Uit Ewald Vanvugt, Nestbevuilers
Zie ook Vanvugt, Nieuw Zwartboek van Nederland overzee (uitg. Aspekt 2011).


Nicolaus de Graaff

(1619-1688)

 

De chirurgijn met de snijdende pen

In het grootste deel van de zeventiende eeuw fungeerden de noordelijke Nederlanden als Europa's belangrijkste verzamelplaats van informatie over Azië.(1) In die begintijd was de chirurgijn Nicolaus de Graaff een belangrijke verslaggever van de Oost. Tussen 1639 en 1687 maakte hij zestien reizen naar bijna elke hoek van de wereld, waarvan vijf keer naar Java en terug. In 1701 verscheen zijn Reisen, in één band met zijn belangrijkste werk Oost-Indise Spiegel; een uitgebreide herdruk van beide boeken verscheen in 1703. Delen van zijn werk zijn vaak herdrukt en De Graaff bleef bekend door zijn reportages van de corruptie onder de hogergeplaatste VOC-dienaren en hun slechte behandeling van de slaven en slavinnen. In 1930 verscheen het boek in de onvolprezen `Werken van de Linschoten-Vereeniging'.(2)

De Graaff beschrijft de Compagnie als een toevluchtsoord voor veel soorten mensen. Zelfs vooraanstaande personen komen door een speling van het lot in de Oost fortuin zoeken. Ook nijvere sergeanten en boekhouders zijn daar te vinden. Maar het merendeel van de VOC-dienaren is volgens De Graaff een zootje berooid ongeregeld. In het bonte gezelschap zijn er nogal wat die liefst luieren, zuipen en dobbelen. Onder meer varen mee: `Schurke, Koggels (pooiers), Hoerenwaarden, Nagtlopers, Plugge (losbollen), Dronken Guyten, Fielten, Dobbelaers, Speelders, Quanselaars, Vegters, Smijters, Straat-schenders, Gauwdieven en Deugenieten.'

Zijn Oostindische spiegel is een heftige en bijna alles en iedereen omvattende aanklacht, maar het felst vaart hij uit tegen de ziekentroosters. Hij noemt ze schadelijk voor de Compagnie omdat die `hypocriete twist en oproermakers' kostbaar maar nutteloos zijn, niet onder de eed staan en particulier handeldrijven. Zij willen zich graag voordoen als geestelijken maar zij zijn `doorgaans niet anders als voor een deel verlopen kleermakers, wevers, schoenlappers en dergelijke geringe handwerk- en ambachtslieden, die te lui zijn om te werken en hun goedje dat ze soms gehad hebben, hebben verdobbeld, verdronken of anderszins naar de verdommenis hebben gebracht.' Om in Oost-Indië een makkelijk baantje te krijgen gaan zij eerst vaak naar de kerk, `gapen de predikant de woorden schier uit de mond, zien zo bedrukt als Marta, en bijten door hun geveindsheid de pilaren bijna aan stukken.' Dan krijgen ze een brief van de kerkeraad en worden door de bewindhebbers voor 36 gulden per maand kajuitstraktement en een apart kamertje om te studeren geïnstalleerd. De predikanten denken eerlijke lieden te helpen, `en ondertussen zijn zij voor een deel luie schurken, vagebonden en alcoholisten die niets dan tweedracht en twist onder de officieren komen maken.'(3) De Graaff geeft aan zijn treurige vreemdelingenlegioen onverwacht een positieve draai: velen blijken in de Oost in dienst van de Compagnie aardig in het gareel te komen. En al blijven anderen daarginds de ergste schurken, dan is Europa toch mooi het tuig kwijt.

De Graaff over de vrouwen van Batavia: `Deze vrouwtjes in het algemeen aangemerkt, in het bijzonder in Batavia, zowel Hollandse als ook Kastise en Mistiese, zijn het meestendeel zo prachtig, zo hoovaardig, zo dartel en weelderig, dat zij van brooddronkenheid nauwelijks weten hoe zij zich zullen aanstellen; zij laten zich dienen als prinsessen, en hebben soms veel slaven en slavinnen tot haar dienst die nacht en dag als honden wacht moeten houden. En als die niet vlug genoeg zijn, worden ze uitgescholden. En ze als ze het enigszins verkerft hebben, laten ze haar om een geringe oorzaak aan een paal of een ladder binden en met een stuk bamboe op haar naakte lichaam zo danig slaan en geselen `datter 't bloed by neer loopt en de lappen daar by neder hangen, daar zy dan zout, peper en pekel door elkaar geroert laten inwrijyven, opdat het doorgeslagen vlees niet en zou komen te verrotten of te stinken. Wat dunkt u, is zulks doen kristen Mensen werk?'(4)

De Graaff: `De Bataviase kinderen die van een Hollandse vader en moeder geboren zijn, deze weten nergens van, en zijn ook nergens anders toe bekwaam.... Zij werden gewoonlijk "liplaps" genoemd. Het merendeel van hen is rits en geil als een deel ritse teven, en niet alleen naar Hollanders, Kastiese en Mistise mannen, maar wij zouden u meer dan ??n voorbeeld kunnen aanwijzen van iemand die met haar eigen zwarte slaven het gedaan heeft, waarna de slaven ook zijn opgehangen.'(5)

Hij wees als een van de eerste op de sexuele drijfveer als een motor van de koloniale tijd, en hij was een vroege rapporteur van de corruptie en de slavenmishandeling. Zijn getier tegen het internationale paren heeft niet voorkomen dat het een populaire bezigheid bleef, waarvan de vele kinderen het duidelijkste bewijs vormden.

Publikatie: Reisen van Nicolaus de Graaff, mitsgaders zijn Oost-Indise Spiegel (1701), bezorgd door J.C.M. Warnsick, WLV 23 (Den Haag 1930; fotomechanische herdruk 1976). Literatuur: Marijke Barend-van Haeften, Oost-Indië gespiegeld. Nicolaus de Graaff, een schrijvend chirurgijn (Zutphen 1992). Noten

1 Lach en Van Kley book 1, pp. 435-508.

2 Zie Publikaties.]

3 Oost-Indise spiegel, WLV 33, pp. 28-29.]

4 Du Perron 1948, p. 112.]

5 Idem, p. 114.]


[terug] [Weduwe van Indië] [Ewald Vanvugt homepage] [top]