Uit Ewald Vanvugt, Nestbevuilers
Zie ook Vanvugt, Nieuw Zwartboek van Nederland overzee (uitg. Aspekt 2011).


Portret van Jacob Mossel

Jacob Mossel

(1704-1761)

 

 

Eerste directeur van de Amfioen-Sociëteyt

Jacob Mossel werd in Enkhuizen geboren, 28 november 1704, als zoon van Pieter Jacobsz Mossel en Geertruyda Leydekker. Vijftien jaar later voer hij als `jong matroos' uit op de Haringtuyn. Op 24 september 1720 kwam hij in Batavia aan, en het volgend jaar werd hij als `matroos aan de pen' overgeplaatst naar Negapatnam, op de Oostkust van India. Eenentwintig jaar bleef hij in India en doorliep alle rangen: van provisoneel-assistent (1724) tot gouverneur en directeur van Coromandel (1738). Hij trouwde (in 1730) met een stiefdochter van de Hollandse gouverneur Adriaan Pla; het paar kreeg zeven kinderen van wie drie jong stierven. In 1742 werd hij `naar Batavia verlost'. Onder gouverneur-generaal Van Imhoff nam hij zitting in het hoogste bestuur van de VOC in Azië, de Raad van Indië. Op 18 juni 1743 is zijn vrouw in Negapatnam overleden.

Veel VOC-ambtenaren vonden dat ze werden onderbetaald en keken altijd uit naar `stille winsten'. Deze `emolumenten' werden beschouwd als iets geoorloofds, zo niet als het echte werk. Een gouverneur van Oost-Java bijvoorbeeld kreeg 2400 gulden per jaar, maar verschillende bijverdiensten (wettige en onwettige) deden dit inkomen tot 100 duizend gulden per jaar stijgen. Gouverneur-generaal Van Hoorns fortuin werd bij zijn aftreden in 1709 op tien miljoen gulden geschat. Zolang de meeste ambtenaren van de Compagnie rechtstreeks of zijdelings bij de knoeierij betrokken bleven, was niet te verwachten dat die zou verdwijnen. (1)

In 1744 verscheen de eerste gedrukte krant op Java, die niet door de overheid werd uitgegeven. Maar Bataviase nouvelles werd twee jaar later al, als zijnde `een bedreiging voor het handelsmonopolie' verboden. Een handel waarmee zowel legaal als illegaal door het VOC-personeel van oudsher in Azië kapitalen werden verdiend, was de handel in opium. In 1743 en 1744 verkocht de Compagnie - zoals sinds honderd jaar gebruikelijk was - opium uit Bengalen op openbare veilingen in Batavia. Mossel reorganiseerde de opiumhandel. De opiuminvoer en -verkoop op Java steeg tot ongekende hoogte. Maar Van Imhoff bleef zinnen op een manier om meer aan het opiumgebruik te verdienen. Hoe kon hij de eeuwige smokkel uitbannen? Hoe konden de bendes corrupte ambtenaren worden omgevormd tot een leger van trawanten?

In 1745 bracht hij in de Raad van Indië het ontwerp ter tafel van een Sociëteyt van den Amphioen Handel, een particuliere vennootschap voor de handel in het slaapgom. De VOC richtte een dochtermaatschappij op, aan wie het opiummonopolie werd afgestaan. De Compagnie belastte zich alleen met de inkoop in Bengalen en het vervoer naar Batavia. De Amphioen-Sociëteyt ging het slaapgom verkopen, met een gegarandeerde jaarlijkse minimumafname van 1200 kisten (ongeveer 73000 kilo) tegen de vaste prijs van 450 rijksdaalders per kist door de VOC aan haar te leveren, loco Batavia. Mocht de Sociëteyt meer dan 1200 kisten nodig hebben, dan zou het meerdere 400 rijksdaalders per kist kosten.

