Verzoekschrift

Aan de leden en de plaatsvervangende leden van de Vaste Commissie voor Buitenlandse Zaken der Tweede Kamer

t.a.v. drs. H.J.B. Aarts

Amsterdam, 24 Mei 1993

Zeer geachte dames en heren,

In aansluiting op het verzoekschrift van de N.V.J. ben ik als Nederlander en als journalist verplicht het volgende tot Uw aandacht te brengen. Heden richtte ik een klacht tot de procureur-generaal welke ik insluit en voor zichzelf spreekt.

In 1953 trad ik in de journalistiek als buitenland redacteur van het Algemeen Handelsblad. In 1957, na een onderzoek in Djakarta, wilde ik in de N.R.C. schrijven, dat we verkeerd bezig waren in de kwestie Nieuw Guinea, wat me werd verhinderd door redacteur H.J. Roethof, die me schreef: "je hebt gelijk maar het kan niet in de krant." (Zie "Vaderland Getrouwe", 1973) Daarop richtte ik een Adres aan de Staten Generaal met mijn boodschap. Dit leverde in de Telegraaf het predikaat "Landverraad" op, de B.V.D. werd naar de drie bladen die ik in Indonesie vertegenwoordigde gezonden met de mededeling dat ik staatsgevaarlijk was. Vrijwel onmiddellijk nadat ik over de Papoea's gelijk had gekregen maakte Luns mij voor het leven persona non grata voor de regering. (1962)

Ik wist dat de staat onrechtmatig tegen een journalist bezig was maar kon dit niet bewijzen. In 1972 diende ik een klacht in bij procureur generaal Langemeijer tegen de leugens van Luns en de onrechtmatige handelingen van de staat. Hij gaf de zaak ter behandeling door aan de Vaste Kamer Commissie voor Buitenlandse Zaken. Er is na lang traineren over gestemd en besloten werd met een meerderheid van stemmen Luns te onderzoeken. Dit is echter nooit gebeurd. Intussen werd mij de uitoefening van mijn beroep permanent onmogelijk gemaakt.

In 1991 had ik voldoende bewijsstukken om aan te tonen dat niet alleen Luns maar de inlichtingendiensten en het hele staats apparaat permanent 35 jaar tegen mij werden ingezet omdat ik een "gevaarlijke en onbetrouwbare" journalist zou zijn. Het is dan wel opmerkelijk dat ik in al die jaren nergens ter wereld ooit met de justitie in aanvaring kwam, of ooit voor de Raad van de Journalistiek werd gebracht wegens een onwaarheid of onjournalistiek gedrag.

Ik publiceerde een keuze uit de vrijgekomen stukken in "Vogelvrij" (uitgever Jan Mets) en zond alle leden van de Staten Generaal een exemplaar. In een brief tot het parlement in dit boekje opgenomen riep ik de parlementsleden te hulp, omdat ik thans 68 jaar ben geworden, na al die jaren van sabotage en nooit meer een vaste aanstelling te hebben kunnen krijgen, ben ik door mijn prive-vermogen heen, verkocht mijn huis, verkocht nu ook mijn laatste kostbare bezit, mijn vleugel, en ben al drie jaar niet meer in het bezit van een ziekenverzekering omdat de N.V.J., het Zilveren Kruis en de sociale dienst van Amsterdam er niet uit kunnen komen. Ik leef al anderhalf jaar van een minimum- uitkering, bewoon een studio van zes bij zes in de Jordaan, maar weet een ding heel zeker, niet alleen dat ik dit niet verdien, maar dat ik nooit iets heb gedaan om dit allemaal te rechtvaardigen. Niemand uit het parlement -op Erika Terpstra na- reageerde op mijn dringende verzoek aan het parlement in October 1992 in "Vogelvrij" gedaan. Intussen loopt er een procedure tegen de staat, die ons werd opgedrongen door de heer van den Broek, want pogingen aan de hand van de stukken in 1991 tot een vergelijk te komen werden formeel door de minister afgedaan met "procedeer maar". De minister liet mij zelfs in 1991 weten dat de staat nooit iets onrechtmatigs jegens mij had gedaan, terwijl ik in het bezit was van 400 stukken.

Hierbij dient te worden aangetekend, dat de staat, respectievelijk Buitenlandse Zaken, zich verzet door geld van de belastingbetaler aan te wenden voor het oneigenlijke doel haar eigen scheve schaatsen in strijd met de rechten van het individu, de vrije meningsuiting en die van een onafhankelijke journalist, recht proberen te breien. Aan mijn kant moet geld van de vakbond hiervoor worden aangewend. Het komt feitelijk neer op misdadig gebruik van gelden door het publiek aan de staat in goed vertrouwen afgedragen om misdadig gedrag van de overheid te camoufleren en aan het oog van de kiezers te onttrekken. Waar ligt de grens voor het parlement van ontoelaatbaar gedrag en het oneigenlijk gebruik van overheidsfondsen?

