Uit Ewald Vanvugt, Nestbevuilers
Zie ook Vanvugt, Nieuw Zwartboek van Nederland overzee (uitg. Aspekt 2011).


Portret van Onno van Haren gegrraveerd door P Velijn

Onno Zwier van Haren (1713-1779)

(1713-1779)

 

 

Een gewonde sultan in Friesland

Onno Zwier van Haren was Willems drie jaar jongere broer. Na de dood van zijn vader woonde hij meestal bij zijn oom Duco, de grietman van Stellingwerf. Aan het hof van Willem IV stond hij altijd in de schaduw van zijn broer Willem. Zijn moeder schijnt ook altijd de oudste voorgetrokken te hebben; als student in Franeker en Utrecht leefde Onno op een smalle beurs. In 1734 werd hij burgemeester van Sloten en geschiedschrijver van Friesland. In 1742 volgde hij zijn oom Duco als grietman op. Toen Willem IV in 1747 erfstadhouder van de Republiek werd, gingen de Van Harens mee naar Den Haag. In de Staten-Generaal namen zij voortdurend deel aan gewichtige commissies en gezantschappen. Rond 1750 was het fortuin van Willem deerlijk geslonken, terwijl Onno's bescheidener deel genoeg was aangegroeid om zijn grote gezin op ruime voet te laten leven. Tegenover Willems weinig puriteinse en jachtige verhoudingen met vrouwen stond Onno's gezinsgeluk, met een vrouw uit eigen kring, Adeleide van Hulst, en maar liefst tien kinderen: zes dochters en vier zonen.

Tien jaar later was alles anders. Hoewel Willem zijn fortuin had verloren en een onstichtelijke privéleven leidde, wist hij het scheepje van zijn officiële positie in veilige haven te brengen en te houden: hij bleef vertegenwoordiger van de Republiek aan het Hof in Brussel tot aan zijn dood. Maar tegen Onno was een orkaan opgestoken, die alles had weggesleurd. Zijn naam, achting, invloed, familievrede, vriendschapsbanden, schitterende vooruitzichten - alles wat eens onwrikbaar verzekerd scheen, was verdwenen in de wervelwind.

In 1758 had Onno Zwier van Haren zijn oudste dochter, Ameilia, op negentienjarige leeftijd ten huwelijk gegeven aan Johan Alexander van Sandick, een landgenoot uit West-Indië die in Den Haag woonde. Het jaar daarna raakte de derde dochter, Caroline Wilhelmina, verloofd met Willem van Hogendorp (zie verderop).

Op zondag 10 februari 1760 had de familie zoals gebruikelijk 'smiddags gegeten bij de Van Sandwicks. Na het vertrek van de oudelui kwamen twee dochters, de aanstaande bruid van Van Hogendorp en de ongeveer zestienjarige Marianne Elisabeth, genoemd Betje, tot de bekentenis dat haar vader had geprobeerd zich aan hen te vergrijpen. Nauwkeurig is gedocumenteerd hoe de schoonzoon Van Sandwick en de aanstaande schoonzoon Van Hogendorp met de beschuldiging van het crimen Tentati Incentus Onno Zwier van Haren uit Den Haag en het openbare leven hebben weggejaagd. Over de precieze beweegredenen van `het complot' (zoals hij het noemde) om hem publiekelijk te beschuldigen van seksueel misbruik van twee dochters, is veel gespeculeerd, evenals over de vraag: was Onno schuldig of onschuldig? Wie hem voor onschuldig houden (Van Vloten) of voor schuldig (Busken Huet) - allen zijn het eens dat hij door zijn dochters en hun mannen laaghartig is behandeld. Met bedrieglijke briefjes hebben zij hem een schuldbekentenis afgeperst. Nog één keer probeerde hij terug te komen in Den Haag. Maar de schuldbekentenis werd openbaar gemaakt en de gevallen staatsman vertrok opnieuw naar Wolvega, om nooit meer verder dan Leeuwarden te komen. E. du Perron noemde zijn historische roman over het familiedrama: Schandaal in Holland (1939). (1)

