Uit Ewald Vanvugt, Nestbevuilers
Zie ook Vanvugt, Nieuw Zwartboek van Nederland overzee (uitg. Aspekt 2011).


Joannes Guijelmus (Jan Willem) Kals

(1700-1781)

 

 

Een geleerde zwerver en armoedzaaier

Johann Wilhelm Kals werd geboren in Düren (Duitsland, niet ver van Maastricht) en kreeg zijn scholing en zendingsdrang op het plaatselijke jezuïtengymnasium. Als twintigjarige kwam hij naar Utrecht, waar zijn broer Jacob een apothekerij was begonnen. Vanaf 1724 studeerde Johann Wilhelm, die zich onder vrienden voortaan Jan Willem en onder geleerden Joannes Guijelmus noemde, theologie in Utrecht. In 1731 werd hij tot dominee benoemd, trouwde met Anna Twisker, en nog datzelfde jaar vertrok het echtpaar naar Suriname. Kals werd predikant van de plantagegemeente Cottica-Perica, aan een zijtak van de Commewijne.

Al kort na aankomst kreeg hij openlijk kritiek op kerk en kolonie. Toenemend werden zijn preken boetpredikaties tegen het losbandige leven van de kolonisten. De Europese bevolking bestond volgens hem voor het grootste deel uit `door alle klassen van godloosheid doorgegane spitsboeven, die om de galg en het rad te ontlopen, nadat ze negenenegentig heren bedrogen hebben, eindelijk naar een van die gewesten (de koloniën) hun toevlucht moeten nemen'. Zij waren lichamelijk even geïnfecteerd als geestelijk aangetast door hevige gelddorst. (1) Uitvoerig beschreef hij de schoonheid van de Indianen en hij propageerde niet alleen de christelijke verbroedering, maar zelfs de `verzwagering' met de Indianen. Kals raadde de Nederlanders in Suriname aan om te trouwen en gezinnen te stichten met Indianen. (2) Natuurlijk riep zijn missionaire geestdrift veel weerstand op. Bovendien kreeg hij meer dan eens in het openbaar ruzie met zijn vrouw, volgens hem het gevolg van haar `ongewassen mond'; maar ook in het gezelschap van anderen kende hij soms vreselijke driftbuien. Hij wilde iedereen meer vrijheid brengen, maar belandde zelf met zijn vrouw in de gevangenis, omdat in de kolonie zijn scherpe tong als een verstoring van de rust en orde werd aangepakt. Zijn vernedering in de gevangenis duurde maanden. Door de samenwerking van overheid en kerkbestuur werd hij, binnen twee jaar na zijn komst, de kolonie uitgezet. De opluchting toen hij eindelijk van Suriname wegvoer, heeft Kals zich herinnerd als een van de diepste extasen van zijn leven. Maar de autoriteiten hielden zijn vrouw nog gevangen; eerst maanden later kon zij zich bij hem voegen - voor de volgende tegenslag.

In Amsterdam liet hij een brochure drukken, waarin hij de overheid en zijn gemeente in Suriname (waarvan hij zich zijn lange leven predikant bleef voelen) toesprak. Als de soortnaam voor deze tak van koloniale literatuur noemde hij zijn betoog Klagte (Amsterdam 1734). Ondertitel: Over de bedorvene zeden der voorgangers zowel in het kerkelijk als het burgerlijk bestuur in eene ... Colonie. Opnieuw preekte hij tegen de `hoererij en de echtbreuk' van de planters. Vooral vroeg hij betere vergoedingen voor de Indianen en de negers, en beter toezicht op de kwaliteit van de uitgezonden Europeanen. Kals riep op om het gebruikelijke hardvochtige optreden in te ruilen voor vriendschap en liefde. Niet lang geleden was het ook beter gegaan. In de tijd van gouverneur Scharphuizen (1689 tot 1696) was een zekere Abraham naar Den Haag gekomen en had met de Staten-Generaal en de Heeren van de Surinaamse Societeit de afspraak gemaakt dat de inheemsen `zich met ons als vrienden zouden gedragen, maar wij zouden ook hun dochters tot vrouw nemen en onze dochters aan hun zonen geven.' Zijn Klagte kreeg enige weerklank, maar Kals bleef arm en machteloos. De nodige processtukken uit Suriname arriveerden traag. Jarenlang was zijn positie onzeker en had hij geen inkomen. Hij was een van de eersten die vanwege zijn kritiek ook financieel een douw kreeg. In 1734 werd zijn `verzending na patria' eindelijk onwettig verklaard: Kals werd in alle rechten hersteld. Maar hij was voorgoed een zwerver met een leven vol tegenslagen. Over het onrecht dat hij de mensen in Suriname door zijn landgenoten had zien aandoen, en het onrecht dat hem zelf was aangedaan, is het hem eerst twintig jaar later gelukt een omvangrijk boek te publiceren.