In 1986 trok ik me in Zuid Afrika terug, mede om de overheidsterreur hier te proberen te ontlopen. Maar opnieuw werd ik niet met rust gelaten. Waarom waarschuwden drie generaals mij, dat ik als C.I.A. agent te boek stond en om die reden ook daar mijn werk niet meer kon doen? Waarom werd ik 3 Augustus 1992 zonder opgave van redenen gearresteerd en uitgewezen? In politionele kringen te Pretoria waarschuwde men mij dat mijn uitwijzing door Den Haag en de B.V.D. was bewerkstelligd. Vervolgens ontdekte ik via contacten bij de Koninklijke Marechaussee dat wat men mij had medegedeeld over de heren van den Broek, Bentinck, en Klaas de Jonge waar was. Ik heb vervolgens - als in 1957 met de affaire Nieuw Guinea - bij een groot aantal media, te beginnen De Volkskrant, de mij ter beschikking gekomen gegevens als nu vervat in een klacht bij de procureur-generaal, gedeponeerd. Geen journalist kon bevestiging krijgen van de gegevens, alle deuren waren hermetisch gesloten, Jan Tromp en Jos Slats van de Volkskrant zeiden me, we staan met de rug tegen de muur en we worden belazerd.

Intussen werd mij met de meeste klem door mijn eigen raadsman, door de vak organisatie, en door mij bevriende leden van het parlement geadviseerd die zaak te laten rusten, geen vin te verroeren want het klimaat was na 35 jaar van ordinaire overheids sabotage nu gunstig om tot een regeling te komen. "Doe niets," werd gezegd, "om de heer Kooijmans ongunstig te stemmen, wacht tot men tot een vergelijk in jouw zaak komt en ga dan je gang." Ik vind dergelijk gedrag, of een dergelijke overweging mijnerzijds, gebaseerd op een even corrupt denken als waar ik mijn leven lang het slachtoffer van ben geweest. Ik doe er niet aan mee. Ik weet, dat de heren Lubbers, van den Broek, Bentinck en Klaas de Jonge in flagrante strijd met het landsbelang jegens Zuid Afrika hebben gehandeld, dat wat gebeurde in strijd was met constitutionele verplichtingen en met het internationale recht tussen souvereine staten en als journalist - ongeacht of men in de vaste commissie of in het bureau van de heer Kooijmans, laat staan ten burele van de landsadvocaat, dit nu prettig vindt of niet - heb ik het recht en de plicht (als in 1957 de kwestie Nieuw Guinea) wat is gebeurd onder de aandacht van de kiezers te brengen. Maar er gebeurt opnieuw wat in 1957 gebeurde. Zelfs De Volkskrant wordt gebreideld en voorgelogen. Wij, journalisten, komen er op deze manier niet doorheen.

In de kwestie Luns moest ik van 1957 tot 1991 knokken tegen overheidsterreur alvorens ik deze enigermate kon bewijzen. Ik heb geen 34 jaar meer om te kunnen aantonen wat in de zaak Klaas de Jonge helaas de jammerlijke waarheid is. Misschien hopen de heren Lubbers, van den Broek en Bentinck wel dat ik AIDS zal krijgen zodat men ongestoord kan overgaan tot de orde van de dag, net als in het verleden met het bedrog van Luns, wat de vaste kamercommissie in 1972 zou gaan onderzoeken, wat tot op de dag van heden niet is gebeurd.

Nu is er een andere vaste kamercommissie dan in 1972. We zijn twintig jaar verder. Ik kan niet anders doen, dan me op Uw college beroepen en de feiten aan te dragen. Ik verzoek de commissie hierbij dan ook, en richt dit tot de voorzitter de heer Aarts, mij achter gesloten deuren te horen. De kiezers hebben in vertrouwen vertegenwoordigers naar het parlement gezonden om er op toe te zien, niet dat persoonlijke reputaties of partij- politieke belangen worden gediend, maar dat het landsbelang onder alle omstandigheden op de eerste plaats komt. Ik heb bovendien voldoende vertrouwen mij hieromtrent tot u te richten, dat men bereid is serieus te nemen wat ik de procureur generaal in beknopte vorm heb toevertrouwd. Ook ga ik er van uit, dat uw commissie het verzoekschrift van de N.V.J., dat weliswaar parallel aan deze zaak loopt, afzonderlijk zult willen afhandelen en ik vraag u met klem dit te bespoedigen. Ik bevind me in minder plezierige levensomstandigheden en geloof niet dat ik ooit iets heb gedaan dat dit rechtvaardigt. Het gif, dat in strijd met de waarheid, gedurende decennia door de overheid over me is uitgestort, meest in geheime telegrammen en andere achterbakse methoden, heeft haar doel niet gemist. Er zijn leden in uw commissie -zoals de heer Weisglas- die zich tot de dag van heden door deze leugens in hun oordeel laten beinvloeden. Er zijn andere leden, die mij soms tientallen jaren kennen, of hun partijgenoten doen dit, en daardoor een geheel andere attitude ontplooien in mijn gevecht om de feiten en de waarheid boven tafel te krijgen. Ik heb mezelf altijd gehoed voor hen, die maar al te graag zonder persoonlijke verificatie het slechte nieuws over anderen klakkeloos voor waar aannemen. Dat was trouwens de voornaamste boodschap van Multatuli, dat de rapporten uit Indie van het gouvernement onwaar waren. Ik ben dit jaar 40 jaar journalist. Ik verzoek uw college met klem mij eenmaal toe te staan mijn zaak in uw midden te bepleiten.

Willem Oltmans


[terug]