Uit Ewald Vanvugt, Nestbevuilers
Zie ook Vanvugt, Nieuw Zwartboek van Nederland overzee (uitg. Aspekt 2011).


Portret van Jacob Haafner

Jacob Haafner

(1754 - 1809)

 

 

De `vergeten' anti-koloniaal

Haafner heeft zijn jeugd grotendeels buiten Europa beleefd. Joannes Kals heeft als eerste de schoonheid van mensen uit andere werelddelen in het Nederlands beschreven in zijn lofzang op de Indianen in Suriname. Haafner beschreef als eerste uitvoerig in het Nederlands zijn liefde voor een vrouw uit een ander werelddeel. Zijn levendige, leesbare proza wordt gedreven door zijn overtuiging: de aanwezigheid van de Europeanen in de tropen heeft vaak een fatale invloed op de plaatselijke mensen. Ook tegenwoordig zijn er nog geleerden die beweren dat tijdens het inmiddels afgeschafte kolonialisme de Europeanen overzee niet overwegend barbaars, maar juist beschavend optraden, en dat hun bewapening geen rol heeft gespeeld. Maar Haafner weet het beter: `Het is alleen aan de onwederstaanbare overmacht van het geschut, dat de Europanen hun vestiging in de meeste Indische gewesten te danken hebben; in moed, kracht en behendigheid staan zij verre bij de inboorlingen tenachter.'

Van de gangbare minachtende kijk op niet-Europanen moest hij niets hebben: `Ik acht alle menschen, van wat verwe, natie en godsdienst zij ook mogen zijn, als mijne medemenschen en broeders.'(1)

Haafner was tot voor kort een `vergeten' schrijver van `vergeten' boeken; sinds 1992 worden zijn Werken heruitgegeven. (In alle handboeken staat zijn geboortedatum nog fout, want die is eerst door de heruitgevers in het bevolkingsregister van Halle in Saksen gevonden: 13 maart 1754.) Elf jaar oud kwam hij met zijn ouders en twee jongere kinderen uit Duitsland naar Amsterdam. Zijn vader Matthias Haffner werd chirurgijn (scheepsarts) bij de VOC en in juni 1766 moest Jacob mee naar zee. Met Kaap de Goede Hoop in zicht, een half jaar onderweg, sterft de vader. Jacob vindt onderdak in het gezin van een voorname VOC-dienaar. Hij is leergierig en ontwikkelt vaak hartelijke banden met de mensen die hij ontmoet. In 1770 gaat hij terug naar Amsterdam, maar hij kan het slecht vinden met zijn moeder en een jaar later is hij weer op weg naar Batavia. Hij komt in India terecht waar hij lange jaren blijft als VOC-klerk. Hij leert Bengali, Tamil en wat Sanskriet. Hij beleeft reeksen levensechte avonturen en in Calcutta vergaart hij als boekhouder en handelaar een fortuintje.

Tijdens de oorlog met de Engelsen wordt hem veel ontnomen en voorgoed zou hij de Engelsen bitter haten. `Kotzebue in zijne reize naar Napels, roept gansch Europa tot getuigen, dat er op zekeren dag eene vrouw van honger in die stad is gestorven, terwijl de koning met wel gevoede en gemeste honden ter jagt ging. Ik nu verklaar dat er in 1782 dagelijks 500 menschen te Madras van honger stierven, terwijl de Engelschen in dien stad hunne pakhuizen vol graanen hadden, en dagelijks feesten en danspartijen gaven.'(2)

In Zuid-Afrika ontmoette hij een onvergetelijk mooi zwart meisje, met wie hij in de eerste druk van het werk ook romantisch is afgebeeld. Op reis langs de oostkust van India krijgt hij in 1786 een `vrijage' met de Indiase danseres Mamia die na korte tijd onverwacht sterft; hij zet zelf de vlam in haar brandstapel en besluit voorgoed naar Europa te gaan. Eind 1787 kwam hij terug in Holland, 33 jaar oud. Hij belegde zijn spaargeld in Franse staatsschuldbrieven en raakte verwikkeld in een slepend financieel geschil met de VOC.

