouwen in hun redelijkheid, en de Indianen vertrouwden hem. Door nog één Hollander vergezeld is hij in de kano met de boodschappers gestapt. Ze pagaaiden meer dan tien kilometer naar het dorp. De volgende dag wist De Vries de Indianen te bewegen gezamenlijk naar het fort te gaan, waar zij na veel gepalaver zich lieten paaien met geld en geschenken. Maar de oorlog duurde voort. Op 1 oktober brandde negen Indianen Pavonia plat, de plaats van de laffe massamoord. De zoon des huizes werd gegijseld. David de Vries heeft nog het losgeld gebracht en de jongen bevrijd: zijn laatste daad in Nieuw-Nederland: een week later is hij gedesillusioneerd voorgoed naar het vaderland vertrokken.

Na het vertrek van De Vries is Kiefts regime door andere ooggetuigen op schrift gesteld: jonker van der Donck, de kolonisten Kuyter en Melijn, dominee Bogardus, en de anonieme auteur van de brochure Breeden-Raedt waaruit De Vries lange passages heeft overgenomen, waaronder de zojuist geciteerde gruwelen bij Pavonia. Volgens sommigen werden Kiefts massacres door zijn vijanden sterk overdreven, een Hollandse voortzetting van de leyenda negra, het zwartboek van de Europese daden overzee. Maar een recent onderz oek wijst uit dat de ergste geruchten over Kieft de waarheid zijn. (3) In februari 1644 reisde een troep van honderdtwintig man uit Nieuw-Amsterdam naar Lange Eilant en overviel de Canarsies die op Mespeth een kamp hadden. Zeker honderdtwintig Indianen verloren bij deze overval het leven. Kieft had inmiddels de Engelse kapitein Underhill met zijn compagnie Engelse huurlingen in dienst genomen. Underhill had zeven jaar eerder in de oorlog tegen de Pequots van Nieuw-Engeland geleerd landstreken te ontvolken. In Nieuw-Nederland paste hij zijn walgelijke verdelgingstaktieken toe, waarbij hij de tenten van de Indianen liet afsluiten met grote schroeiende en walmende matten, zodat allen binnen stikten. In maart 1644 viel hij in Connecticut aan (vermoedelijk bij Poundridge, Westchester County), waar Indianen van verschillende stammen feestelijk bijeen waren. Underhills comapgnie bracht me er dan vijfhonderd, mogelijk zelfs zevenhonderd feestvierende Indianen om het leven, merendeels Tankitekes, en ook 25 Wappingers.(4) Kieft was niet minder wreed dan Coen was geweest, maar zijn verdelgingsoorlogen waren minder succesvol omdat de jachtvelden van de Indianen, anders dan de eilanden van de Molukkers, onbegrensd leken. In 1645 werd de bevolking in de buurt van Manhattan tot vrede gedwongen, maar de WIC had grote schade geleden. Het aantal kolonisten was in enkele jaren van drieduizend op duizend teruggevallen; het aantal gesneuvelden onder de inheemsen is zoals gebruikelijk onbekend.

Kieft werd in 1647 vervangen door Pieter Stuyvesant. Ook deze laatste Hollandse gouverneur van Manhattan, bekend om zijn houten been dat was beslagen met zilverstukken, heeft bloedige Indianenoorlogen gevoerd. Het schip waarmee Kieft schatrijk naar Nederland vertrok, verging bij de kust van Wales en hij verdronk voordat zijn ergste schanddaden bekend werden. Weinig jaar later heeft Pieter Stuyvesant Nieuw-Amsterdam aan de Engelsen afgestaan, die het New York noemden. In ruil voor Manhattan kreeg Nederland Suriname. Kieft is in 1648 postuum veroordeeld door de Staten-Generaal: niet alleen was Nieuw Nederland een ruïne, ook werd bereikt dat `de naam van Nederlandse natie bij de heidenen daar te lande (-) op het hoogst werd verfoeid.'

De anonieme auteur van Breeden-Raedt heeft zijn verbijstering uitgesproken over de moordpartijen door zijn landgenoten. Een moderne commentator: `De catastrofe van de oorlog openbaarde een nog grotere catastrofe: ook de blanken bleken van elke beschaving en moraliteit verstoken; hun spottende en wrede ontkenning van de Indiaanse religie maakte duidelijk hoe weinig religie ze zelf bezaten.'(5)

In de persoon van Kieft heeft David Pietersz de Vries de hele Compagnie aangevallen, want hij is bovenal verwonderd: `dat de West-Indische Companie zulke Narren in 't Land stuurde, die niets wisten als van dronke drinken. In Oost-Indiën maakt men niemand Commandeur of zij hebben lange tijd dienst gedaan, zodat men weet dat zij er bekwaam toe zijn, maar de WIC maakt grote Meesters van volk dat van haar leven nog geen commando gevoerd heeft, daarom moet het te niet gaan.'(6)

De Vries heeft als een van de eersten de vergelijking gemaakt tussen wat de Nederlanders is aangedaan door hun Spaanse bezetters en wat zij nu als bezettende macht anderen aandoen. Hij vroeg: `Heeft Duc d'Alba in de Nederlanden wel meer kwaads aangericht?' (7)

Publikatie: Korte historiael ende Journaels Aenteyckeninge, van verscheyden voyagiens in de vier deelen des wereldts-ronde, als Europa, Africa, Asia ende America gedaen (Hoorn 1655), bezorgd door H.T. Colenbrander, WLV3 (1911). Literatuur: W.B.J. van Balen, Holland aan de Hudson (Amsterdam 1943) p. 106-112. Noten

1 Ch. Mc. Kew Parr, The voyages of D. de Vries (1969).

2 WLV3, p. 264-265.

3 Willem Frijhoff, Wegen van Evert Willemsz. Een Hollands weeskind op zoek naar zichzelf, 1607-1647 (Nijmegen 1995) p. 717-731.

4 Idem, p. 727.

5 Idem p. 730.

6 Van Balen, p. 96; 109-111.

7 WLV 3, p. 265.]


[terug] [Weduwe van Indië] [Ewald Vanvugt homepage] [top]