De in ere herstelde dominee werd hulppredikant in Stevensweert, een protestantantse legerplaats in Brabant. Hier heeft zijn vrouw Anna zich weer bij hem gevoegd. In de generaliteitslanden bestonden eigenlijk ook een soort koloniale verhoudingen en binnen enkele maanden mislukte Kals opnieuw als man van Gods woord, mede door een intense ruzie met de garnizoenscommandant.

Hij verhuisde naar Leiden en pakte zijn passie voor Hebreeuws, Arabisch en verwante talen op. Als student en assistent bij de hoogleraar Albert Schultens was hij arm, maar de aanwezigheid van de begeerde handschriften en boeken maakte veel goed. Een verhouding met een jonge vrouw die in zijn huishouding werkte en woonde, liep uit op een schandaal, en in 1749 vluchtte hij - opnieuw ambteloos - naar Engeland. Op de heenreis leed hij schipbreuk, waarbij het manuscript van zijn werk Cursus radicum verloren ging. Hij bleef twee jaar in Londen en Oxford, vlijtig studerend. Hij schreef een Hebreeuws leerboek dat niet in Engeland kon worden gedrukt omdat geen drukkerij de juiste letters had. Daarom ontving hij in 1750 een certificaat van erkenning als docent in de oosterse talen, en hij ging naar Bremen, op zoek naar een drukker voor zijn boek. Hij vond werk als docent, maar slaagde opnieuw niet zijn manuscript over het Hebreeuws gedrukt te krijgen. Na enkele jaren doceren zwierf hij verder.

In 1755 woonde Kals weer bij zijn broer Jacob, de apotheker, nu in Amsterdam, toen hij bij de overheid schriftelijk verzocht om opnieuw als predikant te worden uitgezonden naar Suriname. Misschien hoopt hij op een gelijke behandeling als J.J. Mauricius, de vroegere gouverneur van Suriname, die in 1753 een zeker eerherstel kreeg. Maar de heren op het West-Indisch Huis in Amsterdam `delibreerden nauwelijks vierentwintig tellen,' en zij zonden Kals niet opnieuw uit.

Als taalleraar bleef zijn bestaan moeizaam. In 1756 kwam hij naar Franeker, waar het hem gelukt schijnt te zijn een deel van zijn Hebreeuwse Compendium in druk te zien. In dat jaar vond hij ook een uitgever (in Leeuwarden) voor zijn omvangrijke boek over Suriname, de slavernij en de zending. In de ruim twintig jaar sinds zijn Klagte verscheen, had hij verzoekschriften, preken, betogen, brieven en verhalen opgespaard, met al zijn gal en verdriet over het plantageleven, die zijn gebundeld in twee vormeloze, Pak-van Sjaalman boeken: Neerlands hooft- en wortelsonde, het verzuim van de bekeringe der heidenen en Nuttige en noodige bekeeringe der heidenen in Suriname en Berbices. De boeken van Kals zijn niet alleen doodgezwegen, maar ook fysiek bijna allemaal vernietigd: van het tweedelige werk (in één band) bestaan tegenwoordig nog maar drie exemplaren. Ruim een halve eeuw later kent Jacob Haafer (zie verderop), kenner van koloniale critici, Kals niet. Weer zestig jaar verder weet de grote historicus van Suriname, J. Wolbers (zie verderop), wel dat Kals de kolonie is uitgegooid, maar niets van Neerlands hooft- en wortelsonde.

Zijn werk bracht Kals weinig erkenning en geen inkomen. In Amsterdam kende hij Engelse predikanten die zich bekommerden om de Duitse landverhuizers onderweg naar Amerika. Met een aanbevelingsbrief uit de zendingskring van deze tolerante calvinisten vertrok Kals naar de nieuwe wereld. In september 1758 kwam hij, nu John William, in Philadelphia aan. Veel mensen in Nieuw-Engeland voelden zich niet langer Engelsen; maar voor Kals waren de Amerikanen allereerst de Indianen; de kolonie los van Engeland leek hem een schrikbeeld. Zending in de Nieuwe Wereld betekende `interne zending': onder de kolonisten. Kals' stem over `de verzwagering' met de Indianen en de negers is in Amerika niet meer gehoord. Tijdens de toenemende dreiging van een gewapende opstand is hij in 1774 naar Nederland teruggegaan. Niemand zat hier op hem te wachten.

Hoogbejaard moest hij leven van aalmoezen, maar van wie zou hij die krijgen? Hij had niet alleen het Nederlandse nest bevuild, maar ook dat van veel christenen. Op zijn verzoeken om raad en daad komt veelal eenzelfde soort antwoord: `Man sollte sich dieses Mann nicht bekümmern.' Dan schenkt de Haagse kerkeraad hem een (tijdelijke) plaats in een oudeliedenhuis in Heusden. Eind 1780 is hij vandaar naar familie in Maastricht verhuisd, waar hij binnen vijf maanden is overleden.