Door de omwenteling in Frankrijk verminderde enkele jaren later de waarde van zijn kapitaaltje en de VOC kwam niet over de brug. Inmiddels hadden hij en zijn vriendin Anna Maria Kreunink twee kinderen, en om voor zichzelf en de zijnen te zorgen werd hij handelaar en ondernam van alles. Tenslotte heeft hij de pen opgepakt. Hij zette zich aan de vertaling in het Nederlands van het grote hindoe-epos `Ramayana', een vroege bijdrage aan de Nederlandse kennis van het Sanskriet. In 1805 wint hij een prijsvraag met de Verhandeling over het nut der zendelingen en zendelings-genootschappen en ontvangt 400 gulden, voor die tijd een vrij groot bedrag. (Het zou twee jaar duren voordat het boek in druk verscheen.) In 1806 komt zijn eerste boek uit, Lotgevallen op eene reize van Madras over Tranquebaar naar het eiland Ceilon, waarin hij ook de hongersnood en massasterfte in Madras beschrijft die hij zelf had meegemaakt. Als hij zijn belevenissen met de Indiase danseres beschrijft, kent hij al Paul et Virginie, door Bernadin, het eerste Europese liefdesverhaal in de tropen (1788), en Stedmans verhouding met Joanna.*** Haafners levendige schrijfstijl en droge humor, de exotische avonturen en bizarre ontmoetingen hadden onmiddellijk succes. Hij sterft in 1809 in het huis `De 3 Bloeyende Koornaaren' op de hoek van de Hoogtekadijk en de Overhaalsgang in Amsterdam (het pand is fraai gerestaureerd), vlakbij `s Lands Zeemagazijnen, nu het Scheepvaartmuseum. Zijn zoon Christiaan Matthias heeft uit de handschriften nog vier boeken persklaar gemaakt. Als enige Nederlander in die tijd werd Haafners werk vertaald in het Engels, Frans, Duits en Deens.

Zijn Verhandeling is het felste anti-koloniale boek van Nederland en vermoedelijk van Europa. Volgens Haafner had de zending niets of het was narigheid tot stand gebracht en het zou ook nooit iets worden.

Voor het algemene falen van de zending wijst hij twee hoofdredenen aan. Allereerst zijn in grote delen van de wereld de mensen theologisch verfijnder gevormd en meer gehecht aan hun godsdienst dan de zendelingen. Bovendien - en dat was de ergste hindernis - zijn bijna alle Europeanen overzee levende anti-reclame voor het christendom. Hij schreef de eerste wereldomspannende catalogus van de `Europese euveldaden' in de overige werelddelen, een hoogtepunt in de smalle traditie van anti-kolonialen. Helder beschrijft hij hoe de christelijke zending en missie toen al drie eeuwen optraden als instrumenten van de `Europese expansie'. Hij ziet de zendelingen, met al hun goede bedoelingen, als de bondgenoten van de westerse kooplieden en beambten die de mensen in de verre landen geen bevrijding brengen, maar slavernij. Bij de Hottentotten aan de Kaap, in Noord- en Zuid-Amerika bij de geteisterde Indianen, bij de negerslaven in Suriname, op de Oostkust van India vooral in Madras, op Ceilon (Sri Lanka) en Java, in Groenland bij de Eskimo's - bij de opsomming van de wandaden geeft Haafner ook een overzicht van de critici en de aanklagers. Natuurlijk kent hij de leyenda negra van Bartholomé de las Casas, de `bisschop van Chiapa'; hij citeert uit Voltaire en Montesquieu, uit August Kapplers Sechs Jahre in Surinam, en vooral uit J.G. Stedmans Narrative (zie verderop).