Jacob Mossel werd de eerste Directeur van de Amphioen-Sociëteyt. Volgens de notulen van de Indische Regering werd na enig gedelibereer in aanmerking genomen - `dat het grote oogmerk van de amfioenhandel is, de Compagnie daarvan zoveel mogelijk voordeel te garanderen. Men kan niet anders dan bevorderlijk voor dit doel de verbreiding zien van het belang dat de Compagnie daarin heeft tot zoveel mogelijk andere mensen, ja over de gehele kolonie hier, die mettertijd er belang bij zal hebben dat er geen andere opium binnenkomt dan die van de Compagnie.'

Het kapitaal van anderhalf miljoen gulden werd in 300 aandelen van elk 2000 rijksdaalders zo goed als geheel onder de eigen ambtenaren geplaatst. Volgens de oprichtingsacte zou niemand directeur of administrerend hoofdparticipant kunnen zijn zonder zelf tenminste tien aandelen te bezitten. Niemand kon kassier of boekhouder zijn wie niet zelf eigenaar was van tenminste vijf aandelen. Zo kregen de hoge VOC-dienaren als aandeelhouders in de wettige opiumhandel persoonlijk belang bij het weren van de smokkel. Op 30 november 1745 verkreeg de Sociëteyt van den Amphioen Handel, volle dochter van de VOC en hoogtepunt van Hollandse koopmanskunst, een exclusief octrooi voor een periode van tien jaar. Het octrooi werd vervolgens van tijd tot tijd met wat veranderingen verlengd.

Voor de Indische markt betekende de tussenkomst van de nieuwe vennootschap natuurlijk een prijsstijging. De VOC bedong van haar dochter een winst van 500 à 600 gulden per kist. De Amfioen-Sociëteyt moest op haar beurt tenminste een gelijke prijsverhoging eisen van de kopers uit de tweede hand. Zo steeg de waarde van opium in het binnenland. En die hogere waarde was de premie voor de smokkelaar. De Sociëteyt stimuleerde niet alleen met de eigen aanvoer het opiumgebruik op Java, maar door de prijs van het produkt kunstmatig hoog te houden, wakkerde zij ook de smokkel aan. (2)

Op de dag van Van Imhoffs overlijden, 1 november 1750, koos de Raad van Indië Jacob Mossel tot gouverneur-generaal. De benoeming werd door Heeren Zeventien goedgekeurd. De scheepsjongen die gouverneur-generaal werd aanvaardde het opperwind in een moeilijke tijd: oorlog met Mataram en Bantam en algehele achteruitgang van de handel. Men kon nog wel feesten. Een landsarchivaris heeft de oude rekeningen opgediept: in 1753 werd de komst van Mossel op Ternate gevierd met het `drinken van een goed getal wijnroemers en fluijten bier, item het vermakelijk ledig vegen van diverse bokalen.' Op de diner-rekening stonden 280 flessen wijn, 310 flessen licht en 160 zwaar bier. (3)

Op Java wist Mossel de vrede te herstellen. Maar in 1756 veroverde een smaldeel Britse marineschepen Calcutta. Het verlies van de macht tot vrije mededinging op de Bengaalse opiumveilingen betekende voor de VOC de fatale klap. Mossel was een kerks man die op eigen kosten een Maleise vertaling van de bijbel liet drukken. En net als bijna alle anderen ontsiert het hem `dat hij niet kieskeurig was in de middelen om zichzelf te verrijken'. (4) Hij overleed in Batavia op 15 mei 1761. Hij behoort tot de Nestbevuilers omdat hij met meerdere stukken - waaronder het `Reglement tegen de Pracht en de Praal' en de Oprichtingsacte van de Amphioen-Sociëteyt - beruchte aspecten van het Nederlandse regime in Azië onuitwisbaar aan de koloniale biblotheek heeft toegevoegd.

Publikaties:

Oprichtingsakte van de Amphioen-Sociëteyt. Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.

Literatuur:

Stapel 1941, pp. 60-61.

Noten

1 Stapel; Vlekke

2 Baud; Wetting opium

3 Rob Nieuwenhuis (red.), F. de Haan. Uit de nadagen van de `Loffelijke Compagnie' (Amsterdam 1984) p. 174.

4 Stapel 1941, p. 61.

Links

De Amfoensociëteit


[terug] [Weduwe van Indië] [Ewald Vanvugt homepage] [top]