In Neerlands hoofd- en wortelzonde bepleitte hij niet de afschaffing van de slavernij, nog minder de opheffing van de kolonie. Wat hem betrof konden de kolonisten met hun werk doorgaan, als ze de Indianen en negers als mensen zouden behandelen. Hij had zijn hoogleraar theologie nog in alle ernst horen beweren dat de slaven destijds in de ark van Noach tot de dieren behoorden. Die opvatting bestreed hij. De zending vond hij nodig vanuit verschillende motieven: onder meer uit dankbaarheid voor de rijkdom die het vaderland in hun gebied vond, en als tegenwicht tegen de kwade zeden en schurken die met de westerlingen de kolonie binnenkwamen. Maar de koloniale en kerkelijke overheden lachten hem uit, vertelt hij, met de woorden: `Wel dominee! laat ons diegenen bekeeren, die met ons een Vel hebben, en van eene Verwe met ons zijn, en laat (-) die vervloekte Chams Kinderen voor den Duyvel vaaren; die zijn geschapen om voor ons Koffy en Suyker te planten.'

Kals zei tot zijn landgenoten: `Ziet nu eerst op 't Volk in welker land dat gij woont, de Indianen, en betracht toch eens, mag ik u bidden, rijpelijk met wat recht gij u meester maakt van hun erflanden en bezittingen. Het is onnodig om hier na te speuren, hoe deze volken in deze landen gekomen zijn. Gij vindt hun daar, ziet dat zij mensen zijn gelijk gij, dat zij in alles u gelijk zijn, uitgezonderd dat zij niet snedig genoeg zijn om zich allen te verenigen en sterk te maken, en u uit hun land te verdrijven; omdat gij hun het minste nut noch voordeel brengt, maar integendeel voortdurend onrust. (-) Zou het wel te verwonderen zijn, dat dit volk, eens ogen krijgend, 's nachts uit de bossen u allen op uw bedden of in uw hangmatten komt vermoorden, om deze vreemde gasten in een keer kwijt te raken? (-) Ziet ten tweede de negers, die gij met grote onkosten uit Guinée moet laten halen, die - door wat recht laat ik diegenen antwoorden, die deze koophandel drijven - vandaar gehaald, tot u overgebracht, en op de mensenmarkt (foei! Schande voor christenen!) openlijk verkocht en gekocht worden. Deze mensen gebruikt gij in uw dienst, en de meesten van u handelen ruwer en harder met hun als zij met hun domme vee - honden, katten, paarden, koeien of varkens - handelen. Is het wel te verwonderen dat deze mensen weglopen? En dan in de bossen bij elkaar komen, daar allerlei overleg plegen om u te eniger tijd betaald te komen zetten, wat gij aan hunzelf of hun voorzaten gedaan hebt? Bijzonder wanneer zij zien, en dikwijls ondervinden, dat gij hun nu nog geen rust laat, maar overal opzoekt, ontdekt, en in uw macht gekregen, dan op de allergrouwzaamste en onmenselijkste wijze vermoordt, hetwelk gij nog met de naam van recht of rechtdoen durft te benoemen. (-) Zie naar de oorzaken van hun weglopen, en gij zult bevinden dat die geen andere zijn als uw wrede en onmenselijke behandelingen. En denk dan aan uzelf. Zoudt gij niet trachten uit en onder de handen van diegenen los te komen, die u duizend doden deden sterven, en dat onder een voortdurende slaafse arbeid? (-) Ja hoe zoudt gij u op zulke vijanden door het recht van vergelding wreken, als gij daar maar enige kans toezag? Hoe kunt gij dan met deze mensen zo onmenselijk handelen!'(3)

Publikaties:

Klagte (Amsterdam 1734).

Neerlands hooft- en wortelsonde, het verzuim van de bekeringe der heidenen en Nuttige en noodige bekeeringe der heidenen in Suriname en Berbices (Leeuwarden 1756).

Literatuur:

BLGNP 1, p. 95-97.

A.A. van Schelven, `Suriname in de 18e eeuw' in West-Indische Gids (1922-1923) p. 65-90.

Jan Voorhoeve en Ursy M. Lichtveld, Suriname: Spiegel der vaderlandse kooplieden; een historisch leesboek (Zwolle 1958).

J.M. van der Linde, Jan Willem Kals - Leraar der Hervormden; Advocaat van Indiaan en Neger (Kampen 1987).

Noten

1 Van Schelven, p. 75.

2 Zoals twee eeuwen later E. du Perron voor Nederlandsch Oost-Indië ook zou voorstellen.

3 Voorhoeve en Lichtveld, p. 126-131


[terug] [Weduwe van Indië] [Ewald Vanvugt homepage] [top]