In 1759 was in Frankrijk de korte roman Candide of het optimisme verschenen als een vertaling uit het Duits door `Mr. le Docteur Ralph'. Al snel was bekend wie de schrijver was, al ontkende hij. Het boek was een achttiende-eeuwse Europese bestseller en is tot heden Voltaire's meest gelezen werk gebleven. In Candide beschreef hij het tafereel van het wrede Nederlandse optreden overzee dat in de wereldliteratuur het beroemdst is geworden. De lezer maakt een wereldreis met een jongeman, Candide, die onderweg tijdens de avonturen met enkele vaste metgezellen filosofeert over levensmysterieën. Hoofdstuk 19 heet: Wat hen overkwam in Suriname en hoe Candide kennismaakte met Martin. Voltaire schrijft:
`Toen zij de stad naderden, zagen ze een neger op de grond liggen die voor minder dan de helft was gekleed, dat wil zeggen met alleen een onderbroekje van blauwe linnen aan; de arme kerel was zijn linkerbeen kwijt en zijn rechterhand. "Goeie God!" zei Candide tegen hem in het Nederlands, "wat doe jij hier, vriend, in deze vreselijke toestand." "Ik wacht op mijn meester, Mynheer Vanderdendur, de beroemde koopman," antwoordde de neger. "Is het Mynheer Vanderdendur," zei Candide, "die je zo heeft behandeld?" "Ja, meneer," zei de neger, "dat is de gewoonte hier. Zij geven ons twee keer per jaar een linnen onderbroek voor kleding. Wanneer wij in de suikermolens werken en een vinger van ons wordt in de mangel meegetrokken, hakken ze ons de hand af; wanneer wij willen vluchten, hakken ze ons een been af: mij overkwam beide dingen. Het is voor deze prijs dat jullie in Europa suiker eten. Maar toen mijn moeder mij verkocht voor tien Patagonische daalders op de kust van Guinée, zei ze: Lieve zoon, zegen onze fetisjen, aanbid ze altijd, zij zullen je bijstaan om gelukkig te leven; jij hebt de eer om slaaf te zijn van onze heren de blanken, en jij maakt daarmee je vader en moeder fortuinlijk. Helaas! Ik weet niet of ik hen fortuinlijk heb gemaakt, maar zij hebben het mij zeker niet gemaakt. De honden, de apen en de papegaaien zijn duizend keer minder ongelukkig dan ik. De Hollandse toverdokters die mij hebben bekeerd, zeggen me elke zondag dat wij allen kinderen zijn van Adam, blanken en zwarten. Ik ben geen genealoog; maar als die predikers de waarheid spreken, zijn wij allen volle neven. Welnu, u zult het met mij eens zijn dat niemand op een gruwelijkere manier met zijn familie kan omgaan."
   "O Pangloss!" riep Candide. (-) En met tranen in zijn ogen bekeek hij de neger en huilend ging hij Suriname binnen.
'

Haafner was nooit in de West geweest. Voor zijn observaties over Suriname citeert hij uitvoerig uit het werk van een Schotse militair, John Gabriel Stedman, die over zijn vijf jaar in dat land een groots boek schreef. In 1771 was in het district Cottica rond de gelijknamige rivier (waar veertig jaar eerder Joannes Kals als dominee gestrand was) het aantal rebellen schrikbarend toegenomen. De slavenopstand bedreigde volgens sommigen het bestaan van de kolonie. De Heeren (directeuren) van de Sociëteit die Suriname bestuurde, wilden eens en voorgoed de opstandelingen verslaan. De Staten-Generaal verleende bijstand met een huurlingenleger van 800 man (onder een Zwitserse kolonel). De Schotse kapitein Stedman, door iedereen Jack genoemd,(3) een geletterde avonturier, is met deze troepen in 1773 vers uit Europa naar Suriname gereisd. Meteen na aankomst ziet hij op straat de eerste slaven. Hij schrijft: "Ik liet mijn rijtuig stilhouden om een troep menselijke wezens in ogenschouw te nemen, afkomstig van een schip dat juist voor de stad het anker had uitgeworpen, die bestemd waren later als slaven te worden verkocht. Het geheel leek mij zulk een weer levend geworden knekelhuis van vel-over-been, dat het mij levendig herinnerde aan de Dag van het Laatste Oordeel. Deze schepselen leken uit de dood te zijn opgestaan, of uit de snijkamer van een hospitaal ontsnapt; ik kan hen niet beter vergelijken dan met wandelende geraamten die met bruin leer waren overtrokken."

