Uit Ewald Vanvugt, Nestbevuilers
Zie ook Vanvugt, Nieuw Zwartboek van Nederland overzee (uitg. Aspekt 2011).


gravure van J. Houbraken

Jan de Marre (1696-1763)

 

 

 

Opstandige noot van een onvermoeid lofzanger

Wanneer in de achttiende eeuw (schrijft Brom) `bij plechtige gelegenheden een ideologie soms de heersende economie moest worden ondergeschoven, dan gold deze beschouwing, dat Indië verlangend had uitgezien naar verlossing uit de Portugese en Spaanse slavernij. De Nederlanders waren de redders, de weldoeners van het Oosten. Gewoonlijk had Holland zulke overwegingen niet nodig om het recht van de sterkste, waaraan geen trouw burger twijfelde, te handhaven. Indië hield Amsterdam er boven op, door gedwee onder te liggen.' (1)

Een van de weinige dichters die Indië bezongen, is Jan de Marre: 23 jaar bevoer hij de wereldzeeën. In 1731 sloot hij zijn loopbaan af als schipper van de Heesbrug en vice-admiraal van de retourvloot. In Amsterdam raakte hij bevriend met toneelschrijvers en dichters en sloeg ook zelf aan het dichten. Zijn drama Jacoba van Beieren werd in 1736 opgevoerd en bezorgde hem, zo niet een plaats in het pantheon, wel een functie als assistent van de regenten van de Amsterdamse Stadsschouwburg. Sinds 1728 had hij gewerkt aan het grote gedicht Batavia, begrepen in zes boeken, dat in 1740 verscheen. Zijn vrienden schreven enthousiaste lofdichten. Latere lezers van het werk waren minder mild gestemd. Brom schreef:
`De Javaanse bevolking, begrijpen we wel, heeft onder zo'n zorgzaam bestuur een paradijs op aarde:

"De nijv'ren akkerman een' zoeten vrede smaakt,
Daar hij de Koffybouw op heuvels en in dalen,
Bevlijtigt en een' schat van 't aardrijk weet te halen."

'Een schat voor wie?' vraagt Brom. `De dichter beantwoordde aan de rechtvaardiging die de zegening van ieder predikant voor de overzeese handel meebracht, door het koopmansleven een zekere glorie bij te zetten. Het verloren paradijs kon enkel hersteld worden in ons uitverkoren volk, zichtbaar met zoveel renteniers gezegend.' Verder herinnert Brom eraan dat De Marre al door anderen is veroordeeld om zijn overmaat aan `holle galmen'. Brom: `Een lichaam kan tegelijk hol zijn en bol. Dit gevaart doet denken aan een dikke buik boven op een hoge stoep.'

Wanneer De Marre in vervoering raakt over de koffieboon en jubelt:

'Wie kan, o schoone Boon! uw' lof naar waarde zingen?
Daar ge, om uw wondre deugd, de waereld door geëerd,
Batavia versterkt en 't heil des Staats vermeert?
'

hoont Brom: `Dat Droogstoppel deze boekhouding op rijm niet kende! Nooit is de Farizeër zo ploertig als bij het huichelen van bezieling.'(2)

E. du Perron vindt dit oordeel van Brom in 1939 - `bij het onbillijke af, als men bedenkt dat deze mentaliteit nu nog de overheersende is bij 9 op de 10 Europeanen in Indië.'(3) In De Muze van Jan Compagnie citeert hij acht bladzijden uit Batavia. Hij eindigt met de hier volgende regels over `Het verraad van Pieter Erberfeld'.

Dit `verraad' greep plaats in 1721, toen in Batavia in korte tijd meerdere branden waren uitgebroken. In de nerveuze stemming kwamen een paar slaven aan de Indische regering vertellen dat hun meester, Pieter Erberfeld, een samenzwering aanvoerde van vrije Javanen en slaven, met het doel alle Hollanders te vermoorden. De zestigjarige Erberfeld, die op Java was geboren met een Duitse vader en een Javaanse moeder, had al sinds lange tijd ernstige grieven jegens de regering geuit, omdat hem landerijen uit zijn erfenis zouden zijn ontnomen. Hij was populair in de stad en had aanhang onder de moslimse leiders, altijd een centrale macht bij volksonrust. Erberfeld werd gearresteerd en op de pijnbank bekende hij het bestaan van het complot. Met achttien medeplichtigen werd hij dood gemarteld. De regering liet zijn woonhuis aan de weg naar Jacatra slopen en op die plaats een schandmuur oprichten, waarop aan een ijzeren lans gespiest het stenen doodshoofd van Erberfeld de voorbijgangers star aankeek. Een ingemetselde steen bevatte de inscriptie: `Uit een verfoeilijke gedachtenis aan de gestrafte landverrader Pieter Erberfeld zal niemand op deze plaats mogen bouwen, timmeren, metselen of planten, nu niet en nimmer. Batavia 14 april 1722.' Het monument staat ruim 220 jaar later nog in Jakarta, verplaatst naar het Stedelijk Museum van de Inscripties en Grafmonumenten.

De Marre was een tijdgenoot van Erberfeld, al was hij tijdens de executie niet in de stad. Zijn werk was zoals gezegd een lofdicht op het gezag. Maar F. de Haan haalt De Marre's regels over Erberfeld aan en zegt dat ze een `zeer bizondere betekenis' hebben. En: `Dit is al zo duidelijk mogelijk aan het adres van de Heeren der Regering.' Du Perron vond: `Het zou onjuist zijn geweest van een zo onvermoeid lofzanger juist deze uiting hier niet te geven.'

Uit de zes boeken van Batavia volgen hier 24 regels gericht aan de heren der regering:

'Maar gy die onbeschaamd de wetten wederstreeft,
En al te bitter met `s Lands ingeboornen leeft;
Hen knevelt, en de huid zoekt van het lijf te stroopen,
Om dus uw schatten door hunne armoe op te hoopen.
Gy zelft zyt oorzaak van den opstand van 't gemeen,
Gy baart dit muiten, en de val der Stad met één.
Kan uw geweten zulk een knaging nog verdragen,
Daar gij het alles om uw gierigheid wilt wagen,
U zelf, de Stad, en zo veel zielen, ja den Staat
Der Maatschappij zo snood durft wikklen in dit kwaad?
Gelooft gy 't niet? doorzie en nieuwe en oude schriften:
De val der Staaten word veroorzaakt door die driften.
Door zulk een boosheid zag de Luzitaan zyn' val,
Daar hij `s Lands volken wreed verdrukte, als overal
Het recht en billykheid om schraapzucht werd verschoven,
En ieder de armoe van de landaar dorst berooven,
Toen bracht de wanhoop al het Oosten in 't geweer,
En deed het omzien, ja verwisselen van Heer.
Nooit had de Batavier zyn glorie hier voldongen,
Zo niet de Landaard hem getrouw waar bijgesprongen,
Waar door de Luzitaan, bestookt door slag op slag,
Zyn' rijkstroon waggelen, en nederstorten zag:
En zo de Maatschappy haar' zetel om zien keeren,
Zal de oorzaak schuilen by baatzuchtige Opperheeren.'
(4)

 

Publikatie:

Batavia (1740)

Noten

1 Brom, p. 15.]

2 Brom, p. 17.

3 Du Perron 1948, p. 154.]

4 Du Perron 1948, p. 162.


[terug] [Weduwe van Indië] [Ewald Vanvugt homepage] [top]