Zijn vijanden en het noodlot bleven Onno Zwier van Haren achtervolgen: het slot Lindenoord in Wolvega, waar de familie 'szomers verbleef, werd door een brand in 1776 grotendeels een ruïne. Naast veel kostbaarheden en de hoofdmoot van zijn bibliotheek verloor hij veel eigen werk dat alleen in manuscript bestond. Maar Onno bestempelde het ongeval liever als een `perte' dan als een `ruïne'. Met ongebroken wilskracht schreef de vroegere geschiedschrijver van Friesland nog meerdere omvangrijke werken. Maar zijn prozaboeken slopen onopgemerkt de wereld in, en zijn gedichten en toneelstukken vonden bijna algemene afkeuring. Eerst het nageslacht heeft belangstelling voor zijn werk getoond. In de negentiende eeuw werd hij geprezen als de enige leesbare Nederlander uit de periode tussen Poot en Bilderdijk.

Evenmin als zijn broer Willem was Onno ooit in de Oost geweest. Maar Nederland en Oost-Indië waren nauw verbonden, zoals ook blijkt uit Onno's Het leven van J. Camphuis. Eerder waren al bergen toneelstukken geschreven, maar bij nauwkeurig onderzoek van achtduizend titels van Nederlandse toneelstukken vóór Onno Zwier van Haren zijn niet meer dan twee stukken ontdekt over de koloniën. Het is betoogd dat hij met Agon, Sultan van Bantam (in 1769 in Leeuwarden gepubliceerd), waarin hij het thema van vadermoord behandelt, zijn eigen zedeloze reputatie probeerde schoon te wassen, en dat hij het koloniale gezag niet aanviel maar juist de Nederlandse oorlog in Bantam verdedigde. (2) Maar onmiskenbaar knutselde de dichter regels die een voorafspiegeling zijn van het werk van Sicco Roorda van Eysinga. Met brede streken tekent hij de jeugdige, Javaanse wees Fathema, voor wie het afgrijzen tegen de westerse barbaren de drijfveer van haar leven wordt. Waar alle schrijvers hun toneelfiguren lieten doen of de koloniën niet bestonden, voerde Onno Zwier van Haren een inheemse heldin op, die kracht put uit de vervloeking van de Nederlandse bezetter van haar land: (3)

'O, moorders van mijn huis en roovers van mijn goed,
Dat voor mijn oog uw kroost verstikke in oudrenbloed;
Of dat der oudren troost in hare stervende uren.
Mag zijn 't gejuil van 't kind verpletterd aan de muren!'

Fathemah heeft, bij het lijk van haar gesneuvelde bruidegom Hassan, de Hollander Steenwijk doodgestoken, en nu zet zij de punt van de dolk op haar eigen borst en spreekt haar laatste woorden:

'O Hassan, uwe dood ten minste is gewroken
Op hem die dit verraad het eerst heeft aangestoken.
Mijn laatste hartzeer is, dat ik die scherpe dolk
Niet heb geduwd in 't hart van 't gansche Neerlands volk!' (4)

 

 

 

Literatuur:

J. van Vloten, Leven en werken van Willem en Onno Zwier van Haren (Deventer 1874).

Huet, `De Van Haren's' in Lit. Fant. 6: 1-56.

H.J. Polak, `De Gebroeders Van Haren', als feuilleton verschenen in de Nieuwe Rotterdamsche Courant (1873), ook in de bundel Studiën (Amsterdam 1888: 1-106).

Noten

1 E. du Perron, Schandaal in Holland (1939)

2 W.M.F. Mansfelt, `Onno Zwier van Haren' in De Gids 1920: 312 e.v.

3 Polak: 77

4 Lit. Fant. 6: 36-38


[terug] [Weduwe van Indië] [Ewald Vanvugt homepage] [top]