De eerste druk van Stedmans A Narrative of a five years expedition against the revolted negroes in Surinam, Guiana, on the wild coasts of South America 1772-1777 verscheen in 1796 met tachtig platen, naar zijn eigen tekeningen, velen gegraveerd door Blake en Bartolozzi. In de tweede druk zijn deze fijne platen zelfs met de hand ingekleurd. Het boek opent met de afbeelding van een blanke huurling die leunt op zijn geweer, met een pistool aan zijn gordel, en een zwarte slaaf die met een stok in de hand is geveld. Al snel verscheen een Nederlandse vertaling.

Stedman heeft de raad van Kals om te verzwageren met de plaatselijke mensen opgevolgd. De soldaat is gaan samenwonen met een slavin, de mooie Joanna, bij wie hij een zoontje kreeg. Zijn boek heeft de alledaagse gruwelen in Suriname aan de wereld bekend gemaakt. Als een van zijn vele avonturen vertelt hij hoe hij bij zijn vriend Macneill op de plantage `Sporkesgift' logeerde en een jonge, goed gebouwde neger zag, die erg kreupel liep. Dat bleek een wegloper te zijn, bij wie - om hem van zijn vrijheidsdrang te genezen - de achillespees was doorgekapt. In de tijd dat Stedman in het hospitaal van Paramaribo lag, zette daar de chirurg Greuder bij niet minder dan negen hardnekkige weglopers een been af, voor zeventig gulden per persoon. Vier stierven tijdens of meteen na de operatie. Een plukte zijn verband los en bezweek ook. De andere vier zijn misschien genezen, hoopt Stedman, om bijvoorbeeld als roeiers in de korjalen van hun meesters nuttig werk te doen.

Haafner becijferde in zijn catalogus van de Europese wandaden overzee: `Kunnen de Spanjaarden, die vijf en dertig millioenen Indianen omgebragt hebben; de Engelschen die drie millioenen Hindous en andere inwoners van Bengalen hebben laten doodhongeren; de Hollanders die zoo vele duizenden Chineezen hebben geslagt, kunnen die, zoo wel als de Engelsche-Amerikanen, de Franschen en de Denen, die met elkanderen meer dan zestig millioenen menschen uit Afrika hebben gesleept en geroofd...'(4)

Hij stierf in 1809, nog voordat het Koninkrijk der Nederlanden, Multatuli en Van Heutsz waren geboren. Bijna alle gebeurtenissen die nu bekend staan als de zwartste bladzijden van de koloniale tijd - de Java-oorlog, het Cultuurstelsel, de Atjeh-oorlog, de landrente, de opiumbaten, de massale arbeids- en oorlogsinzet van dwangarbeiders en koelies, de verovering van de Buitengewesten (de eilanden buiten Java) - de desastreuze bloeiperiode van de Nederlandse macht in de Indische archipel in de lange negentiende eeuw - moesten nog gebeuren toen hij al vond dat het meer dan genoeg was geweest.

In het begin van de negentiende eeuw had Haafner een grote literaire reputatie. Maar zoals Kals in Haafners tijd al een halve eeuw was `vergeten', zo zou de samenzwering van de samenleving Haafners belangrijkste boek, de Verhandeling, meer dan 170 jaar weten te `vergeten'. Multatuli zag in `den ongeletterde Haafner' een van de `zeer weinige uitzonderingen' die hem binnen de Nederlandse letteren aanspreekt.(5) Maar ook Multatuli kende Haafners Verhandeling niet. Eerst recentelijk heeft Nederland er een groot schrijver bij gekregen door de voorbeeldige heruitgave van zijn Werken en Verhandeling. Terwijl vijftig jaar na het afscheid van Oost-Indië de tempo doeloe-doofpotten geleidelijk opengaan, is het eerste wereldomspannende overzicht van de `Europese euveldaden' in de overige werelddelen herdrukt, met de nieuwe ondertitel `Een kritiek op zending en kolonialisme'. (6) Tot motto of zinspreuk van dit boek koos hij de woorden van Voltaire: `Il est difficile de servir un Dieu qu'on ne connait pas, plus difficile encore d'aimer le Dieu de ses Tirans.'

Uit eigen ervaring kon Haafner duidelijk zijn over de Europeanen in Azië: `Worden de beide Indiën niet al sedert lange tijd als het rasphuis van Europa aangemerkt en gebruikt? alle boeven, alle misdadigers, die het zwaard en de straffe van den regter ontvlugt zijn, of zich voor dezelve zoeken te verbergen, alle deugnieten, gevoegd bij luijaards, ledigloopers, vagebonden, avonturiers en bankeroutiers; allen ijlen zij derwaarts (vervuld met de hoop en de brandende begeerte om zich te verrijken) als naar een algemeenen roof; als verscheurende en uitgehongerde wolven, die de barre winter uit het gebergte jaagt, vallen zij onder de onschuldige en zachtzinnige Indianen. Niets is hun heilig, voor niets staan zij, alles zullen zij ondernemen, om maar hunne zakken te kunnen vullen. (-) Van de tien die vandaar rijk terugkomen, hebben er gewis negen hun buit op die manier verkregen. (-) En terwijl zij aan den eenen kant alle hunne boosheden en geweld tegen de ongelukkigen uitoefenen, zwerven aan de andere zijde hunne zendelingen bij deze volken rond, om hen tot het aannemen van het geloof en de gebruiken dezer wreede tirannen over te halen. Zag men ooit zulk eene tegenstrijdigheid? zulk eene huichelarij? zulk eene openbare bespotting van God en godsdienst?'(7)

Publikaties:

De werken van Jacob Haafner, bezorgd door J.A. de Moor en P.G. van der Velde, WLV 91, 94 en 96(Zuthpen 1992, 1995 en 1997).

Verhandeling over het nut der zendelingen en zendelings-genootschappen (Haarlem 1807; 2e druk Amsterdam 1823; 3e druk met de nieuwe ondertitel: Een kritiek op zending en kolonialisme, bezorgd door J.A. de Moor en P. van der Velde, Hilversum 1993).

Literatuur:

J.G. Stedman, Narrative of a five year's expedition against the revolted negroes of Surinam, (ed. R.A.J. van Lier, 1971).

H. Terpstra, `Jacob Haafner en zijn denkbeelden over het kolonialisme' in Tijdschrift voor Geschiedenis (1962) pp. 129-154.

Noten

1 `Voorberigt' Lotgevallen, WLV 91, p. 164.]

2 Werken 1, p. 202. Haafner beschreef de Engelsen in India met zo'n gloeiende wrok dat in 1940 de nationaal-socialistische uitgeverij Dzur zijn Reize naar Ceilon in moderne spelling heeft herdrukt onder de titel Roof en verwoesting van onze koloniën.

3 S. Thompson, Journal of John Gabriel Stedman 1744-1797, soldier and author (Londen 1962) p. v.

4 L.J. Vrijman, Slavenhalers en Slavenhandel (Amsterdam 1943) p. 121-122.

5 [NOOT: VW dl. 4, p. 82.]Verhandeling (1993), p. 128.]

6 Verhandeling over het nut der zendelingen en zendelings-genootschappen (Haarlem 1807; 2e druk Amsterdam 1823; 3e druk met de nieuwe ondertitel: Een kritiek op zending en kolonialisme, bezorgd door J.A. de Moor en P. van der Velde, Hilversum 1993).

7 Verhandeling, p. 114-115. In deels dezelfde woorden ook in: Werken 1, Noot p. 169.


Links

Uitgebreide Haafner documentatie van Paul van der Velde


[terug] [Weduwe van Indië] [Ewald Vanvugt homepage] [top]